ECLI:NL:RBZWB:2025:7845

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/427558 / FA RK 24-4742
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:395 BWArt. 1:401 BWArt. 1:408 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie na advies Raad voor de Kinderbescherming

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan in een civiele zaak betreffende het hoofdverblijf, de zorgregeling en kinderalimentatie van twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht om wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling, alsmede aanpassing van de kinderalimentatie. De Raad voor de Kinderbescherming bracht advies uit over de zorgregeling en contactopbouw tussen de vader en de kinderen.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de kinderen is dat het hoofdverblijf bij de moeder wordt vastgesteld, conform de feitelijke situatie. De zorgregeling wordt gewijzigd zodat de kinderen onder begeleiding van hulpverlening contact hebben met hun vader tijdens de oneven weken van vrijdagmiddag tot zondagavond en iedere donderdag na school tot voor de korfbal. Er wordt toegewerkt naar uitbreiding van contact met overnachtingen in het tempo van de kinderen.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De draagkracht van de ouders werd berekend, waarbij ook rekening werd gehouden met de nieuwe partner van de moeder. De vader wordt veroordeeld tot betaling van €124 per maand per kind, ingaande 25 juli 2025. Het verzoek tot voorlopige toevertrouwing van een van de kinderen aan de moeder werd afgewezen omdat het hoofdverblijf reeds bij haar is vastgesteld. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Hoofdverblijf van de kinderen wordt bij de moeder vastgesteld, zorgregeling aangepast met contact onder begeleiding, en kinderalimentatie vastgesteld op €124 per maand per kind.

Uitspraak

beschikking .
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummers: C/02/427558 / FA RK 24-4742
(bodemprocedure)
C/02/427561 FARK 24-4744
(provisionele voorziening)
datum uitspraak: 17 oktober 2025
nadere beschikking over een zorgregeling, (voorlopige) toevertrouwing van een minderjarige en kinderalimentatie
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. W. Tiggelaar in Middelburg,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden in Terneuzen,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012, hierna: [minderjarige 1],
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2].
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het (verdere) procesverloop

Inzake C/02/427558 / FA RK 24-4742 (bodemprocedure)
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 2 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het rapport van de Raad van 25 juni 2025;
- het op 14 juli 2025 ingediende verweerschrift met betrekking tot het zelfstandig tegenverzoek wijziging kinderalimentatie;
- het op 25 juli 2025 ingediende nader verweerschrift tevens wijziging zelfstandige verzoeken;
- de door mr. Tiggelaar tijdens de zitting overgelegde pleitnotities.
Inzake C/02/427561 FARK 24-4744 (provisionele voorziening)
- de beschikking van deze rechtbank van 2 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;
Inzake C/02/427558 / FA RK 24-4742 en C/02/427561 FARK 24-4744
1.2
De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 7 augustus 2025. Bij die behandeling zijn verschenen partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.

2.De verdere beoordeling

Inzake C/02/427558 / FA RK 24-4742 (bodemprocedure)
2.1
Bij beschikking van 2 december 2024 is de Raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag welke zorgregeling en welk hoofdverblijf in het belang van de minderjarigen is en is iedere verdere beslissing op de verzoeken aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling in mei 2025.
