ECLI:NL:RBZWB:2025:8165

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/02/441343 / FA RK 25/5540
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 31 oktober 2025 het verzoek van de officier van justitie tot voortzetting van een crisismaatregel voor betrokkene, die verblijft in een GGZ-instelling onder een crisismaatregel. Betrokkene lijdt aan een posttraumatische stressstoornis, middelenverslavingsproblematiek en borderline persoonlijkheidsstoornis, en vertoont een aanhoudend suïcidevoornemen.

De behandelend psychiater lichtte toe dat ondanks klinische opname en medicatiebetrouwbaarheid, betrokkene zich verzet tegen verdere behandeling en nog steeds een ernstig risico op levensgevaar vertoont. De advocaat van betrokkene betwistte het verzoek en vroeg om afwijzing of beperking tot strikt noodzakelijke zorgvormen.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt door een psychische stoornis, en dat minder bezwarende alternatieven ontbreken. Daarom verleende zij een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken, met toepassing van maatregelen zoals beperking van bewegingsvrijheid, opname in een accommodatie en controle op gedrag-beïnvloedende middelen.

De machtiging geldt tot en met 21 november 2025. Het verzoek tot overige zorgvormen werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De beschikking is in het openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 14 november 2025.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken met noodzakelijke zorgvormen gericht op het afwenden van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441343 / FA RK 25/5540
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende [adres 1]
verblijvende te [accommodatie] ,
[adres 2] ,
advocaat mr. A.W.M. van de Wouw te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt mee in de beoordeling het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • de heer [persoon] , psychiater.
1.3.
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.

2.Wat vaststaat

Betrokkene verblijft met een crisismaatregel bij de [accommodatie]
[adres 2] . De burgemeester van Tilburg heeft de crisismaatregel op 30 oktober 2025 genomen.

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz),voor de duur van drie weken te verlenen voor de navolgende zorgvormen:
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van
medische controles of andere medische handelingen en therapeutische
maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege
die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • insluiten;
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende
middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
  • opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
Op de vraag van de behandelend rechter hoe het nu met haar gaat en hoe zij tegenover het verzoek staat geeft betrokkene aan dat zij nergens op wil reageren. Verderop tijdens de zitting legt de behandelend rechter aan betrokkene de vraag voor of, indien zij nu uit de GGZ instelling zou worden ontslagen, bij haar nog steeds het voornemen aanwezig is om zich te suïcideren. Betrokkene antwoordt daarop dat zij ook daarop niet wenst te reageren.
4.2.
De behandelend psychiater brengt naar voren dat bij betrokkene sprake is van een posttraumatische stressstoornis waarbij ze dissocieert en daarnaast van middelen verslavingsproblematiek. Ook zou betrokkene met persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van borderline zijn gediagnostiseerd. Betrokkene ontvangt ambulante zorg via het FACT team. Door het ambulante zorgteam en het team Dubbele Diagnose is aanvankelijk besloten tot een vrijwillige klinische opname, nadat betrokkene medicatie had opgespaard, bedoeld - naar zij heeft bevestigd - om met behulp daarvan suïcide te plegen. Er is besloten tot een crisismaatregel, omdat het gedurende de klinische opname niet lukte met betrokkene tot een behandelcontact te komen, maar zij wel kenbaar maakte de GGZ instelling te willen verlaten om zich alsnog van het leven te beroven. Geprobeerd is en wordt om met betrokkene alsnog tot afspraken te komen over voortzetting van de klinische opname, opdat gewerkt kan worden aan stabilisatie van haar toestandsbeeld. Echter wordt gezien dat, hoewel betrokkene zich op de afdeling voldoende staande weet te houden, zij nog altijd blijk geeft van een aanhoudend voornemen om een einde aan haar leven te maken. Zij accepteert wel de haar geboden rustgevende medicatie. Met deze toelichting kan de psychiater achter het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting crisismaatregel staan, dit in de eerste plaats uit oogpunt van bescherming en veiligheid, maar ook vanuit de hoop/verwachting dat betrokkene zich alsnog voor behandelgesprekken zal weten open te stellen. Als de op dit moment strikt noodzakelijke zorgvormen benoemt hij onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen zodra betrokkene uit de GGZ instelling zal zijn ontslagen, het controleren op de aanwezigheid van gedragbeïnvloedende middelen, het beperken van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie.
4.3.
De advocaat van betrokkene voert aan dat zij op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting geen redenen ziet om te twijfelen aan het bestaan van of het aanzienlijk risico op onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en ook niet aan het vermoeden dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag bij haar cliënt dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Ook is haar uit de opstelling van betrokkene in voldoende mate gebleken dat zij zich verzet tegen de door haar behandelaar op dit moment noodzakelijk geachte zorg, bedoeld ter voorkoming c.q. afwending van het ernstig nadeel.
Aan al het voorgaande doet niet af dat betrokkene in het voorgesprek duidelijk heeft aangegeven dat zij het liefst per direct naar huis wil terugkeren. Namens betrokkene stelt zij zich daarom primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Indien de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt zij namens haar cliënt, bij wijze van subsidiair standpunt, de machtiging tot voortzetting crisismaatregel te beperken tot de strikt nood-zakelijke zorgvormen, zoals ter zitting besproken.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot voortzetting crisismaatregel. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- levensgevaar.
5.3.
Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken en de zitting van het vermoeden dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis in de vorm van middel gerelateerde en verslavingsstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en overige DSM-5 stoornissen.
5.4.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene voorafgaand aan maar ook tijdens de crisisopname blijk geeft van het bij haar onophoudelijk aanwezige voornemen om zichzelf van het leven te beroven. Pogingen van haar behandelaar om door middel van gesprekken in die situatie verandering te brengen hebben tot dusver niet het beoogde resultaat gehad, in die zin, dat daardoor het risico op onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, als hiervóór beschreven, voldoende is geweken.
5.5.
De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragbeïnvloedende
middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
  • opnemen in een accommodatie.
Het verzoek van de officier van justitie zal worden afgewezen voor zover dat ziet op de overige verzochte zorgvormen, nu voor het afgeven van een machtiging in zoverre geen noodzaak bestaat.
5.6.
Betrokkene verzet zich tegen de zorg en tegen het verblijf.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
5.8.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
5.9.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een machtiging tot voortzetting crisismaatregel verlenen voor een periode van 3 weken, als verzocht.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor:
[betrokkene] ,
geboren [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
wat inhoudt dat de maatregelen zoals genoemd in rechtsoverweging 5.5 kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 21 november 2025;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025 door mr. Struijs, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier, en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.