ECLI:NL:RBZWB:2025:8163

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/02/440394 / JE RK 25/1761
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2017, vanwege zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling. De kinderen verblijven momenteel in een pleeggezin. Uit het onderzoek blijkt dat de kinderen getuige zijn geweest van ruzies en mogelijk huiselijk geweld, wat hun sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigt. De moeder en haar partner erkennen de zorgen niet en er is sprake van wantrouwen richting hulpverlening.

De moeder heeft psychische problemen, waaronder een klinische opname, die haar opvoedcapaciteit beïnvloeden. De kinderen dragen een onevenredig groot verantwoordelijkheidsgevoel en maken zich zorgen over volwassen zaken zoals financiën. De Raad acht het noodzakelijk dat de kinderen in een veilige omgeving opgroeien en dat de moeder psychische hulp krijgt. De kinderrechter concludeert dat terugplaatsing momenteel niet verantwoord is.

De kinderrechter stelt de kinderen onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor twaalf maanden en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden in een pleegzorgvoorziening. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing voor respectievelijk twaalf en zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440394 / JE RK 25/1761
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
gevestigd te Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ),
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ),
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. I.M. d' Hont te Breda,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
De kinderrechter merkt aan als informant:
[de stiefvader 1] ,
hierna te noemen de stiefvader,
wonende in [plaats] .

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het op 2 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift van de Raad, met bijlagen;
  • de op 14 oktober 2025 van de Raad ontvangen onderzoeksrapportage, gedateerd 14 oktober 2025.
1.2.
Op 23 oktober 2025 heeft de zitting met gesloten deuren plaats gevonden. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw [persoon] , tolk in de Poolse taal (registratienummer [nummer] );
  • de stiefvader;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening mondeling tijdens een kind gesprek of op andere wijze kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Er dient op grond van de gegevens van te worden uit gegaan dat de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei een andere vader. De rechtbank sluit niet uit dat deze vaders naar Pools recht mogelijk over [minderjarige 1] en over [minderjarige 2] afzonderlijk met het gezag zijn belast. Echter omdat bij de rechtbank over deze vaders geen gegevens bekend zijn kon aan hen in deze procedure geen juridische status worden toegekend.
2.2.
Bij beschikking van 8 augustus 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 augustus 2025 tot 28 oktober 2025.
Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) en/of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 augustus 2025 tot 28 oktober 2025.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen in, naar de rechtbank begrijpt, een voorziening voor pleegzorg voor de duur van 6 maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad, samengevat, aangevoerd dat, ondanks dat onduidelijk is gebleven wat er zich exact heeft afgespeeld, uit het onderzoek in elk geval is gebleken dat de kinderen klaarblijkelijk last hebben gehad van bepaalde gebeurtenissen en deze impact op hen hebben gehad. De kinderen hebben uitspraken gedaan over ruzies tussen de moeder en haar partner en over boosheid van deze partner, waarvan zij (oog- of oor)getuige zijn geweest. Ook hebben de kinderen duidelijk gemaakt dat zij willen dat dit stopt. De grootste zorgen zijn gelegen op het sociaal-emotionele vlak. Bij beide kinderen wordt gezien dat zij zich in bepaalde mate onveilig hebben gevoeld in de thuissituatie, wat maakt dat de grootste zorg is gelegen in of/in hoeverre dit impact heeft of zal gaan hebben op hun ontwikkeling op het sociaal-emotionele vlak.
4.2.
Door de betrokken hulpverlening wordt tevens gezien dat de kinderen zich zorgen
maken over volwassen zaken, zoals de financiële situatie van de moeder. Verder laat met name [minderjarige 1] blijken dat hij zich verantwoordelijk voelt voor zijn zusje [minderjarige 2] en dat hij tevens bezig is geweest met de gemoedstoestand van zijn moeder, dit naar aanleiding van
‘rare’ dingen, die zij zou hebben gezegd en omdat zij volgens hem tijdens het eerste bezoek
gestrest was, waar hij zorgen over heeft. [minderjarige 2] heeft tijdens het onderzoek verteld over het boos worden van moeders partner, maar zij heeft tegelijkertijd duidelijk gemaakt daar niet verder over te willen vertellen, omdat ze hem niet verdrietig wil maken. Uit dit alles concludeert de Raad dat op de schouders van beide kinderen onevenredig grote zorgen en verantwoordelijkheidsgevoelens rusten, terwijl zij juist de ruimte dienen te hebben om
kind te kunnen zijn, zich onbekommerd te uiten en zich bezig te houden met hun
ontwikkelingstaken, zoals school, het aangaan van sociale contacten en steeds zelfstandiger worden. Ondanks al het voorgaande wordt op school gezien dat de kinderen goed mee kunnen en dat er momenteel geen zorgen zijn over hun cognitieve ontwikkeling. Wel wordt bij hen op taalkundig vlak een achterstand gezien, wat echter verklaarbaar is, omdat zij pas later de Nederlandse taal hebben moeten leren. Beide kinderen gaan graag en met veel plezier naar school, zij het dat [minderjarige 2] regelmatig buikpijnklachten had en moe was in de periode dat zij nog thuis woonde. Ook gaf zij op school aan niet goed te slapen. Denkbaar is dat dit te maken heeft met de gebeurtenissen in de thuissituatie, waarvan zij last heeft.
