ECLI:NL:RBZWB:2025:7877

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/02/435543 / FA RK 25-2562
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 382 RvArt. 383 RvArt. 384 RvArt. 390 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herroeping vaderschap en alimentatiewijziging met gelasten DNA-onderzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man om de beschikking van 22 december 2020, waarin zijn vaderschap over de minderjarige was vastgesteld en alimentatie was opgelegd, te herroepen. De man betwistte zijn vaderschap en stelde dat de DNA-test waarop de beschikking was gebaseerd frauduleus was. Hij verzocht tevens om wijziging van de alimentatieverplichting en benoeming van een bijzondere curator.

De vrouw voerde verweer en stelde dat er geen bewijs was voor bedrog en dat het verzoek een verkapt hoger beroep betrof. De bijzondere curator steunde het verweer van de vrouw en vond dat het verzoek niet tot herroeping kon leiden, maar stelde wel voor om eventueel een nieuw DNA-onderzoek te gelasten in het belang van de minderjarige.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot herroeping te laat was ingediend en dat de man onvoldoende bewijs had geleverd voor bedrog. Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap en wijziging van alimentatie werd daarom afgewezen. De rechtbank gaf de bijzondere curator de gelegenheid om zich uit te laten over een eventueel verzoek tot DNA-onderzoek en hield verdere beslissing aan tot nadere berichtgeving.

Uitkomst: Verzoek tot herroeping vaderschap en wijziging alimentatie afgewezen wegens termijnoverschrijding en onvoldoende bewijs; bijzondere curator krijgt gelegenheid tot advies over DNA-onderzoek.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/435543 / FA RK 25-2562
datum uitspraak: 22 oktober 2025
tussenbeschikking over herroeping, wijziging alimentatie en gelasten DNA-onderzoek
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] , Verenigde Staten,
advocaat: mr. M.T. Wernsen in Voorburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren in Breda,
over de minderjarige:
-
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
mr. [de bijzondere curator], advocaat in [plaats 3] , in haar functie als bijzondere curator over [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 14 mei 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- het op 8 september 2025 ontvangen verweerschrift, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 6 oktober 2025. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw, de advocaat van de man en voor de man een tolk in de Engelse taal. De man heeft via een telefoonverbinding aan de mondelinge behandeling deelgenomen en de advocaat van de vrouw via een Teamsverbinding. Ook was aanwezig de bijzondere curator.

2.De feiten

2.1
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2020 is het vaderschap van de man over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, vastgesteld en is bepaald dat de man met ingang van 5 december 2019 ten behoeve van [minderjarige] een bedrag van € 500,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de beschikking van 22 december 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda, te herroepen en opnieuw een beslissing te nemen in deze zaak;
- het vaderschap van de man ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] te
ontkennen;
- de alimentatieverplichting te wijzigen met ingang van 5 december 2019 en te
bepalen dat de man per die datum niet (langer) gehouden was/is om aan de
vrouw een bijdrage te betalen in de kosten van opvoeding en verzorging van
[minderjarige] , danwel een bedrag vast te stellen zoals uw rechtbank juist acht.
- een bijzonder curator te benoemen voor de minderjarige [minderjarige] en deze
bijzonder curator te verzoeken om te bezien of er namens minderjarige [minderjarige]
kan worden verzocht om de vernietiging van de gerechtelijke vaststelling van het
vaderschap zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank d.d. 22 december
2020;
-de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

