ECLI:NL:RBZWB:2025:8203

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/02/434683/HA RK 25-100 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M. Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake arbeidsovereenkomst en loonbetaling tussen statutair directeur en vennootschap na relatiebreuk

In deze zaak verzoekt de eiser, een statutair directeur van een vennootschap, om wedertewerkstelling, betaling van loon, terbeschikkingstelling van een zakelijke auto en vergoeding van gemaakte kosten na een relatiebreuk met zijn mede-directeur. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 november 2025 uitspraak gedaan. De eiser heeft zijn verzoeken gedeeltelijk toegewezen gekregen. De rechtbank oordeelt dat de arbeidsovereenkomst van de eiser met de vennootschap voortduurt, ondanks de beëindiging van de persoonlijke relatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser recht heeft op zijn loon over de periode van januari tot en met juni 2025, en vanaf juli 2025 recht heeft op de helft van zijn overeengekomen salaris. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de eiser recht heeft op vergoeding van kosten voor een vervangende auto en laadkosten. De verzoeken tot toelating tot de werkplek en terbeschikkingstelling van de zakelijke computer zijn afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/434683 / HA RK 25-100
Beschikking van 17 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. R.A.W. van Oudheusden,
tegen
[verweerster] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. M.L. Egeter.

1.De zaak in het kort

1.1.
[verweerster] is opgericht door haar beide statutair directeuren [verzoeker] en [persoon] . [verzoeker] en [persoon] zijn na een jarenlange relatie uit elkaar gegaan. De relatiebreuk tussen [verzoeker] en [persoon] leidt tot deze procedure. [verzoeker] verzoekt samengevat wedertewerkstelling, betaling van loon, terbeschikkingstelling van een zakelijke auto en vergoeding van gemaakte kosten. [verweerster] voert verweer. De verzoeken van [verzoeker] worden gedeeltelijk toegewezen.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift van 25 april 2025 met producties 1 tot en met 6,
 het verweerschrift van 30 september 2025 met producties 1 tot en met 7,
 de aanvullende producties 7 tot en met 14 van [verzoeker] van 3 oktober 2025 (die ondanks het bezwaar van [verweerster] worden toegelaten, wat bij de beoordeling zal worden gemotiveerd),
 de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 het bericht van 10 oktober 2025 van de advocaat van [verzoeker] dat het primaire verzoek onder VI niet wordt ingetrokken.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De feiten
3.1.
[verweerster] is bij akte van 7 september 2016 opgericht door [verzoeker] en mevrouw [persoon] . [verzoeker] en [persoon] zijn bij akte van oprichting benoemd tot statutair bestuurder van [verweerster] en houden ieder 50% van de aandelen. [verzoeker] en [persoon] hebben op 7 september 2016 ook de werkmaatschappij [bedrijf] B.V. opgericht, waarvan [verweerster] statutair bestuurder is. [bedrijf] B.V. houdt zich bezig met het houden van een stoeterij en de aankoop, verkoop en het taxeren van geschikte (woon) objecten voor het houden van paarden.
3.2.
[verzoeker] en [persoon] hebben 20 jaar een relatie gehad. Deze relatie is op 6 januari 2025 beëindigd. [verzoeker] heeft op 7 januari 2025 de gezamenlijke woning verlaten. [persoon] is in de woning blijven wonen. [verweerster] is gevestigd op het adres van deze woning.
3.3.
De arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op [verzoeker] zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst die rond 1 oktober 2023 is ondertekend. In artikel 8.1 van deze arbeidsovereenkomst is bepaald dat door de werkgever of één van haar werkmaatschappijen een personenauto aan de werknemer ter beschikking zal worden gesteld die ook voor privé doeleinden mag worden gebruikt. Aan [verzoeker] is een Tesla 3 ter beschikking gesteld. [verzoeker] heeft deze auto zakelijk gebruikt. Voor privé ritten maakten [verzoeker] en [persoon] gebruik van een door [verweerster] ter beschikking gestelde Tesla Y.
3.4.
Het salaris van [verzoeker] in zijn functie van statutair algemeen directeur van [verweerster] bedraagt € 4.666,67 bruto per maand op basis van een volledige werkweek. Het netto salaris van zowel [verzoeker] als [persoon] is op basis van een gezamenlijke afspraak telkens bijgeboekt in de rekening courant verhouding van beide directeuren met [verweerster] . Feitelijke uitbetalingen aan [verzoeker] vonden via [persoon] plaats afhankelijk van de financiële ruimte bij [verweerster] om betalingen te doen en de behoefte van [verzoeker] om in privé over financiële middelen te beschikken.
