ECLI:NL:RBZWB:2025:7910

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/02/440548 / KG ZA 25-511 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van executoriale beslagen in kort geding wegens misbruik van bevoegdheid

In deze zaak heeft eiser, [eiser], een kort geding aangespannen tegen [gedaagde] B.V. met als doel de opheffing van diverse executoriale beslagen die door [gedaagde] zijn gelegd. Eiser stelt dat deze beslagen vexatoir zijn en dat er sprake is van misbruik van recht. De voorzieningenrechter heeft op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan. Eiser heeft betoogd dat de beslagen onterecht zijn gelegd, omdat [gedaagde] over voldoende zekerheid beschikt door het recht van hypotheek op de appartementsrechten die eiser en haar ex-partner, [naam 3], bezitten. Eiser heeft de rechtbank Gelderland eerder verzocht om voorlopige voorzieningen in het kader van de echtscheiding, waarbij partneralimentatie is vastgesteld. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de beslagen door [gedaagde] zijn gelegd met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend, en dat dit leidt tot misbruik van bevoegdheid. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van eiser toegewezen en de beslagen opgeheven, evenals de vordering tot schadevergoeding. De proceskosten zijn voor rekening van [gedaagde].

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/440548 / KG ZA 25-511
Vonnis in kort geding van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. van Alphen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon van haar bestuurder [naam 1] .

1.De zaak in het kort.

[gedaagde] heeft ten laste van [eiser] diverse executoriale beslagen gelegd. [eiser] is van mening dat die beslagen vexatoir zijn althans dat er sprake is van misbruik van recht door [gedaagde] en zij vordert daarom dat die beslagen worden opgeheven. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] deels toewijzen. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 oktober 2025,
- de producties 1 t/m 16 van [eiser] ,
- de producties 1 t/m 4 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 15 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waaraan de door [naam 1] voorgelezen spreekaantekeningen zijn gehecht,
- de pleitnota van [eiser] .

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] is een financiële holding, die zich onder andere bezighoudt met het verstrekken van geldleningen. Enig bestuurder van [gedaagde] is de heer [naam 1]. Enig aandeelhouder van [gedaagde] is de echtgenote van [naam 1] , mevrouw [naam 2].
3.2.
[eiser] is op 27 juli 2011 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [naam 3]. [naam 3] is de zoon van [naam 1] en [naam 2] .
3.3.
[naam 3] en [eiser] zijn ieder voor de helft eigenaar van twee appartements-rechten, gekoppeld aan een woning aan [adres] te [plaats 4] (hierna: de woning). Zij hebben de appartementsrechten in 2019 aangekocht voor € 546.138,00. Zij zijn voor financiering daarvan een geldlening aangegaan bij [gedaagde] .
3.4.
In de Overeenkomst van geldlening van 10 januari 2019 staat, onder andere, dat de lening is aangegaan voor het bedrag van € 412.792,00 met een rentepercentage van 2%. Daarnaast staat in de overeenkomst dat de lening in 271 maandelijkse termijnen van
€ 1.522,03 (te voldoen op de laatste dag van elke maand) aan [gedaagde] moet worden terugbetaald en dat ter zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de geldlening een hypotheekrecht wordt gevestigd op de beide appartementsrechten. In dat kader is op 10 januari 2019 een hypotheekakte opgemaakt.
3.5.
De relatie tussen [eiser] en [naam 3] is verbroken. [eiser] heeft de echtelijke woning op 13 maart 2024 verlaten. Zij heeft op 10 april 2024 bij de rechtbank Gelderland een verzoekschrift voor het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend. De rechtbank heeft bij beschikking van 17 juni 2024 bepaald dat [naam 3] aan [eiser] met ingang van 1 juni 2024 als voorlopige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag moet betalen van € 1.639,00 bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt de maandelijkse bijdrage vanwege de wettelijke indexatie € 1.745,54 per maand.
3.6.
De advocaat van [gedaagde] heeft de (toenmalig) advocaat van [eiser] op 13 februari 2025 geschreven dat [eiser] in gebreke blijft met haar aflossingsverplichting, dat er al een jaar niet meer betaald wordt, en dat dit betekent dat de lening thans volledig opeisbaar is. [eiser] is gesommeerd om de helft van het saldo van de uitstaande lening van € 350.550,00, zijnde € 175.225,00, binnen veertien dagen na ontvangst van de brief te betalen. Daarbij is aangegeven dat bij niet tijdige voldoening de vordering zal worden vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft niet aan de sommatie voldaan.
