Uitspraak
1.[naam 1] ,
2.
[naam 2],
1.De procedure
- de akte van [partij 1]
- de akte van [partij 2] .
2.De verdere beoordeling
€ 187,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak gaat het om de verdeling van de interne draagplicht van kosten binnen een maatschap na opzegging door één van de maten. De eiseressen vorderen betaling van kosten door de gedaagde maat, die haar werkzaamheden heeft gestaakt en de maatschap heeft opgezegd.
De kantonrechter stelt vast dat de gedaagde tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de maatschapsovereenkomst door geen werkzaamheden meer te verrichten en niet bij te dragen aan de kosten. De kosten betreffen huur en vaste onkosten, waarvan een deel is betaald door een vervangster die werkzaamheden heeft overgenomen.
De rechter weegt mee dat de gedaagde niet hoeft bij te dragen aan kosten gedurende de periode dat de vervangster actief was, maar wel voor de overige maanden. De kosten worden verdeeld volgens het aandeel van 33,33% per maat, met een korting op vaste kosten wegens niet-gebruik. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 958,25 plus wettelijke rente en proceskosten. Tevens wordt de opzegging van de maatschap door de gedaagde op 23 december 2023 rechtsgeldig verklaard.
Uitkomst: De maat wordt veroordeeld tot betaling van €958,25 aan kosten en de opzegging van de maatschap wordt rechtsgeldig verklaard.