4.3.
Er is in het vorig schooljaar sprake geweest van veelvuldig schoolverzuim. De kinderen kwamen vaak te laat op school of zij waren afwezig. Zij waren op die momenten niet afgemeld, ook was de moeder voor de school niet bereikbaar. De moeder heeft daarover aangegeven dat zij in die periode op een bungalowpark woonden en dat er door [hulpverlening 1] nog geen vervoer voor de kinderen was geregeld. Daardoor is bij de Raad de indruk ontstaan dat financiële en huisvestingsproblemen (deels) aan de problemen onderliggend zijn, nu zorgen daarover aanleiding kunnen zijn voor frustraties en ruzies. Bovendien heeft de partner van de moeder aangegeven deze problemen zelf op te willen pakken, terwijl er daarvoor al hulp werd verleend door [hulpverlening 1] , welke hulpverlening daardoor op de achtergrond is geraakt.
4.4.
De uit het onderzoek gebleken zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden door de moeder en haar partner niet (h)erkend. Volgens de moeder en haar partner kloppen de verhalen van de kinderen niet en is er niets aan de hand. De kinderen worden omgekocht of onder druk gezet door hulpverleners waardoor zij deze uitspraken doen. De moeder en haar partner hebben zorgen geuit over de verzorging van de kinderen in het pleeggezin. Echter zijn voor de Raad deze zorgen niet zichtbaar geweest tijdens het gesprek met de kinderen en ook niet naar voren gekomen uit de informatie vanuit andere betrokkenen, zoals de jeugdbeschermer. Wel heeft de jeugdbeschermer opvallende signaleringen gedaan voor wat betreft de ontwikkeling van beide kinderen. Zo kon [minderjarige 2] nog niet fietsen en had zij moeite met balans houden. [minderjarige 1] kon een beetje fietsen, maar hij kende nog geen verkeersregels. Ook konden beide kinderen nog niet zwemmen. Het pleeggezin zorgt ervoor dat de kinderen alsnog leren fietsen en ook naar zwemles kunnen. De moeder is het daar niet mee eens, zij had dit graag zelf op willen pakken. Daarnaast is gebleken van zorgen over de mondzorg van de kinderen en van een aantal angsten bij de kinderen, zoals voor harde geluiden en waar het [minderjarige 1] betreft voor water. Tevens zijn er zorgen over het man/vrouwbeeld dat [minderjarige 1] heeft. Hij vindt dat hij ‘man moet zijn’, hij heeft een duidelijk beeld over mannen en vrouwentaken en hij lijkt in het pleeggezin moeite te hebben met contact met vrouwen. Over deze zorgen heeft de Raad niets vanuit de school vernomen.
4.5.
Over het gedrag van de moeder is uit het onderzoek gebleken van zorgen in relatie tot haar psychische gesteldheid en de invloed hiervan op haar opvoedcapaciteiten en
op de kinderen. Door [minderjarige 1] , de jeugdbeschermer en de hulpverlener van [hulpverlening 2] is binnen het raadsonderzoek gesproken over uitspraken van de moeder, die niet overeen lijken te komen met de realiteit. [minderjarige 1] heeft verteld over een voorval, waarbij de moeder woedend was geworden, zij aan het schreeuwen was en zij dacht dat er drie vrouwen aan kwamen, terwijl dit volgens hem niet het geval was en over dat zij in de zomervakantie en tijdens het eerste bezoekmoment gestrest was. Ook liet de moeder voorafgaand aan de uithuisplaatsing blijken dat zij dacht haar ex-partner (de vader van [minderjarige 1] ) te zien en dat deze haar lastig viel, dat personen die zij niet kent tegen haar zouden praten en dat er een extra router in de meterkast zou zijn geplaatst. De jeugdbeschermer heeft ervaren dat de moeder qua gemoedstoestand heel wisselend kan zijn, waarbij zij de ene keer heel rustig is en zij de andere keer heel erg boos kan worden. Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat er met haar niets aan de hand is en dat zij ook geen hulp nodig heeft. Wat de Raad extra zorgen baart is dat gebleken is dat de moeder gedurende enkele dagen in het kader van een klinische GGZ opname op de High Intensive Care (HIC) heeft verbleven. Uit het onderzoek is niet gekomen dat de moeder [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] zou belasten met waanbeelden of met angsten. Ook van de betrokken hulpverlening wordt niet terug gehoord dat de kinderen dingen zouden horen en/of zien, waar zij bang voor zijn. De Raad dient het er voor te houden dat, zolang er geen duidelijkheid is over het psychisch welbevinden van de moeder, haar angsten gedurende momenten waarop het met haar niet goed gaat bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor onrust en spanning zorgen en zij dan niet of onvoldoende beschikbaar is voor de kinderen.
