ECLI:NL:RBZWB:2025:8155

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/02/439651 / JE RK 25-1641
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2019. De minderjarige verblijft in een observatiegroep van Sterk Huis. De kinderrechter heeft eerder al maatregelen getroffen die nu worden geëvalueerd en verlengd.

De GI onderbouwt haar verzoek met het oog op de kwetsbare situatie van de moeder, die kampt met onbehandelde trauma's en onvoldoende weerbaarheid toont, en de onduidelijkheid over het perspectief van de vader, die een observatietraject moet doorlopen om zijn opvoedcapaciteiten te toetsen. De minderjarige reageert positief op de observatiegroep en is aangemeld voor speltherapie.

De moeder erkent de noodzaak van hulpverlening en trauma behandeling, wenst deze ambulant te volgen en staat achter het verlengingsverzoek, maar vraagt om beperking van de machtiging tot uithuisplaatsing tot zes maanden en uitbreiding van contactmomenten met de minderjarige. De vader staat eveneens achter het verlengingsverzoek, volgt een behandeltraject voor zijn verslaving en is bereid tot observatie, maar ziet praktische bezwaren.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 4 november 2026, de machtiging tot uithuisplaatsing tot 4 mei 2026 met aanhouding van het resterende verzoek. Het verzoek tot uitbreiding van contactmomenten wordt afgewezen vanwege de complexiteit en zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden, terwijl het verzoek tot uitbreiding van contactmomenten met de moeder wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439651 / JE RK 25-1641
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M. Hofland uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. C.A.E.C.J. Hooft uit Gilze.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
  • de op 1 oktober 2025 ingekomen brief van de advocaat van de moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een observatiegroep van Sterk Huis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 april 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 4 november 2025.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] brede machtiging te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend samengevat aangevoerd dat er meerdere overleggen zijn geweest met de moeder en de betrokken hulpverlening. Op basis daarvan heeft Sterk Huis een opname en eventueel beschermd wonen geadviseerd. De moeder heeft aangegeven hier niet voor open te staan. Zij is inmiddels samen gaan wonen met haar nieuwe partner in een andere provincie. [minderjarige] heeft contact met zijn moeder om de week gedurende drie uren in het weekend. De afspraak is gemaakt dat de moeder het contact met de kinderen uitsluitend heeft zonder haar nieuwe partner. De reden hiervoor zijn de zorgen die er liggen ten aanzien van het contact met deze nieuwe partner. De moeder en haar partner hebben zich niet consequent aan deze afspraak gehouden, daardoor heeft het contact vertraging opgelopen. De moeder is in dat verband onvoldoende weerbaar gebleken.
4.2.
Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] , op de observatiegroep wordt gezien dat [minderjarige] veel behoefte heeft aan duidelijkheid en een voorspelbare omgeving. De groep kan hem dit bieden, wat maakt dat er op de groep een heel ander kind wordt gezien. [minderjarige] is rustig en hij weet zijn emoties te reguleren. Ook wordt waargenomen dat hij erg spontaan is en dat hij graag met andere kinderen in contact is. [minderjarige] is aangemeld bij speltherapie waar hij op korte termijn kan starten.
4.3.
Uit het door [hulpverlening] (Sterk Huis) gegeven perspectief advies over [minderjarige] blijkt dat de moeder een zeer kwetsbare vrouw is, waarbij sprake is van onbehandelde trauma's. Deze staan momenteel op de voorgrond, waardoor er weinig tot geen ruimte is om aan de slag te gaan met de gegeven adviezen vanuit de begeleiding. Ook is de moeder op dit moment onvoldoende leerbaar en zal zij eerst met zichzelf aan de slag moeten gaan, alvorens er mogelijk weer ruimte ontstaat om de zorg en opvoeding van haar kinderen te kunnen dragen. De moeder dient eerst behandeling te ondergaan voor haar trauma`s voordat zij haar rol als opvoeder weer op kan pakken. De moeder laat echter momenteel een afwachtende houding zien; wegens haar voorliggende problematiek is zij zelf niet in staat om pro actief aan de slag te gaan en zaken zelfstandig op te pakken, dit ondanks de geboden ondersteuning, stimulering en uitgezette lijntjes naar de moeder door de hulpverlening. Ook lukt het de moeder niet om deze aan te grijpen en daarover het gesprek aan te gaan of een aanbod te accepteren. Dit maakt dat het proces van moeder nu grotendeels stil ligt en daardoor de situatie onveranderd blijft.
4.4.
Vader en [minderjarige] hebben contact om de week een weekend waarbij [minderjarige]
