In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een hockeytrainer, hierna te noemen verzoeker, en de hockeyclub, hierna te noemen gedaagde. Verzoeker verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en om betaling van achterstallig loon, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kern van het geschil was of er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en gedaagde. De kantonrechter oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst bestond, omdat de vereiste gezagsverhouding en loon ontbraken, zoals vastgelegd in artikel 7:610 BW. Verzoeker had weliswaar werkzaamheden verricht voor gedaagde, maar deze werden gekwalificeerd als vrijwilligerswerk. De kantonrechter concludeerde dat de eerdere arbeidsovereenkomst van verzoeker, die eindigde op 31 mei 2016, niet stilzwijgend was verlengd. De verzoeken van verzoeker om loon, ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vergoedingen werden afgewezen. De proceskosten werden aan verzoeker opgelegd, omdat hij ongelijk kreeg in deze procedure.