4.6.
[hulpverlening 2] heeft de contacten tussen de moeder, [de stiefvader 2] en de kinderen begeleid en geprobeerd hulp in te zetten. Evenals vóór de uithuisplaatsing het geval was zorgden de moeder en stiefvader er nu ook voor dat de kinderen over alle spullen beschikten die zij nodig hadden. Ook zag volgens [hulpverlening 2] hun woning er verzorgd uit. Hoewel de moeder de deur open hield voor de hulpverlening toonde zij tegelijkertijd weerstand en herkende zij niet alle zorgen. Ook bleef er bij stiefvader onbegrip bestaan over de reden dat de kinderen nu niet thuis kunnen wonen. Daardoor bleek er vooralsnog van echte samenwerking geen sprake.
4.7.
In de visie van [hulpverlening 2] dient er hulpverlening te worden ingezet in de vorm van traumatherapie of een andere vorm van therapie voor de kinderen, psychologische diagnostiek en een passend vervolgtraject (bijv. therapie, medicatie) voor de moeder en psychologische hulp van een poolstalige psycholoog voor de stiefvader. De Raad acht het wenselijk dat, wanneer de kinderen hier zelf ook voor open staan, er een onafhankelijk persoon is bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen naar aanleiding van de gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld speltherapie of het schoolmaatschappelijk werk. Wanneer blijkt dat er bij de moeder sprake is van psychische problematiek kan ook gedacht worden aan psycho-educatie voor de kinderen (zoals een KOPP training). Tot op heden is echter niet duidelijk of dit aan de orde/relevant is. Duidelijk is geworden dat begeleiding en regievoering door een jeugdbeschermer nog een tijd lang nodig zal zijn. Dit omdat de zorgen door de moeder en door stiefvader (deels) niet worden (h)erkend en het de moeder niet lukt om werkelijk met de hulpverlening aan de slag te gaan. Gelet daarop is de verwachting dat het, ook na een eventuele thuisplaatsing van de kinderen, nog nodig zal zijn het gezin te volgen en ervoor te zorgen dat hulpverlening voldoende wordt geaccepteerd.
4.8.
Los van alle hiervóór beschreven zorgen benoemt de Raad als bijkomend zorgaspect de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en van [minderjarige 2] . Voor beide kinderen geldt dat hun vaders (al langere tijd) niet betrokken zijn in hun leven en er geen contact is. Hoewel de kinderen daar op dit moment ogenschijnlijk geen last van hebben beschouwt de Raad dit als zorgelijk met het oog op hun toekomst. Dit omdat de kinderen zich geen
eigen beeld kunnen vormen van hun vader, nu zij niet bekend zijn met hun afkomst. Bovendien is de herinnering die [minderjarige 1] aan zijn vader heeft door wat zijn moeder daarover heeft verteld negatief gekleurd. [minderjarige 2] ziet stiefvader ( [de stiefvader 2] ) als haar vader. Op dit moment lijken de kinderen geen wensen te hebben gericht op contact met hun biologische vader.
4.9.