De standpunten
4.1
Door en namens de man wordt in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling het navolgende aangevoerd. De man betwist dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . Hij heeft nimmer een relatie gehad met de vrouw, noch de wetenschap gehad van een mogelijke zwangerschap. Hij heeft wel een paar keer seks met haar gehad toen zij in Amerika was. Hij voelt echter niet dat hij vader is geworden. Uit de beschikking van 22 december 2020 maakt de man op dat er destijds door de
vrouw een DNA-test aangeleverd is, waaruit zou blijken dat hij de vader is. Bij de door de vrouw aangeleverde DNA-test zou ook een kopie aangeleverd zijn van het rijbewijs
van de man, waaruit voldoende zou blijken dat het inderdaad de man is geweest die de
DNA-test heeft afgenomen. De man ontkent echter met klem dat hij meegewerkt heeft
aan een DNA-test. De man heeft ook nooit een verzoek ontvangen om mee te werken
aan een DNA-test. Ook betwist de man dat er destijds een kopie van zijn originele
rijbewijs is overlegd, nu op het vermeende exemplaar zijn adres ontbreekt. Hij legt op de zitting uit dat het adres dat op iemands rijbewijs staat wordt aangepast als deze verhuist. Hij heeft ten tijde van het DNA-onderzoek wel in de staat gewoond die de labonderzoeker heeft genoemd. Zijn vaderschap over [minderjarige] is onterecht gerechtelijk vastgesteld. Er is geen sprake van een biologische band tussen hem en [minderjarige] . De man wenst, mede gelet op de belangen van [minderjarige] , duidelijkheid te verkrijgen over het biologische vaderschap. De man heeft derhalve een zwaarwegend belang bij de herroeping van de beschikking van 22 december 2020, nu het vaderschap hem ten onrechte is toegeschreven en er nooit sprake is geweest van erkenning, instemming of een gezinsleven met [minderjarige] . De man verzoekt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 22 december 2020 te herroepen. De beschikking is tot stand gekomen op basis van feiten en omstandigheden die het gevolg zijn van opzettelijk bedrog door de vrouw, nu er door de vrouw gefraudeerd is met de DNA-test op basis waarvan het vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige] door de rechtbank is vastgesteld. De man heeft zijn verzoek tijdig ingediend. Onlangs heeft de man het bericht ontvangen dat de politie in Amerika zijn rijbewijs ongeldig wilde verklaren omdat de man zich niet aan de beschikking van de rechtbank van 22 december 2020 zou houden, door geen alimentatie te betalen aan de vrouw. Pas daarna heeft de man kennisgenomen van het bestaan van de betreffende beschikking en de inhoud ervan. Voor de man is het van groot belang dat de beschikking wordt herroepen en dat hij niet langer de juridische vader van [minderjarige] is. Hij is bereid tot het ondergaan van een nieuw DNA-onderzoek en wil de kosten van dat onderzoek voor zijn rekening nemen. De advocaat is in afwachting van papieren van de man over DNA en een getuigenis en kan die daarom nog niet overleggen.
4.2
Door en namens de vrouw wordt verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. De man niet in zijn verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard. De man stelt in zijn herzieningsverzoek dat sprake zou zijn van bedrog, maar levert hiervoor geen enkel bewijs, en evenmin enig begin van bewijs. Integendeel, uit de stukken blijkt juist dat er destijds een bericht van zijn moeder is overgelegd waaruit blijkt dat hij een DNA-onderzoek heeft laten uitvoeren. De moeder van de man is inmiddels overleden. Maar de moeder van de vrouw was ook betrokken en zou nog kunnen vertellen dat er overleg met de moeder van de man is geweest. Ook is de identiteit van de man toentertijd expliciet op verzoek van de bijzonder curator vastgesteld. Daarmee is uitgesloten dat hij op basis van bedrog is geconfronteerd geweest met het vaderschap, aldus de vrouw. De enkele bewering dat hij financieel nadeel dreigt te ondervinden, vormt geen grond voor herziening. Het verzoek van de man is in feite een verkapt hoger beroep en deze herzieningsprocedure mag niet worden misbruikt om via een omweg alsnog inhoudelijk beroep in te stellen. De eerste zitting in Florida was in maart 2025. Dat de man pas op dat moment tot actie is overgegaan onderstreept dat zijn beweegreden financieel gemotiveerd is en dat zijn handelen niet ingegeven is door een werkelijke overtuiging dat het vaderschap onterecht is vastgesteld, aldus de vrouw. Dit kan en mag simpelweg géén reden zijn van een herziening. De man maakt misbruik van procesrecht door een herzieningsprocedure te starten met het oogmerk om zijn alimentatieverplichtingen te ontlopen. De man stelt dat sprake zou zijn geweest van bedrog, maar onderbouwt dat op geen enkele wijze. Er is geen objectief bewijs, zoals een recent DNA-onderzoek of ander overtuigend materiaal, waaruit blijkt dat hij niet de biologische vader zou zijn. Zijn enkele stellingname is volstrekt onvoldoende voor herziening van een gerechtelijke beslissing van deze aard en ernst. De vrouw is verdrietig dat de man zich op het standpunt stelt dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is. De vrouw is hier namelijk 100% zeker van en een nieuw DNA-onderzoek zal niets anders uitwijzen. De vrouw is verdrietig dat de man zijn verantwoordelijkheden ontloopt. Als een nieuw DNA-onderzoek toch voor [minderjarige] belangrijk zou kunnen zijn, zou dit met alle waarborgen moeten worden verricht want ze vertrouwt de man niet.