2.2
In het op 25 juli 2025 ontvangen nader verweerschrift heeft mr. Van den Branden namens de vrouw het zelfstandige verzoek van de vrouw tot benoeming van een bijzondere curator ingetrokken. Gelet op deze intrekking hoeft dit verzoek niet meer te worden beoordeeld. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
2.3
Eveneens bij voornoemd verweerschrift heeft mr. Van den Branden het zelfstandig verzoek van de vrouw omtrent de kinderalimentatie gewijzigd. Op dit punt in de procedure moet de rechtbank nog een beslissing nemen op de, gewijzigde, zelfstandige verzoeken van de vrouw om:
- te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015 bij de vrouw is, onder wijziging van het daaromtrent bepaalde in artikel 2 van Pro het door partijen op 8 mei 2017 ondertekende ouderschapsplan;
- de in artikel 3 van Pro het door partijen op 8 mei 2017 ondertekende ouderschapsplan opgenomen zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat de kinderen na een zorgvuldige periode van opbouw bij de man verblijven gedurende de oneven weekenden vanaf vrijdagmiddag dan wel zaterdag tot zondagavond, althans een zodanige regeling in het belang van de kinderen vast te stellen;
- de man te veroordelen om als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de
minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw te voldoen:
- over de periode vanaf 12 november 2024 tot 1 juni 2025 een bedrag van € 360,- per kind per maand
- en over de periode vanaf 1 juni 2025 een bedrag van € 335,- per kind per maand
voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen althans de man te veroordelen tot een in redelijkheid door uw rechtbank te betalen bedrag en met ingang van een in redelijkheid vast te stellen datum;
- de man te veroordelen om met ingang van de datum van indiening van dit verzoek maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen een bedrag aan kinderalimentatie van € 393,82 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen, althans een in redelijkheid door de rechtbank te betalen en met ingang van een in redelijkheid te bepalen datum,
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
2.4
Bij verweerschrift van 14 juli 2025 verzoekt de man:
- de vrouw te veroordelen om de zorgregeling, zoals neergelegd in het door partijen op
8 september 2017 ondertekende ouderschapsplan en bekrachtigd bij beschikking van
de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 11 oktober 2017 na te
komen, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat de omgang niet wordt
nagekomen;
- de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken met betrekking tot wijziging
van het hoofdverblijf, de wijziging van de zorgregeling en de kinderalimentatie althans
deze verzoeken van de vrouw af te wijzen;
- althans een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank in het belang van het
kind/de kinderen wenselijk voorkomt.
Inzake C/02/427561 FARK 24-4744 (provisionele voorziening)
2.5
Bij beschikking van 2 december 2024 is een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vastgesteld zoals is opgenomen in r.o. 4.5 van die beschikking en is de beslissing op het verzoek van de vrouw tot voorlopige toevertrouwing van [minderjarige 2] aan haar aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling in mei 2025.
2.6
Op dit punt in de procedure moet de rechtbank nog een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw tot voorlopige toevertrouwing van [minderjarige 2] aan haar.
De standpunten
Inzake C/02/427558 / FA RK 24-4742 (bodemprocedure)
2.7
Bij beschikking van 2 december 2024 is aan de Raad de opdracht gegeven om onderzoek te verrichten en advies uit te brengen naar aanleiding van de in r.o. 4.10 van die beschikking geformuleerde vragen. In diens rapport van 25 juni 2025 adviseert de Raad om onder begeleiding van hulpverlening te werken aan contactopbouw tussen de man en de minderjarigen. De Raad denkt hierbij aan de inzet van casusregie vanuit, bijvoorbeeld, [hulpverlening]. Ook moet er gedacht worden aan inzet van hulpverlening voor de ouders. Aan de kant van de man dient de hulpverlening oog te hebben voor de weerstand bij de kinderen tegen contact met hun vader en aan de kant van de vrouw hoe zij de kinderen kan stimuleren tot het contact met hun vader. Ten aanzien van de omgang tussen de man en de minderjarigen merkt de rechtbank op dat frequent onbelast contact tussen de kinderen en de man, met overnachtingen, het hoofddoel moet zijn. De Raad doet een voorstel voor opbouw van de contactmomenten tussen de kinderen en de man in de vorm van een opbouwschema. De Raad heeft er vertrouwen in dat de voorgestelde regeling zal slagen zodra er voorlopig sprake zal zijn van contactherstel zonder een overnachting en de regeling plaats zal vinden in het tempo van en aansluit op de wens en de verwachtingen van de kinderen. De Raad adviseert de huidige regeling voorlopig voort te