Op grond van het voorgaande handhaaft de Raad ter zitting het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een periode van twaalf maanden en tot machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van zes maanden. Dit tegen de achtergrond van de zorgen die zijn ontstaan over de veiligheid van de kinderen thuis door zorgelijke uitspraken die de kinderen hebben gedaan, welke zorgen deels nog overeind staan. Het is in de afgelopen maanden nog niet of onvoldoende gelukt om duidelijk te krijgen of de kinderen veilig terug naar huis kunnen. Hiervoor is het nodig dat er zicht komt op de dynamiek tussen de moeder en haar partner, eventuele spanningen onderling en dat gekeken wordt hoe zij ervoor kunnen zorgen dat de kinderen niet meer belast worden met eventuele ruzies. Ook moet er zicht komen op moeders psychische gesteldheid, de stemmingswisselingen waar zij last van heeft en de dingen die zij mogelijk ziet en die er niet zijn. Belangrijk is dat, waar nodig, de moeder daarvoor hulp krijgt. Pas wanneer er op al deze aspecten meer zicht is en eventuele noodzakelijk geachte hulpverlening is ingezet, kan er onderzoek naar een terugplaatsing van de kinderen worden gedaan. Van belang is dat intussen er regelmatig (begeleid) contact blijft tussen de moeder, haar partner en de kinderen. Op het moment dat er meer rust is, is het goed dat er aandacht blijft voor het vaderbeeld van de kinderen en eventuele vragen die zij hebben over hun biologische vader, of wensen in een eventueel contact. De Raad vindt het tevens van belang dat er duidelijkheid komt over de juridische status van de vaders van de kinderen. Indien mocht blijken dat zij (of één van hen) mede belast zijn met het gezag over de kinderen zal bekeken moeten worden op welke manier zij ook betrokken en ingelicht moeten worden.
4.10.
Concreet dient in het kader van de beide beschermingsmaatregelen te worden gewerkt aan de navolgende doelstellingen:
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] groeien op in een veilige en stabiele opvoedsituatie en zij
hebben opvoeders die voldoende (emotioneel) beschikbaar zijn;
- er komt zicht op moeders psychische gesteldheid en de kinderen worden hier zo
min mogelijk mee belast;
- de kinderen maken zich geen zorgen over volwassen zaken (zoals geld);
- de kinderen krijgen de ruimte om impactvolle gebeurtenissen te verwerken.

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder, ondanks enkele vervelende relaties die zij achter zich heeft liggen, steeds zelfstandig de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich heeft weten te nemen. Zij heeft al gedurende circa 4 jaar een relatie met de stiefvader. Kennelijk zijn er recent zorgen ontstaan over de situatie in haar gezin, die zij niet begrijpt. Daarom overheerst bij de moeder een gevoel van machteloosheid sinds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] plotseling van de ene op de andere dag uit huis zijn geplaatst. Ook zorgt deze situatie ervoor dat zij kampt met stress en zij heftige emotionele momenten kent. De enige mogelijkheid om die situatie ten goede te keren is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug bij haar en de stiefvader worden geplaatst. Immers weet de moeder als geen ander wat haar kinderen in het kader van hun verzorging en opvoeding nodig hebben. De moeder merkt in dat verband op “ik ben de moeder en ik ga mijn kinderen opvoeden zoals ik dat wil en niet zoals anderen dat willen”. Waar de Raad in de rapportage spreekt over zorgen naar aanleiding van huiselijk geweld in de zorg- en opvoedsituatie bij de moeder en stiefvader lijkt daarvan voornamelijk (nog) in verbale vorm sprake te zijn of althans geweest. Voor zover er hulpverlening nodig is kan die in de visie van de moeder thuis in ambulante vorm worden geboden, de moeder is in dat geval bereid daaraan volledig mee te werken. Wel dient die hulpverlening beter te worden georganiseerd, dan nu het geval is en aan te sluiten bij de culturele achtergrond van haar en haar gezin. Met deze toelichting kan de moeder achter een ondertoezichtstelling staan, echter maakt zij uitdrukkelijk bezwaar tegen de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing.
5.2.
De stiefvader heeft opgemerkt dat, evenals de moeder, hij zich niet geheel herkent in de zorgen, zoals in de rapportage van de Raad weergegeven en dat hij daarom ook grote moeite heeft met het verzoek tot ondertoezichtstelling en ook meer specifiek de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij acht in dat verband van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun leven lang al door de moeder zijn verzorgd en opgevoed. Hij heeft daar zelf ook een aandeel in sinds hij van het gezin deel uit maakt. Uit een gesprek met de behandelend psychiater van de moeder heeft hij kunnen opmaken dat in elk geval ten tijde van de crisisopname in de HIC er van een mogelijke suïcidedreiging sprake was. Hij ontkent niet dat er wel eens woordenwisselingen zijn geweest tussen hem en de moeder en dat die voor spanningen hebben gezorgd. Hij vermoedt dat ook de inhoud van een brief van één van de ex-partners van de moeder, die bij haar gevoelens van stress, angst en spanningen heeft veroorzaakt, aan deze situatie heeft bijgedragen. In het geval dat een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing mochten worden uitgesproken wenst hij over al deze aspecten met de jeugdbeschermer het gesprek aan te gaan.