ook overnacht bij zijn vader. Recent heeft de vader uitgesproken dat hij de volledige zorg over [minderjarige] wil dragen. De GI ziet dat [minderjarige] geniet van de contactmomenten met zijn vader. Echter vraagt zij zich ook af of de vader de rol van voorspelbare veilige opvoeder op zich kan nemen, omdat wordt gezien dat de contacten niet altijd zonder zorgen verlopen. Om een beter beeld te krijgen van de zorg- en opvoedcapaciteiten van de vader is de mogelijkheid besproken om vader samen met [minderjarige] op te nemen bij de [hulpverlening] om daar een observatietraject aan te gaan, bij voorkeur in een omgeving die voor [minderjarige] bekend is en waar hij veiligheid ervaart. In totaal bedraagt het [hulpverlening] traject een periode van circa 4 maanden. Het traject omvat tevens een intern deel, dat een periode van circa 3 tot 4 weken bestrijkt. Er hebben daarvoor al intakegesprekken plaats gevonden. De GI realiseert zich, rekening houdend met de leef- en woonsituatie van de vader, dat het traject van hem op meerdere vlakken het nodige vraagt. [hulpverlening] heeft in dat verband de bereidheid uitgesproken om de vader hierin - waar mogelijk - te faciliteren. Gedurende het aankomende jaar moet er duidelijkheid zijn wat de capaciteiten van de vader zijn en dient, gelet op de leeftijd van [minderjarige] , er een duidelijk perspectief te worden bepaald. Gezien de hiervóór beschreven zorgen bij zowel de moeder als de vader acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] noodzakelijk. De GI verzoekt concreet een verlenging van beide beschermingsmaatregelen voor de duur van een jaar en daarnaast een brede machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. Dit omdat in het belang van [minderjarige] nu alles in het werk dient te worden gesteld om ervoor te zorgen dat hij in stabiliteit verder kan opgroeien en dat zijn schoolgang niet stagneert. Ook is het perspectief voor [minderjarige] op dit moment nog niet duidelijk en is de mogelijkheid aanwezig dat hij naar een pleeggezin zal gaan.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door er namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder van meet af aan meewerkt met de hulpverlening en met de GI. Eerder heeft zij zelf om hulp gevraagd wegens de kind eigen problematiek van [minderjarige] . Zij ziet in dat hulpverlening nog steeds noodzakelijk is. De moeder begrijpt ook dat zij voor zichzelf traumabehandeling nodig heeft. Die behandeling kan echter in ambulante vorm geschieden, er is in haar opvatting geen noodzaak om die door middel van een intern 24-uurs traject te laten plaats vinden. De moeder heeft inmiddels gedurende ruim een jaar, te weten sinds juni 2024, een stabiele relatie met haar huidige partner. Nadat zij tijdelijk bij de ouders van haar partner heeft gewoond hebben zij en haar partner inmiddels een woning gevonden en wonen zij feitelijk samen vanaf juli 2025. Ook heeft de moeder betaald werk en staat zij op de wachtlijst voor hulpverlening. De moeder ziet in dat een thuisplaatsing van [minderjarige] binnen de huidige ondertoezichtstelling niet mogelijk is. Ook begrijpt zij de wens van de GI om een observatietraject aan te gaan met de vader van [minderjarige] . Zij begrijpt niet dat er nog geen persoonlijkheidsonderzoek is gedaan bij [minderjarige] en hij al wel is aangemeld voor speltherapie.
5.2.
De huidige contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] onder begeleiding betreft op dit moment éénmaal in de veertien dagen gedurende drie uur. De moeder begrijpt niet dat haar contact met [minderjarige] zo beperkt is vergeleken met het huidige contact tussen [minderjarige] en zijn vader, dat plaats vindt in het andere weekeinde met overnachting van zaterdag op zondag.
De moeder merkt aan [minderjarige] dat hij steeds meer moeite krijgt met het afscheid en dat hij niet begrijpt waarom hij niet vaker bij haar kan zijn. Het is volgens de moeder absoluut in het belang van [minderjarige] dat hij in de weekenden enerzijds bij zijn vader en anderzijds bij zijn moeder en haar huidige partner kan zijn. Op de jeugdzorgwerker rust in dat verband de taak om alles in het werk te stellen om de band tussen haar en [minderjarige] te versterken en de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders en de minderjarige te bevorderen. Dat dit op dit moment niet het geval is komt volgens de jeugdbeschermer omdat er zorgen zijn over de huidige partner van de moeder. Echter wordt er niets aan gedaan om die zorgen goed in kaart te brengen en te onderzoeken. Daardoor is de moeder niet in staat om deze zorgen weg te nemen. De moeder en haar partner zijn in dat verband bereid om mee te werken aan gezinsobservatie. Ook is de partner van moeder bereid om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. De partner van de moeder heeft daarnaast aangegeven dat hij ervoor kan zorgen dat hij gedurende de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder niet aanwezig is.
5.3.
Onder verwijzing naar het voorgaande luidt het standpunt van de moeder dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing kan staan. Wel wordt namens de moeder verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken tot een periode van zes maanden en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan te houden. Daarmee wordt haar de kans geboden om te laten zien dat zij meewerkt aan trauma behandeling voor zichzelf en dat er tussen haar en [minderjarige] op veilige en verantwoorde wijze contact kan plaats vinden. Bovendien kan het verdere verloop en resultaat van de hulpverlening dan door de rechtbank tussentijds worden getoetst.
5.4.
Wat het contact tussen de moeder en [minderjarige] betreft geldt dat de GI weliswaar een vooraankondiging heeft gedaan, die ziet op een wijziging/aanpassing van de contact-regeling, maar zij daarover nog geen definitief besluit heeft genomen. Daarom wordt namens de moeder aan de rechtbank verzocht tevens een beslissing te nemen over de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] , aldus dat deze worden uitgebreid naar één weekend in de veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagavond bij haar thuis. Indien nodig kan daarbij worden bepaald dat er monitoring is via camera’s/video.