3.7.
[gedaagde] heeft op 27 februari 2025 de hypotheekakte op laten maken als grosse
en zij heeft deze op 13 maart 2025 aan [eiser] betekend met bevel om binnen twee dagen een bedrag van in totaal € 197.015,17 aan haar te betalen. Daarbij zijn mogelijke executoriale maatregelen aangezegd als [eiser] niet (tijdig) voldoet. [eiser] heeft niet betaald.
3.8.
[gedaagde] heeft ten laste van [eiser] op 2 april 2025 executoriaal beslag gelegd op:
a. een personenauto merk Renault Twingo met [kenteken 1] ,
b. een bromfiets merk Tomos met [kenteken 2] ,
en op 3 april executoriaal derdenbeslag onder:
c. de Rabobank,
d. Lynx B.V.
De beslagen onder c. en d. hebben geen doel getroffen.
3.9.
De advocaat van [eiser] heeft de advocaat van [gedaagde] verzocht de beslagen op te heffen. De advocaat van [gedaagde] heeft dat verzoek afgewezen.
3.10.
Bij beschikking van 11 augustus 2025 heeft de rechtbank Gelderland de echtscheiding tussen [eiser] en [naam 3] uitgesproken. De rechtbank heeft de partneralimentatie vastgesteld op € 1.618,00 per maand.
[naam 3] heeft in het kader van de echtscheiding te kennen gegeven de beide appartementsrechten te willen overnemen. Omdat [eiser] en [naam 3] met betrekking tot de verdeling van de appartementsrechten het oneens waren over de waarde daarvan heeft rechtbank Gelderland in de echtscheidingsbeschikking de actuele waarde in het economisch verkeer van de appartementsrechten in goede justitie bepaald op een bedrag van € 750.000,00. De rechtbank heeft de verdeling van de woning (twee appartementsrechten) en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij [gedaagde] als volgt vastgesteld:
- de woning wordt toebedeeld aan [naam 3] tegen een waarde van € 750.000,00 onder de verplichting van [naam 3] om de helft van het verschil tussen de waarde van de woning enerzijds en het restant van de hypothecaire geldlening aan [gedaagde] anderzijds (de overwaarde) aan [eiser] te betalen,
- aan deze toedeling wordt de voorwaarde verbonden dat deze toedeling komt te vervallen als [naam 3] niet binnen drie maanden na datum van de beschikking de financiering heeft geregeld, het aandeel van [eiser] aan [naam 3] is geleverd en [eiser] is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid,
- voor het geval niet binnen drie maanden na datum van de beschikking wordt voldaan aan voormelde voorwaarde heeft de rechtbank de wijze van verdeling gelast, inhoudende een stappenplan met betrekking tot de verkoop van de woning aan een derde waarna de overwaarde moet worden verdeeld, na aflossing van de lening van [gedaagde] .
De beschikking is behalve ten aanzien van de echtscheiding en de partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beschikking is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat de voorlopige voorzieningen tussen [eiser] en [naam 3] nog van kracht zijn.
3.11.
Omdat [naam 3] de partneralimentatie niet aan [eiser] betaalde heeft zij ter incasso daarvan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) ingeschakeld.
Op 30 september 2025 heeft [naam 3] om 08.33 uur aan [eiser] een bedrag van bijna 6 maanden aan (achterstallige) partneralimentatie voldaan, te weten een bedrag van
€ 10.459,80 bruto. Dit bedrag is door hem overgemaakt op de bankrekening van [eiser] bij de Rabobank. [gedaagde] heeft vervolgens dezelfde dag om 08.53 uur ten laste van [eiser] executoriaal beslag gelegd onder de Rabobank. De Rabobank heeft medegedeeld dat het beslag doel heeft getroffen voor een bedrag van € 10.563,26 en dat het beslagvrije bedrag € 2.771,00 bedraagt.
3.12.
De advocaat van [eiser] heeft per mail van 2 oktober 2025 aan de advocaat van [gedaagde] medegedeeld dat het beslag onrechtmatig is en zij heeft gevraagd het beslag op de bankrekening van [eiser] op te (laten) heffen, bij gebreke waarvan in kort geding opheffing van dit beslag en van het beslag op de auto en bromfiets zal worden gevraagd.