3.5.
[verzoeker] en [persoon] hebben op 19 februari 2025 een eerste gesprek gevoerd over de afwikkeling van hun gemeenschappelijke zaken. Op 27 februari 2025 heeft [persoon] aan [verzoeker] een e-mail gestuurd met daarin onder meer het volgende:
Zakelijke afwikkeling en termijnen
Graag verneem ikuiterlijk maandag 3 maart 2025 om 12uschriftelijk uw positieve reactie op mijn voorstel dat ik 20 februari 2025 heb gedaan, dan wel een tegenvoorstel. Indien u hier geen gehoor aan geeft zal verdere afhandeling via mijn advocaat gaan verlopen, aangezien ik de zakelijke en financiële afwikkeling wens te voltooien.
Teruggave van de zakelijke auto
De Tesla Model 3 (…) is eigendom van [verweerster] B.V. en is uitsluitend bedoeld voor zakelijk gebruik. Aangezien u al geruime tijd geen bedrijfsactiviteiten meer verricht en niet meer functioneert binnen de onderneming, dient deze auto per direct worden ingeleverd.
Beëindiging loondienst en financiële afhandeling
(…) Nu onze persoonlijke relatie is beëindigd en de zakelijke verhoudingen moeten worden afgewikkeld heb ik besloten om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 geen loon meer uit te betalen, conform de bepalingen in uw arbeidscontract. (…)”
3.6.
[verzoeker] heeft de Tesla 3 op 28 februari 2025 bij [verweerster] ingeleverd. De auto is op 11 maart 2025 voor een bedrag van € 19.000,00 inclusief btw verkocht door [verweerster] .
3.7.
[verzoeker] heeft bij brief van 11 maart 2025 gericht aan de algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerster] bezwaar gemaakt tegen zijn ontslag als statutair directeur, nu er geen (rechtsgeldig) ontslagbesluit is genomen en er geen redelijke grond is voor ontslag. [verzoeker] verklaart zich beschikbaar en bereid om op eerste afroep de bedongen werkzaamheden te verrichten en maakt aanspraak op betaling van salaris en terbeschikkingstelling van alle bedrijfsmiddelen en faciliteiten.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank – samengevat – om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. te verklaren voor recht dat wegens het ontbreken van een ontslagbesluit van een opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake is, althans dat de opzegging nietig is, althans de opzegging te vernietigen,
II. [verweerster] te veroordelen tot betaling door middel van bijschrijving op de bankrekening van [verzoeker] van het salaris van € 4.666,67 bruto per maand te vermeerderen met alle emolumenten vanaf januari 2025 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het salaris en de verhoging,
III. [verweerster] te veroordelen tot betaling door middel van bijschrijving op de bankrekening van [verzoeker] van het salaris van € 4.666,67 bruto per maand te vermeerderen met alle emolumenten over de maand april 2025 en volgende tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente telkens wanneer het loon niet tijdig is voldaan,
IV. [verweerster] te veroordelen om [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van de beschikking toe te laten tot de werkplek en zijn gebruikelijke werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [verweerster] niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,00,
V. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van deze beschikking de Tesla 3 weer in gebruik te geven op straffe van een dwangsom van
€ 250,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,
VI. [verweerster] te veroordelen om [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van deze beschikking de zakelijke computer die hij uit hoofde van zijn dienstverband gebruikt ter beschikking te stellen en hem toegang te verschaffen tot zijn persoonlijke map “ [naam] ” in Outlook Exchange en tot Dropbox (zowel de zakelijke als de privéfolder) op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [verweerster] niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,00,
VII. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening de kosten voor de vervangende auto te vergoeden van € 1.239,00 per maand vanaf 1 maart 2025 tot het moment waarop hij weer de beschikking zal hebben over de zakelijke auto,
VIII. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening de laadkosten voor de elektrische auto van 7 januari 2025 tot en met 28 februari 2025 van € 284,75 te vergoeden,
IX. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.837,18 of € 1.724,25 te vergoeden,
Subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat het ontslag niet nietig of vernietigbaar is:
I. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening van een vergoeding van € 18.666,68 of € 9.333,34 bruto wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn,
II. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening van de transitievergoeding van € 13.458,41 bruto,
III. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening van een billijke vergoeding van € 56.000,00,
IV. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] door middel van bijschrijving op zijn bankrekening de buitengerechtelijke kosten van € 1.837,18 of € 1.724,25 te vergoeden,
In alle gevallen:
[verweerster] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[verweerster] voert verweer. [verweerster] verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren of zijn verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
4.3.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van hun verzoeken en het verweer daartegen hebben aangevoerd.