6.Het standpunt van de vader

Door en namens de vader is samengevat aangevoerd dat het contact tussen hem en [minderjarige] positief verloopt. De vader volgt in verband met zijn alcohol- en middelenverslavings-problematiek een behandeltraject bij Novadic-Kentron. Hij verwacht dit traject over 3 maanden succesvol af te ronden. De vader stelt zich ook volledig open voor de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Ook is hij bereid eraan mee te werken dat uit observatie een beter beeld wordt verkregen van zijn zorg- en opvoed-capaciteiten, zij het dat er voor hem aan een deelname van hem met [minderjarige] aan een intern observatietraject bij [hulpverlening] onaanvaardbaar grote praktische bezwaren kleven. Daarover zou hij met de jeugdbeschermer in gesprek willen gaan, bedoeld om daarvoor een geschikte oplossing te vinden. Met deze toelichting kan de vader achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing staan. Wel wordt namens de vader verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken tot een periode van zes maanden, onder aanhouding van de beslissing op het restantverzoek, bij wijze van tussentijds toetsmoment om ten aanzien van het verdere verloop en de resultaten van de hulpverlening de vinger aan de pols te kunnen houden.

7.De beoordeling

Inhoudelijke beoordeling
7.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag
uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand. [2]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.6.
In de afgelopen periode is door de GI met alle betrokkenen gewerkt aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling, te weten het opgroeien van [minderjarige] in een stabiele en leefbare opvoedsituatie, waarbinnen de (basale) zorg en veiligheid gewaarborgd is/blijft
en hij zich op gezonde wijze kan ontwikkelen, waarin hij opvoeders heeft die voor hem emotioneel beschikbaar zijn, hij een veilig, fijn en regelmatig contact heeft met zijn vader en zijn ouders over hem samen afspraken kunnen maken en besluiten kunnen nemen over de zorgregeling en over de opvoeding. Gezien wordt dat [minderjarige] positief reageert op de plaatsing op de observatiegroep. Wel is (aanvullende) hulpverlening voor hem nog nodig om aan de hiervóór beschreven doelstellingen te kunnen blijven werken. Daarnaast heeft de GI een pad uitgestippeld, bedoeld om de moeder in staat te stellen te gaan werken aan haar onbehandelde trauma's, welk traject de GI noodzakelijk acht om ervoor te zorgen dat er bij haar ruimte ontstaat om de zorg en opvoeding weer te kunnen dragen. Gebleken is dat, hoewel de moeder open staat voor behandeling, er bij haar geen draagvlak is voor een intern 24-uurs traject, zoals de GI voor ogen heeft. Met de vader is de mogelijkheid besproken van een opname traject samen met [minderjarige] bij [hulpverlening] in het kader van observatie tevens tot onderzoek van de vraag of [minderjarige] mogelijk bij de vader kan wonen. De vader heeft enerzijds laten blijken weliswaar open te staan voor dit traject, maar anderzijds aangegeven dat daaraan voor hem tevens grote praktische bezwaren kleven. Alle hiervóór beschreven omstandigheden en niet in de minste plaats de onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] maken bij elkaar dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing nog steeds wordt voldaan.
7.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] - het betreft hier een ‘brede’ machtiging - zal de kinderrechter verlengen voor de duur van zes maanden, waarbij de beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot een nog nader te bepalen zittingsdatum en -tijdstip. Dit omdat de GI meerdere hulp- en (observatie)onderzoekstrajecten voor ogen heeft, waarvan eerst het verdere verloop en resultaat afgewacht dient te worden. Dit maakt het wenselijk om de stand van zaken daaromtrent tussentijds te toetsen. De GI wordt verzocht tijdig voor afloop van die periode daarover schriftelijk aan de rechtbank - en in afschrift aan de advocaten van de ouders - verslag uit te brengen.
7.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. (artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.)
7.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.10.
De kinderrechter ziet ten slotte uit oogpunt van de belangen van [minderjarige] op dit moment geen mogelijkheden om een beslissing te geven, die ertoe strekt dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder worden gewijzigd/uitgebreid. De situatie in zijn geheel is daarvoor te complex gebleken, temeer nu gebleken is van serieuze zorgen over de zorg- en opvoedsituatie bij de moeder, wat maakt dat voorzichtigheid geboden is. Dit houdt ook in dat de GI voor de huidige en toekomstige rol/positie van de partner van de moeder oog dient te blijven houden en zij ook op dat vlak de voortgang blijft monitoren.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg met ingang van
4 november 2025 tot 4 mei 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4.
wijst af het verzoek van de advocaat van de moeder om te bepalen dat de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden gewijzigd/uitgebreid;
8.5.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor wat het resterende deel betreft aan tot
een nog nader te bepalen zittingsdatum- en tijdstip bij mr. Van Gessel in de [weken];
8.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.