3.13.
De advocaat van [gedaagde] heeft in zijn reactie aangegeven dat het beslag niet wordt opgeheven.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert als voorlopige voorziening [gedaagde] te veroordelen:
in het kader van de opheffing van de executoriale beslagen:
I. primair: de executoriale beslagen, die [gedaagde] heeft doen leggen ten laste van [eiser] op te heffen;
II. subsidiair: [gedaagde] te veroordelen de executoriale beslagen, die zij ten laste van (naar de voorzieningenrechter begrijpt) [eiser] heeft doen leggen, binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
III. meer subsidiair: voor het geval Rabobank voordat in het onderhavige geding een vonnis is gewezen tot uitbetaling aan [gedaagde] danwel een derde is overgegaan, [gedaagde] te veroordelen tot betaling in het kader van schadevergoeding aan [eiser] van het volledige door Rabobank aan [gedaagde] danwel een derde betaalde bedrag, althans een bedrag ter hoogte van € 10.459,80;
IV. meest subsidiair: dat oordeel te geven dat de Voorzieningenrechter geraden acht;
in het kader van vordering verdere executiemaatregelen te staken en gestaakt te houden:
V. primair: [gedaagde] te veroordelen verdere executiemaatregelen jegens [eiser] op basis van de grosse van een notariële hypotheekakte d.d. 10 januari 2019, die samenhangt met de geldleningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] van diezelfde datum te staken en gestaakt te houden, dit voor onbepaalde tijd danwel voor bepaalde tijd voor de periode totdat de toebedeling van de woning van de woning van [naam 3] en [eiser] aan [naam 1] aan de orde is of de woning is verkocht aan een derde met aflossing van de aflossing van de hypothecaire geldlening van [gedaagde] , dit op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
VI. meer subsidiair: dat oordeel te geven dat de Voorzieningenrechter geraden acht;
VII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na-)kosten.
4.2.
[eiser] stelt dat de door [gedaagde] gelegde beslagen vexatoir zijn en dat [gedaagde] misbruik maakt van haar executiebevoegdheid, zodat deze moeten worden opgeheven. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
De beslagen zijn vexatoir of leveren misbruik van bevoegdheid op omdat [gedaagde] beschikt over een recht van hypotheek op de beide appartementsrechten en dit, gelet op de waarde van de beide appartementsrechten, voldoende zekerheid biedt. Het leggen van executoriale beslagen is onnodig.
[gedaagde] maakt misbruik van recht omdat door het derdenbeslag onder de Rabobank de door [naam 3] betaalde (achterstallige) partneralimentatie aan [eiser] grotendeels onder het beslag valt. Dat is in strijd is met de strekking van de wetgeving rondom de beslagvrije voet. [eiser] komt door het beslag in grote financiële problemen. Gelet op de nauwe band tussen [naam 3] en [gedaagde] en de korte tijd tussen de storting van het geld door [naam 3] en de beslaglegging door [gedaagde] , kan het niet anders zijn dan dat er sprake is van een “een-tweetje” tussen hen. De beslagen zijn naar de mening van [eiser] door [gedaagde] vooral en wellicht uitsluitend gelegd om de druk richting haar te verhogen om op korte termijn akkoord te gaan met voorstellen van [naam 3] met betrekking tot de verdeling van de appartementsrechten, welke voorstellen voor [eiser] niet gunstig waren.
Het executoriaal derdenbeslag is gelet op dit alles onrechtmatig.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat op grond van bovenstaande omstandigheden voor de toekomst moet gelden dat het [gedaagde] niet is toegestaan verdere executiemaatregelen jegens haar te nemen.
4.3.
[gedaagde] voert daartegen verweer en verzoekt de vorderingen af te wijzen.
Het verweer luidt, samengevat, als volgt. De beslagen zijn terecht gelegd want [eiser] heeft geruime tijd niet meer voldaan aan haar betalingsverplichting (rente en aflossing) met betrekking tot de lening. Van misbruik van recht of onrechtmatig handelen is daarom geen sprake. Ook is er geen grond voor een verbod tot het leggen van beslag in de toekomst.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

spoedeisend belang
5.1.