5.De beoordeling

De door [verzoeker] nagezonden producties
5.1.
[verzoeker] heeft op de avond van vrijdag 3 oktober 2025 de aanvullende producties 7 tot en met 14 aan de rechtbank en [verweerster] toegezonden. [verweerster] heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen toelating van deze producties vanwege het late tijdstip van indiening daarvan. [verweerster] heeft daarbij gewezen op artikel 1.6.4 van het toepasselijke procesreglement waarin wordt bepaald dat producties uiterlijk 10 kalenderdagen voor de zitting ingediend moeten zijn. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de producties zijn ingediend naar aanleiding van de ontvangst van het verweerschrift, dat pas op 30 september 2025 is ontvangen. Tijdens de zitting heeft de rechtbank aangegeven in de beschikking te zullen beslissen op het bezwaar van [verweerster] .
5.2.
De rechtbank laat de aanvullende producties toe, zodat deze onderdeel uitmaken van het procesdossier. Er is niet gebleken dat [verweerster] in haar procesvoering is geschaad door de late indiening van de producties. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de producties stukken betreffen die al bekend waren bij [verweerster] , niet van doorslaggevende betekenis zijn voor de beoordeling van de verzoeken en [verweerster] kon verwachten dat er na indiening van het verweerschrift nog producties van de andere partij zouden kunnen volgen (die vanwege het moment van indiening van het verweerschrift per definitie niet binnen de in het procesreglement genoemde termijn zouden kunnen worden ingediend).
De arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met [verweerster]
5.3.
[verzoeker] heeft de inhoud van de e-mail van 27 februari 2025 (zie 3.5) begrepen als een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst of anders een aanzegging van ontslag van hem als statutair directeur met terugwerkende kracht. [verzoeker] voert aan dat hij de e-mail gelet op de gebruikte bewoordingen in die zin mocht opvatten. De onder I verzochte verklaring voor recht is gericht op deze opzegging.
5.4.
[verweerster] heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting erkend dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met [verweerster] onveranderd voortduurt en dat van een opzegging geen sprake is geweest. Alleen de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap – zijnde [persoon] en [verzoeker] gezamenlijk – kan besluiten tot ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder en als werknemer van de vennootschap. Het is [verzoeker] bekend dat een dergelijk aandeelhoudersbesluit niet is genomen.
5.5.
De rechtbank constateert dat er tussen partijen geen geschil (meer) is over het bestaan en voortduren van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerster] . Bij die stand van zaken heeft [verzoeker] geen belang bij beoordeling door de rechtbank van de vraag of in de e-mail van 27 februari 2025 een opzegging besloten ligt en zo ja, of die opzegging rechtsgeldig is. De onder I verzochte verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
5.6.
Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank niet toekomt aan beoordeling van het subsidiaire verzoek van [verzoeker] . Enkel de primaire verzoeken worden beoordeeld.
Verschuldigdheid van loon en de uitbetaling daarvan
5.7.
[verzoeker] stelt dat hij vanaf 1 januari 2025 niet meer het overeengekomen loon heeft ontvangen, hoewel hij zich zowel vóór als na 27 februari 2025 (de datum van ontvangst van de e-mail die [verzoeker] heeft beschouwd als opzegging) beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Dat [verweerster] van deze beschikbaarheid geen gebruik heeft gemaakt, laat onverlet dat [verweerster] het loon moet betalen. Door het uitblijven van betaling is [verweerster] bovendien de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd.
5.8.
[verweerster] voert aan dat [verzoeker] het volledige loon over de gehele periode vanaf
1 januari 2025 op de gebruikelijke wijze heeft ontvangen. Deze gebruikelijke wijze houdt conform een tussen [verzoeker] en [persoon] gemaakte afspraak in dat het verschuldigde loon wordt geboekt in de rekening-courantverhouding die beide directeuren hebben met [verweerster] . Er is geen sprake geweest van een loonstop. Er is ook geen sprake geweest van een grond om een loonstop toe te passen. [verzoeker] heeft recht op loon, aldus [verweerster] tijdens de zitting.
5.9.