zetten. Het toewerken naar frequent onbelast contact is alleen haalbaar als er professionele ondersteuning en hulpverlening wordt ingezet die samen met de ouders en de kinderen ervoor gaat zorgen dat de contactopbouw tussen de kinderen en de man er ook daadwerkelijk komt. De Raad adviseert het traject te beginnen met het houden van gespecialiseerde kindgesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door bijvoorbeeld [hulpverlening], gedurende een periode van bijvoorbeeld twee maanden. In deze gesprekken kunnen de kinderen aangeven wat hen dwars zit en wat hen weerhoudt om bij hun vader te overnachten. De kinderen krijgen op deze manier de mogelijkheid om verwachtingen en belemmeringen uit te spreken. Gedurende deze twee maanden, de zogenaamde oriëntatiefase, kunnen ouders samen met de casusregisseur een plan op gaan stellen met als doel uitbreiding
van het contact met overnachtingen. Startend met bijvoorbeeld een overnachting van zaterdag op zondag gedurende het weekend dat de kinderen nu al naar vader gaan, en mogelijk, als dit goed verloopt met een tweede overnachting in het weekend bij vader. De Raad adviseert hier 6 maanden de tijd voor te nemen. Ouders zullen gedurende deze periode door middel van begeleide oudergesprekken tevens hun verwachtingen, wensen en belemmeringen naar elkaar uit kunnen gaan spreken. Samen kunnen ouders gaan onderzoeken op welke wijze zij zelf en met elkaar een bijdrage kunnen gaan leveren aan het verbeteren en eventueel uitbreiden van het contact. Het is vervolgens aan ouders en de casusregisseur om te onderzoeken of ouders een intensievere vorm van oudergesprekken nodig hebben bijvoorbeeld gespecialiseerdere Ouderschapsbemiddeling. De in te zetten casusregisseur zal het traject monitoren en begeleiden. Uiteindelijk kan na 8 maanden, op basis van de resultaten van het geadviseerde traject en in overleg met beide ouders/casusregisseur een definitief voorstel worden gedaan. Het advies aan ouders en casusregie is om tevens afspraken te maken over de invulling van vakanties en bijzondere feestdagen. De Raad adviseert de rechtbank om voornoemde regeling in een tussenbeschikking vast te leggen en de beslissing over de definitieve zorgregeling aan te houden voor de duur van 8 maanden. De Raad adviseert het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar te bepalen, toe te wijzen. Dit brengt de juridische situatie in overeenstemming met de feitelijke situatie.
2.8
In het op 14 juli 2025 ingediende verweerschrift voert de man verweer tegen het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie. De vrouw stelt dat de eerder door partijen overeengekomen kinderrekening niet langer passend is maar de vordering van de vrouw voor wijziging van deze afspraak ontbreekt. De man stelt zich op het standpunt dat de door partijen overeengekomen kinderrekening goed werkt. De man vreest dat door de afschaffing van de kinderrekening zijn ouderschap wordt uitgehold. Hij ziet de kinderen nu al minder dan voorheen.
2.9
In het op 25 juli 2025 ingediende nader verweerschrift tevens wijziging zelfstandige verzoeken wordt door en namens de vrouw het navolgende aangevoerd. De vrouw is het eens met het advies van de Raad ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen. Dit moet bij haar worden bepaald. De vrouw staat achter de inzet van hulpverlening in de vorm van casusregie, waarbij ook gespecialiseerde ouderschapsbemiddeling en kindgesprekken voor de kinderen worden ingezet. De vrouw stemt niet in met een aanhouding van de beslissing op het verzoek omtrent de zorgregeling. Het zou duidelijkheid bieden aan zowel partijen als de kinderen als er een zorgregeling wordt vastgesteld. De vrouw verzoekt de huidige zorgregeling op basis waarvan de kinderen in de oneven weekenden op de zaterdag en de zondag bij de man zijn, als definitief vast te stellen, waarbij kan worden toegewerkt naar een weekend met overnachting, op tempo van de kinderen. [minderjarige 2] staat nog steeds ingeschreven op het adres van de man in de basisregistratie personen. De vrouw vindt het belangrijk dat dit wordt gewijzigd. Ook staat de man bij de Sociale Verzekerings Bank nog steeds aangemeld als ontvanger van de kinderbijslag. De man stort sinds 1 januari 2025 de kinderbijslag direct aan de vrouw door. De verblijfsoverstijgende kosten werden door partijen van de kinderrekening betaald. Inmiddels is er een gewijzigde situatie ontstaan omdat de kinderen veel minder naar de man gaan en hij dan ook minder kosten heeft. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro. Er is veel minder omgang tussen de man en de kinderen en de vrouw valt dan ook terug op de bepaling uit artikel 1:408 BW Pro juncto artikel 1:253a BW. De vrouw is inmiddels een geregistreerd partnerschap aangegaan met haar partner de heer I. Koole. Hij betaalt € 294,06 per maand aan kinderalimentatie voor een kind uit een eerdere relatie.