Vooropgesteld wordt dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de vorderingen.
executoriaal beslag op personenauto en bromfiets
5.2.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandelingen verklaard geen verweer te voeren tegen de vordering tot opheffing van het executoriale beslag op de personenauto en de bromfiets, zodat dit zal worden toegewezen.
executoriaal beslag onder de Rabobank
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid tot beslaglegging kon komen in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen haar belang bij uitoefening daarvan en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad. Het is daarbij aannemelijk dat het executoriaal derdenbeslag is gelegd met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Hierna wordt uitgelegd waarom.
5.4.
Vast staat allereerst dat door het derdenbeslag onder de Rabobank de door [naam 3] betaalde achterstallige partneralimentatie is getroffen. Op basis van de van toepassing zijnde beschikking voorlopige voorzieningen van 17 juni 2024 moest [naam 3] aan [eiser] per 1 januari 2025 als voorlopige partneralimentatie een bedrag van € 1.745,54 per maand betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Vast staat dat [naam 3] daar niet aan heeft voldaan en dat hij op 30 september 2025 een alimentatiebedrag voor 6 maanden ineens heeft betaald (tot en met oktober 2025). Daarmee heeft [naam 3] in strijd gehandeld met de beschikking voorlopige voorzieningen. Als [naam 3] in overeenstemming met de beschikking voorlopige voorzieningen wel maandelijks de partneralimentatie aan [eiser] had voldaan, had [gedaagde] daar geen beslag op kunnen leggen omdat de maandelijkse bijdrage lager is dan het beslagvrije bedrag van € 2.771,00. [gedaagde] heeft nu geprofiteerd van het in gebreke blijven van [naam 3] Het voordeel dat [gedaagde] nu heeft gehad bij het nalaten van [naam 3] is ook niet toevallig. [naam 1] . heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [naam 3] hem heeft verteld wanneer hij de (achterstallige) partneralimentatie zou gaan betalen en dat [naam 1] . toen heeft besloten om direct na die betaling namens [gedaagde] executoriaal derdenbeslag te leggen op de bankrekening van [eiser] . Hiermee heeft [gedaagde] bewust, in samenspel met [naam 3] , gebruik gemaakt van de door hem ontstane achterstand en de mogelijkheden van ruimere beslaglegging die dit biedt.
5.5.
[eiser] is door deze wijze van beslaglegging zeer hard getroffen. Een groot bedrag aan partneralimentatie, bedoeld om in haar levensonderhoud te voorzien, valt nu immers onder het beslag. Dit terwijl de door [naam 3] betaalde partneralimentatie van € 10.459,80 slechts een fractie betreft van de hoofdsom van € 175.225,00, terwijl [gedaagde] andere mogelijkheden heeft om volledige voldoening van haar vordering te verkrijgen. [gedaagde] heeft namelijk de mogelijkheid om de appartementsrechten te verkopen. De rechtbank Gelderland heeft in haar beschikking van 11 augustus 2025 geoordeeld dat de woning aan [naam 3] wordt toegedeeld voor een waarde van € 750.000,00. De voorzieningenrechter stelt vast dat de woning/appartementsrechten gelet op de restant hypotheekschuld van € 350.550,00 dus ruimschoots voldoende verhaal biedt voor de vordering van [gedaagde] . Zelfs indien uitgegaan zou moeten worden van een waarde van
€ 400.000,00, zoals [gedaagde] betoogt, heeft te gelden dat de appartementsrechten voldoende verhaal bieden. Het belang van [gedaagde] bij het beslag op de bankrekening van [eiser] is dan ook beperkt: zij kan immers haar volledige vordering ineens voldaan krijgen op andere wijze.
[naam 1] . heeft tijdens de mondelinge behandeling nog verklaard dat [gedaagde] niet voornemens is de appartementsrechten te verkopen. Hij wil zijn zoon beschermen en voorkomen dat die de woning zal moeten verlaten. Dit is echter geen belang van [gedaagde] , maar van [naam 3] , zodat dit niet wordt meegewogen.
5.6.