De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat [verzoeker] de aanspraak op zijn loon heeft behouden, ook al heeft hij vanaf 7 januari 2025 geen werkzaamheden meer verricht voor [verweerster] . Dit past binnen het systeem van de wet waarin een werknemer aanspraak behoudt op zijn loon indien het feit dat hij niet werkt in redelijkheid niet voor zijn rekening behoort te komen. In dit geval ligt de oorzaak voor het niet werken voor [verweerster] in het verbreken van de persoonlijke relatie tussen [verzoeker] en [persoon] , die samen de onderneming vormen. Zakelijk en privé zijn met elkaar verweven. De rechtbank acht het niet redelijk om de gevolgen van de relatiebreuk geheel voor rekening van [verzoeker] te brengen, in de vorm van het verlies van de aanspraak op zijn loon.
5.10.
Dat ligt naar het oordeel van de rechtbank anders over de periode vanaf 1 juli 2025. [verzoeker] heeft op de zitting toegelicht dat hij momenteel als zzp’er vanuit eigen nieuw opgerichte vennootschappen voor 20 tot 22 uur per week verricht voor twee opdrachtgevers. Zijn eerste opdracht is gestart op 1 juli 2025. Vanaf die datum genereert [verzoeker] eigen inkomsten naast de loonaanspraak die hij heeft op [verweerster] . De rechtbank acht het niet redelijk dat de oorzaak van het niet werken voor [verweerster] over de uren die [verzoeker] voor zichzelf werkt ook voor rekening van [verweerster] komt. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen rechtvaardiging voor het naast elkaar bestaan van een volledige aanspraak op loon vanuit [verweerster] en het genereren van eigen inkomsten door [verzoeker] .
5.11.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat [verzoeker] over de periode januari tot en met juni 2025 aanspraak heeft op zijn volledige overeengekomen maandloon van € 4.666,67 bruto (plus emolumenten) en vanaf juli 2025 aanspraak op de helft van zijn overeengekomen salaris.
5.12.
Wat betreft de verzochte veroordeling tot betaling van het loon over de periode vanaf januari 2025 op de bankrekening van [verzoeker] overweegt de rechtbank als volgt.
5.13.
Niet in geschil is dat [verzoeker] en [persoon] hadden afgesproken dat het loon van beide directeuren geboekt zou worden in de rekening-courantverhouding met [verweerster] (zie 3.4). [verweerster] heeft gesteld dat het loon van [verzoeker] over de periode vanaf januari 2025 conform deze afspraak is geboekt. [verzoeker] heeft dat niet weersproken. Het loon is dus feitelijk voldaan door middel van deze boeking in de rekening-courantverhouding van [verzoeker] met [verweerster] . Deze afspraak is echter gemaakt toen de relatie tussen [verzoeker] en [persoon] nog goed was. Dat is niet meer zo. De huidige situatie is aldus dat enkel [persoon] over een bankpas van de bankrekening van [verweerster] beschikt. Ook heeft enkel [persoon] toegang tot de bankieren App. Alleen [persoon] is dus in staat om geld op te nemen van de zakelijke bankrekening.
5.14.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet afhankelijk moet zijn van [persoon] voor het kunnen beschikken over financiële middelen vanuit [verweerster] en dat hij terecht verzoekt om uitbetaling van zijn loon middels storting op zijn bankrekening. Vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift – 25 april 2025 – mocht [verweerster] er naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet meer van uitgaan dat de boeking van het loon in de rekening-courantverhouding nog volstond. Het verzoek tot rechtstreekse uitbetaling van het loon op de bankrekening van [verzoeker] is daarom toewijsbaar vanaf mei 2025. Rechtstreekse uitbetaling van het loon over de maanden januari tot en met april 2025 wordt afgewezen. Deze boekingen moeten in de verdeling tussen partijen worden betrokken, net als de correcties die naar aanleiding van deze beschikking in de rekening-courantverhouding moeten worden doorgevoerd.
5.15.
[persoon] heeft er tijdens de zitting op gewezen dat [verweerster] niet over de nodige liquiditeit beschikt om de salarissen van de directeuren uit te betalen. Zij heeft dit niet nader onderbouwd met financiële gegevens van [verweerster] . De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij. Daarbij benadrukt de rechtbank echter dat zowel [persoon] als [verzoeker] statutair bestuurder en aandeelhouder van [verweerster] zijn, en in die hoedanigheid een gezamenlijk belang hebben en een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor het voortbestaan van de onderneming.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente over het loon
5.16.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De wettelijke rente is toewijsbaar over het loon vanaf mei 2025. De wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag waarop het loon over de maand mei 2025 (en daaropvolgende maanden, uiteraard enkel voor zover uitbetaling niet tijdig plaatsvindt) uiterlijk betaald had moeten zijn.