2.1
Tijdens de zitting wordt door en namens de man het navolgende aangevoerd. De man heeft grote angst dat zijn contact met de kinderen nog minder wordt dan nu het geval is. De man hoopt dat het contact met de kinderen kan worden uitgebreid en dat hij niet de visitevader blijft die hij zich nu wel voelt. De man is alleen op zaterdag en zondag bij de kinderen betrokken en dat vindt hij heel weinig. In het verleden heeft hij de bewuste keuze gemaakt voor een regeling op basis van co-ouderschap, maar de regeling zoals nu wordt uitgevoerd ligt daar ver verwijderd van. Er is momenteel zo weinig contact. De man begrijpt ook niet waarom zijn dochters niet bij hem willen overnachten. De man is bang dat hij zijn dochters helemaal kwijt gaat raken. Beide meiden worden ouder en straks gaan ze steeds meer hun eigen leven inrichten en wordt het contact nog beperkter. In het rapport van de Raad heeft de man gelezen dat de kinderen moeite hebben met zijn partner. De man begrijpt dit niet want laatst is de man met de kinderen naar de kermis geweest en daar was zijn partner bij en toen hebben ze een hele leuke tijd gehad. De man denkt dat het goed is als er duidelijkheid komt en dat duidelijk wordt waarnaartoe moet worden gewerkt. Hij verzoekt de rechtbank een voorlopige zorgregeling vast te leggen onder aanhouding van de beslissing op de definitieve zorgregeling en daarbij ook te bepalen dat de kinderen iedere donderdag na school tot de korfbal bij hem zijn. Voorheen was de donderdag altijd een ‘papadag’ en de man is deze dag nog steeds vrij. De man staat open voor het volgen van een hulpverleningstraject in het vrijwillig kader.
2.11
Door en namens de vrouw wordt tijdens de zitting aangevoerd dat zij hoopt dat er naar de meiden wordt geluisterd en dat een beslissing wordt genomen die voor hen goed voelt. De kinderen zijn oud en wijs genoeg om te zeggen wat ze nodig hebben. De man denkt misschien dat de vrouw op de kinderen inpraat maar de vrouw is juist de reden dat de kinderen nog naar hun vader gaan. De vrouw onderneemt steeds veel actie om toch omgang tussen de man en de kinderen te realiseren. De man zelf onderneemt niets en is erg passief. Dat vinden de kinderen teleurstellend. De vrouw denkt dat de vorige tussenbeslissing over de omgang goed is geweest voor de kinderen. Zij hebben ademruimte gekregen en gaan met minder stress naar hun vader. [minderjarige 1] kiest ervoor om vaker tussendoor even naar haar vader te gaan om bijvoorbeeld een spelletje te spelen. Laatst hebben de meiden een fijn weekend gehad met de partner van de vader erbij. Zij hebben te respecteren en te leren dat hun vader een nieuwe partner heeft. De kinderen hebben aangegeven dat ze best willen toewerken naar een overnachting bij hun vader als er duidelijkheid bestaat over de zorgregeling, en de vrouw vertrouwt erop dat met behulp van de hulpverlening het overnachten er uiteindelijk ook wel van zal komen. Wat pijn doet bij de kinderen is dat zij zich niet gezien of gehoord voelen door hun vader. Daar moet erkenning voor komen. De kinderen hebben een verwachting van hun vader waar niet aan voldaan is. De vrouw wil de ouderrelatie met de man graag herstellen want ze vindt het jammer dat het nu niet goed loopt tussen hen. De vrouw hoopt dat de band tussen hen weer beter wordt en dat de ouders weer vriendschappelijk met elkaar om kunnen gaan. De kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid over de omgang met hun vader en het