Bij dit alles komt nog dat [naam 1] . heeft verklaard dat [gedaagde] de gelegde beslagen zal opheffen als er een regeling tot stand komt tussen [eiser] en [naam 3] met betrekking tot de verdeling van de appartementsrechten. [eiser] zou, volgens de door [naam 3] en overigens ook door [gedaagde] voorgestelde regeling, akkoord moeten gaan met verkoop van haar aandeel tegen een significant lagere waarde dan door de rechtbank Gelderland bepaald. Het heeft er dan ook alle schijn van dat [gedaagde] het beslag gebruikt als drukmiddel om [eiser] te bewegen akkoord te gaan met een voor haar zeer nadelig aanbod, om [naam 3] zo te helpen in de woning te kunnen blijven. [naam 1] . heeft ter zitting weliswaar verklaard dat het hem hier niet om te doen is, maar dat [gedaagde] bij een regeling tussen [eiser] en [naam 3] zekerheid van betaling heeft, omdat er dan geen hoger beroep procedure tussen [eiser] en [naam 3] meer zal volgen. Dit standpunt is echter niet te volgen. Er is op korte termijn al zicht op een oplossing voor de achterstallige betalingen met betrekking tot de hypothecaire geldlening. Door de rechtbank Gelderland is immers de wijze van verdeling van de woning vastgesteld, waarbij ofwel de woning aan [naam 3] wordt toebedeeld voor € 750.000,00 (mits [naam 3] in staat is de geldlening en de helft van overwaarde te financieren) ofwel de woning per 11 november 2025 – dus al over enkele weken – te koop wordt gezet, waarna bij onderhandse verkoop aan een derde de hypothecaire geldlening aan [gedaagde] kan worden afgelost. Een eventuele hoger beroep procedure tussen [eiser] en [naam 3] heeft daarop geen invloed omdat de beschikking van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2025 ten aanzien van de vaststelling van de verdeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Daarbij komt nog eens dat [gedaagde] zelf het recht van parate executie heeft en tot verkoop over kan gaan, zodat zij deze zekerheid al heeft. Een regeling tussen [eiser] en [naam 3] heeft hiervoor geen gevolgen.
5.7.
De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat sprake is van misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:13 BW, zodat de executoriale beslagen zullen worden opgeheven en het niet meer nodig is om de overige standpunten van partijen te bespreken. Vordering I primair wordt toegewezen.
schadevergoeding
5.8.
[eiser] stelt dat als opheffing van het executoriaal beslag niet meer mogelijk is omdat de Rabobank al tot uitbetaling van het doel getroffen bedrag is overgegaan [gedaagde] haar een schadevergoeding moet betalen omdat de uitbetaling heeft plaatsgevonden op basis van een onrechtmatig beslag en onrechtmatige executie dan wel op basis van ongerechtvaardigde verrijking.
5.9.
Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat er sprake is van een onrechtmatig beslag. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering, anders dan hiervoor met betrekking tot de opheffing van de executoriale beslagen weergegeven. De vordering wordt dan ook toegewezen.
staken verdere executiemaatregelen
5.10.
Hoewel het [gedaagde] niet is toegestaan om op deze wijze beslag te leggen op de door [naam 3] betaalde (opgespaarde) partneralimentatie, gaat het te ver om [gedaagde] te verbieden verdere executiemaatregelen jegens [eiser] te nemen op basis van de grosse van een notariële hypotheekakte van 10 januari 2019. Er is immers gebleken van een achterstand in de betaling van de rente en aflossing met betrekking tot de geldleningovereenkomst. Bovendien blijkt uit de beschikking van de rechtbank Gelderland dat [eiser] over een aandelenportefeuille - en dus over vermogensbestanddelen - beschikt. Bij voorbaat valt niet te zeggen dat beslag daarop, of op andere mogelijke vermogensbestanddelen of op ander te vergaren inkomen, onrechtmatig zou zijn en dus moet worden verboden.
Vordering V wordt afgewezen. Vordering VI is te onbepaald en wordt daarom ook afgewezen.
proceskosten
5.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 1.374,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
Totaal € 2.807,04
5.12.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
heft op de executoriale beslagen die [gedaagde] op 2 en 3 april 2025 ten laste van [eiser] heeft doen leggen op de personenauto merk Renault Twingo met [kenteken 1] en op de bromfiets merk Tomos met [kenteken 2] ;
6.2.
heft op het executoriale beslag dat [gedaagde] op 30 september 2025 ten laste van [eiser] heeft gelegd onder Rabobank;
6.3
veroordeelt [gedaagde] , voor het geval de Rabobank voordat dit vonnis is gewezen tot uitbetaling aan [gedaagde] dan wel een derde is overgegaan, in het kader van schadevergoeding tot betaling aan [eiser] van het volledige door de Rabobank aan [gedaagde] dan wel die derde betaalde bedrag;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 2.807,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW, als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025