Toelating tot de werkplek en de gebruikelijke werkzaamheden
5.17.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de werkplek af. De werkplek is namelijk de woning die tijdens de relatie gezamenlijk werd bewoond en sinds de relatiebreuk enkel door [persoon] wordt bewoond. De werkplek is feitelijk dan ook de privéruimte van [persoon] .
5.18.
Ook het verzoek tot toelating tot de gebruikelijke werkzaamheden wordt afgewezen. Hoewel als uitgangspunt geldt dat [verzoeker] als statutair bestuurder van [verweerster] recht heeft om de daarbij behorende werkzaamheden uit te voeren (net als [persoon] ), ziet de rechtbank in dit geval reden om anders te oordelen. De onderneming bestaat feitelijk uit twee personen, [persoon] en [verzoeker] . Zij hebben allebei eenzelfde positie binnen de vennootschap en evenveel zeggenschap. Hoewel beide directeuren zich kunnen richten op andere activiteiten van de onderneming, kan er niet aan worden ontkomen om samen te werken, te overleggen en gezamenlijk tot besluiten te komen. Op basis van de stukken en met name het gesprek tijdens de zitting kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat partijen in ieder geval op dit moment niet in staat zijn om te communiceren op een manier die daarvoor nodig is. Het voor een succesvolle samenwerking benodigde vertrouwen mist. Gelet op het feit dat [persoon] de activiteiten van de vennootschap sinds de relatiebreuk feitelijk heeft voortgezet en [verzoeker] momenteel op een andere manier in werk kan voorzien, ligt het naar het oordeel van de rechtbank het meest voor de hand dat deze huidige situatie gehandhaafd blijft.
Auto van de zaak
5.19.
[verzoeker] verzoekt in zijn verzoekschrift specifiek om weer de beschikking te krijgen over de Tesla 3 waarin hij tot 28 februari 2025 reed. Deze auto is echter verkocht. [verzoeker] is daar na lezing van het verweerschrift van op de hoogte geraakt. Het is dan ook niet mogelijk voor [verweerster] om aan dit verzoek te voldoen. De advocaat van [verzoeker] heeft mondeling op de zitting aangegeven in plaats van terbeschikkingstelling van de Tesla 3 betaling van de helft van de verkoopwaarde te willen verzoeken. Dit betreft een wijziging van verzoek, die op grond van de wet niet mondeling kan worden ingesteld (artikel 283 Rv). [verzoeker] heeft voorafgaand aan de zitting voldoende gelegenheid gehad om zijn gewijzigde verzoek op papier te zetten. Nog los van deze formele hobbel geldt dat de opbrengst van de verkoop van de auto toekomt aan [verweerster] . De verdeling van deze opbrengst is dan ook een kwestie die partijen in het kader van de afwikkeling van hun zakelijke relatie zullen moeten meenemen.
Terbeschikkingstelling zakelijke computer en toegang tot bestanden
5.20.
[verzoeker] verzoekt ter beschikking stelling van de zakelijke computer die hij uit hoofde van zijn dienstverband met [verweerster] heeft gebruikt en hem toegang te verschaffen tot zijn persoonlijke map ‘ [naam] ’ in Outlook Exchange en tot Dropbox (zowel de zakelijke als de privéfolder). [verzoeker] voert aan dat zowel de zakelijke computer als de persoonlijke map privédocumenten en -bestanden bevatten die uitsluitend van hem zijn en voor hem van (emotionele) waarde zijn.
5.21.
[verweerster] voert ter verweer aan dat [verzoeker] al de beschikking heeft over de zakelijke Apple computer (iMac), de zakelijke Apple laptop en de zakelijke iPhone 15 Pro, zodat hij geen belang heeft bij afgifte van nog een zakelijke computer. Wat betreft de bestanden zal [verweerster] kopieën aan [verzoeker] verstrekken.
5.22.
Tijdens de zitting heeft [persoon] [verzoeker] een harde schijf overhandigd en een lijst van bestanden die op deze schijf staan volgens haar. [verzoeker] zou de inhoud van de schijf bekijken en de rechtbank vervolgens berichten of hij zijn verzoek zoals opgenomen onder VI zou intrekken. [verzoeker] heeft de rechtbank bericht dat hij zijn verzoek handhaaft. De rechtbank zal het verzoek daarom beoordelen.