6.Het standpunt van de GI

De vertegenwoordiger van de GI heeft aangevoerd dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin. Naar hij aanneemt houden de zorgen bij de moeder en de stiefvader over de kinderen in het pleeggezin deels ook verband met cultuurverschillen. Bij de moeder en bij de stiefvader is gebleken van een overwegend coöperatieve opstelling naar de jeugdbeschermer. Echter werd ook bij de moeder gezien dat dit anders wordt wanneer zij last heeft van haar emoties en onrealistische beelden bij haar de overhand krijgen. Ook is gebleken van veel wantrouwen bij de moeder naar het Nederlandse hulpverleningssysteem. Deze situatie heeft er eveneens toe geleid dat de samenwerking tussen de moeder en stiefvader en [hulpverlening 2] verstoord is geraakt en deze instantie haar taak heeft neergelegd. Van belang is dat de moeder leert haar emoties beter te reguleren. Alleen dan kan worden besproken en worden onderzocht c.q. vastgesteld wat er concreet nodig is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug naar huis te laten keren. Er wordt daarom naar een andere geschikte hulpverlenende instantie gezocht die bereid is daarin een hulpverlenende en ondersteunende rol te vervullen. Met deze toelichting kan de GI achter het verzoek van de Raad staan. Wel met dien verstande, dat het mogelijk nog enige tijd gaan duren voordat er een andere geschikte hulpverlener zal zijn gevonden. Daarom valt op dit moment niet aan te geven of daarvoor de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is gevraagd, te weten 6 maanden, voldoende zal zijn.

7.De (nadere) beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
7.1.
Aangezien [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder de Poolse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en, zo ja, welk recht daarop van toepassing is.
7.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.
7.3.
Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling resterende verzoeken
7.4.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een
minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die
minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag
uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.5.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.6.
De kinderrechter overweegt in het licht van het voorgaande in de eerste plaats dat een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zodanig ingrijpende beschermingsmaatregelen zijn, dat deze niet lichtvaardig worden genomen. In de beschikking van 8 augustus 2025 heeft de kinderrechter overwogen dat gebleken is van reële zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en van signalen, duidend op het vermoeden van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Beide kinderen hebben zorgelijke uitspraken gedaan over huiselijk geweld vanuit de partner van de moeder richting de moeder. [minderjarige 2] heeft zelfs aangegeven pijn te voelen in haar buik als haar moeder werd mishandeld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben duidelijk gemaakt alleen terug naar huis te willen als er niet meer wordt geslagen. Deze signalen dienen serieus genomen te worden, ongeacht of het huiselijk geweld daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De moeder erkent de geuite zorgen niet en zij lijkt zich onvoldoende in te kunnen leven in [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bij elkaar maakt dit dat er onvoldoende op kan worden vertrouwd dat de moeder in het vrijwillig kader zal meewerken aan hulpverlening en dat zij duidelijkheid zal verschaffen over voornoemde zorgen. In de gegeven omstandigheden kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet terug naar de moeder. Er dient weliswaar gewerkt te worden aan een terugplaatsing bij de moeder, maar dit kan alleen als er een plan is opgesteld om de veiligheid van de kinderen te garanderen en ervoor te zorgen dat zij tot rust kunnen komen en zij niet worden belast.
7.7.
De kinderrechter is van oordeel dat op dit moment een terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar huis niet verantwoord is. Geprobeerd is door de GI in de afgelopen periode om voldoende zicht te krijgen op de thuissituatie, onder meer door gerichte hulpverlening en begeleiding in te zetten door [hulpverlening 2] . Echter hebben emotieregulatie problemen bij de moeder en wantrouwen bij haar in de hulpverlening ertoe geleid dat [hulpverlening 2] haar taak heeft neergelegd. Deze noodzakelijke hulpverlening is dus gestopt.
Bij elkaar zorgt dit voor een situatie, waarin naar het oordeel van de kinderrechter aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en voor een machtiging tot uithuisplaatsing wordt voldaan. De kinderrechter onderschrijft in dat verband de door de Raad geformuleerde doelstellingen, waaraan gewerkt dient te (blijven) worden, waaronder meer specifiek het verkrijgen van voldoende zicht op de dynamiek tussen de moeder en haar partner, eventuele spanningen en hoe ervoor kan worden gezorgd dat de kinderen niet meer belast worden met eventuele ruzies, respectievelijk op de psychische gesteldheid van de moeder en op haar functioneren als ouder/opvoeder.
7.8.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van 6 maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.9.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van de kinderen is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen kan worden uitgevoerd.
7.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 april 2026;
8.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier en schriftelijk bevestigd op 13 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.