4.3
De bijzondere curator verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat zij zich achter het verweer van de moeder schaart. Tijdens de vorige procedure is voldoende vastgesteld dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. De beslissing in die procedure is op goede gronden genomen. Er zijn onvoldoende argumenten aangevoerd om te komen tot bedrog. De bijzondere curator heeft bewust niet met [minderjarige] gesproken over het verzoek van de man omdat ze vindt dat ze haar hier niet mee moet belasten. Hetgeen hier wordt besproken kan een impact op haar hebben. Het is pijnlijk voor haar dat, welke uitkomst er ook uit de procedure komt, haar afkomst wordt betwist. De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat er niet kan worden toegekomen aan herroeping van de beschikking. De bijzondere curator vraagt zich wel af hoe het verder moet voor [minderjarige] . Subsidiair geeft de bijzondere curator mee om voor eens en altijd vast te stellen door middel van eventueel een nieuw DNA-onderzoek of de man de biologische vader van [minderjarige] is. Dat zou op termijn toch het meest in het belang kunnen zijn van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Herroeping
Wettelijk kader
4.4
Op grond van artikel 390 Rv Pro kan een beschikking op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382 Rv Pro, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet. Op grond van artikel 382 Rv Pro kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien:
- het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
- het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of,
- de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Op grond van artikel 383 Rv Pro moet het rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
4.5
Op grond van artikel 384 Rv Pro is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
4.6
De rechtbank stelt vast dat de man op grond van artikel 390 Rv Pro bevoegd is om onderhavig verzoek in te dienen. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek tot herroeping te laat heeft ingediend. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ruim voor maart 2025 kennis heeft kregen van de beschikking van deze rechtbank van 22 december 2020. Op 14 mei 2025 heeft de man onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Dit is ruim buiten de daarvoor gestelde termijn zoals genoemd in artikel 383 Rv Pro. De rechtbank zal het verzoek van de man tot herroeping dan ook afwijzen. Hij heeft overigens ook niet onderbouwd waarom er sprake is van bedrog.
Ontkenning vaderschap
4.7
Nu de rechtbank het verzoek van de man tot herroeping zal afwijzen is er geen grond om het verzoek van de man tot ontkenning van zijn vaderschap over minderjarige [minderjarige] te ontkennen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Alimentatie
4.8
Ten aanzien van het verzoek van de man om zijn alimentatieverplichting te wijzigen overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek onvoldoende en niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank beschikt over geen enkele informatie op basis waarvan de rechtbank het verzoek van de man inhoudelijk kan beoordelen. De rechtbank zal dit verzoek van de man dan ook afwijzen.
DNA-onderzoek
4.9
De rechtbank overweegt als volgt. De bijzondere curator lijkt tijdens de mondelinge behandeling impliciet het verzoek te hebben gedaan tot het gelasten van een DNA-onderzoek teneinde definitief vast te kunnen stellen of de man de biologische vader van [minderjarige] is. Het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid over haar afstamming weegt volgens de bijzondere curator zwaar. Anders wordt zij in de toekomst waarschijnlijk geconfronteerd met de man die zal ontkennen dat hij haar vader is, als zij op zoek gaat naar haar vader. De bijzondere curator heeft geen expliciet verzoek tot het gelasten van een DNA-onderzoek ingediend. De rechtbank stelt de bijzondere curator in de gelegenheid zich uit te laten over het al dan niet indienen van een verzoek tot het gelasten van een DNA-onderzoek, dan wel de rechtbank te berichten een dergelijk verzoek niet in te dienen. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van
dinsdag 18 november 2025 pro formain afwachting van bericht van de bijzondere curator hieromtrent.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijst de verzoeken van de man af;
5.2
stelt de bijzondere curator in de gelegenheid zich uit te laten omtrent het hiervoor in r.o. 4.9 overwogene en houdt iedere verdere beslissing daaromtrent aan tot
18 november 2025 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.