5.23.
De rechtbank wijst het verzoek af. Tijdens de zitting is gebleken dat het [verzoeker] niet te doen is om de computer zelf, maar om de bestanden. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat hij over andere zakelijke computers beschikt. Het belang bij ter beschikking stelling van de computer ontbreekt. Daarbij geldt dat [verzoeker] geen werkzaamheden verricht voor [verweerster] . Voor wat betreft toegang tot privébestanden geldt dat het verband met en het belang vanuit de arbeidsrelatie mist. Bovendien is het verzoek op het punt van toegang tot bestanden onvoldoende concreet omschreven om te kunnen worden toegewezen. Al het voorgaande laat onverlet dat [verzoeker] vanuit zijn positie als statutair directeur en aandeelhouder van [verweerster] uiteraard moet kunnen beschikken over de informatie die nodig is om deze posities te kunnen vervullen. [persoon] zal de informatie die past bij het statutair directeurschap en aandeelhouderschap van [verzoeker] met hem moeten delen.
Kosten voor de vervangende auto en laadkosten
5.24.
[verzoeker] heeft na het inleveren van de zakelijke auto een andere elektrische auto gekocht. [verzoeker] stelt dat [verweerster] de kosten die hij in privé moet dragen voor deze auto moet vergoeden, nu hij gerechtigd was om de zakelijke auto ook privé te gebruiken en dan de kosten niet zou hebben gemaakt. [verzoeker] begroot de kosten op € 1.239,00 per maand en verwijst ter onderbouwing naar een berekening van de autokosten door Autoweek. Ook verzoekt [verzoeker] vergoeding van de in privé gemaakte laadkosten tot een bedrag van
€ 284,75, nu hij geen gebruik heeft kunnen maken van de laadpaal bij de woning (het vestigingsadres van [verweerster] ).
5.25.
[verweerster] voert in het verweerschrift aan dat als [verzoeker] van mening is dat hij nog recht heeft op een zakelijke vergoeding van privégebruik van een vervangende bedrijfsauto en kilometers (brandstof/elektrisch laden) zonder dat daar een bijtelling tegenover staat, die post in de zakelijke en privé afwikkeling in te brengen.
5.26.
[verzoeker] laat door het instellen van zijn verzoek zien dat hij van mening is recht te hebben op vergoedingen. In het voorstel om deze post in te brengen in de afwikkeling die tussen partijen moet plaatsvinden leest de rechtbank geen betwisting van het verzoek. Ook tegen de verzochte bedragen is geen verweer gericht. De rechtbank wijst de verzoeken daarom toe. Wat betreft het verzoek tot betaling van de kosten van een vervangende auto geldt dat deze vergoeding niet langer verschuldigd zal zijn indien [verweerster] [verzoeker] een zakelijke auto ter beschikking stelt. [verzoeker] heeft op de zitting toegelicht dat zijn verzoek ook in die zin moet worden begrepen.
Buitengerechtelijke kosten
5.27.
[verzoeker] verzoekt vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.837,18 of € 1.724,25. Dit verzoek is enkel in het petitum van het verzoekschrift opgenomen en wordt verder nergens onderbouwd. [verzoeker] heeft daarmee niet gemotiveerd gesteld dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen. Het verzoek wordt afgewezen.
Proceskosten
5.28.
De rechtbank ziet in de verhouding tussen partijen aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het loon van € 4.666,67 bruto per maand te vermeerderen met emolumenten over de periode mei 2025 tot en met juni 2025,
6.2.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van 50% van het loon van € 4.666,67 bruto per maand te vermeerderen met emolumenten over de periode vanaf juli 2025 tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst,
6.3.
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over de loonbetalingen vanaf mei 2025, telkens te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop het loon over de betreffende maand uiterlijk betaald had moeten zijn,
6.4.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van de vervangende auto van € 1.239,00 per maand vanaf 1 maart 2025 tot het moment dat [verzoeker] weer de beschikking zal hebben over een zakelijke auto vanuit [verweerster] ,
6.5.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de laadkosten voor de vervangende auto van € 284,75,
6.6.
bepaalt dat [verweerster] alle verschuldigde bedragen aan [verzoeker] dient uit te betalen door middel van bijschrijving op het in het verzoekschrift genoemde bankrekeningnummer van [verzoeker] ,
6.7.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.8.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.