Uitspraak
2.De feiten
3.Het verzoek
- Eenmaal per 14 dagen van zaterdag 13:00 uur tot maandagochtend naar school bij de man;
- Eerste Pinksterdag en Eerste Paasdag bij de vrouw en Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag bij de man;
- Offerfeest en Suikerfeest bij de vrouw en de daaropvolgende zondag bij de man. Indien deze dagen op een zondag vallen, zijn de kinderen bij de vrouw en vanaf 16:00 uur bij de man:
- Koningsdag en Sinterklaas in de even jaren bij de vrouw en de oneven jaren bij de man;
- halen en brengen zo, dat de man de kinderen voor aanvang van het contactmoment ophaalt bij de vrouw en de vrouw de kinderen na afloop ophaalt bij de man.
4.De beoordeling
.In het ouderschapsplan hebben partijen afgesproken wat de kinderen kosten (de behoefte), te weten € 150,= per maand per kind. In het ouderschapsplan is niet opgeschreven hoe partijen dit bedrag hebben berekend. De vrouw is van mening dat dit bedrag niet juist is. Volgens de vrouw was haar eigen inkomen in 2022 € 44.436,= bruto per jaar en dat van de man € 34.468,= bruto per jaar. Als je op basis van die inkomens het netto gezinsinkomen berekent, dan betekent dat volgens de vrouw dat in 2023 iedere maand een bedrag van€ 1.345,= aan beide kinderen werd besteed. Dat is volgens de vrouw de werkelijke behoefte. Gelet op de jaarlijkse indexering is de behoefte dan in 2025 € 761,= per maand per kind. Volgens de vrouw is er dus een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage die de rechter zou hebben vastgesteld en die partijen zijn overeengekomen. Verder vindt de vrouw dat de kinderalimentatie aangepast moet worden, omdat bij het maken van de afspraken daarover een co-ouderschapsregeling gold. Die regeling is vervangen door een weekendregeling en daarom klopt de alimentatie niet meer en moet deze door de rechter aangepast worden (artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek).
5.De beslissing
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.