is nodig dat de ouders met hulpverlening aan de slag gaan. Ten aanzien van haar verzoek omtrent de kinderalimentatie voert de vrouw aan dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen al langer zelf draagt. De afspraak omtrent de kinderrekening is destijds gemaakt vanuit het idee dat er gelijke verblijfskosten worden betaald maar van die situatie is al langere tijd geen sprake nu de kinderen minder bij de man zijn. De vrouw verzoekt als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift te hanteren. De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor beide ouders gerekend moet worden met een inkomen op basis van 32 uur. De man heeft niet aangetoond dat er bij hem een medische reden bestaat voor het minder gaan werken. De man heeft de keuze om minder te gaan werken maar die keuze moet niet afgewenteld worden op de kinderen. De vrouw stelt zich daarnaast op het standpunt dat met het inkomen van haar partner geen rekening moet worden gehouden. De vrouw is eind maart 2024 een geregistreerd partnerschap met haar partner aangegaan. Het is passend om de onderhoudsplicht van de stiefouder buiten beschouwing te laten om zo de alimentatie af te stemmen op een situatie die voor langere tijd zal gelden. Het is ook minder complex en conflictbestendig om de draagkracht van de partner buiten beschouwing te laten. Als de rechtbank van oordeel is dat de draagkracht van de partner wel moet worden meegenomen dan doet de vrouw de suggestie om hem voor een derde deel te laten dragen in de kosten. Wat betreft de zorgkorting stemt de vrouw ermee in dat wordt gerekend met een zorgkorting van 15%.
2.12
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw omtrent de alimentatie. Desondanks is hij bereid om een bedrag van € 300,- per maand voor beide kinderen aan de vrouw te betalen. Mocht de rechtbank tot een inhoudelijke berekening van de alimentatie komen dan voert de man aan dat het hem niet langer lukt om 36 uur te werken, maar dat moet worden gerekend met een inkomen op basis van 32 uur. Over de behoefte van de kinderen bestaat tussen partijen geen discussie. Als ingangsdatum moet volgens de man gelden de datum van de beschikking, omdat pas bij het nadere verweerschrift van 25 juli 2025 door de vrouw financiële gegevens zijn overgelegd. Indien wel met terugwerkende kracht een bijdrage zal worden vastgesteld dan zal deze moeten worden verrekend met hetgeen de man al heeft betaald. De draagkracht van de man op basis van een 32-urige werkweek bedraagt € 811,-. Ook voor de vrouw moet worden gerekend met haar inkomen op basis van een 32-urige werkweek. De man is van mening dat wel rekening moet worden gehouden met het inkomen van de partner van de vrouw. Er is geen reden voor onderscheid in rangorde en ook niet gesteld kan worden dat eerst de ouders moeten voorzien in de kosten van de kinderen en dat pas bij een tekort de stiefouder betrokken moet worden. De stiefouder moet voor ten minste 1/3e deel bijdragen in de kosten van de kinderen. Ten slotte voert de man aan dat gerekend moet worden met een zorgkorting van 25%, nu er onder begeleiding van hulpverlening zal worden toegewerkt naar een weekendregeling met overnachting.
2.13
De Raad verklaart tijdens de zitting dat de ouders langere tijd in goed onderling overleg zaken rondom de kinderen hebben kunnen regelen en dat dat nu is veranderd. De ouders zijn elkaar kwijtgeraakt en dat is heel jammer. Bij de kinderen bestaat weerstand en wantrouwen tegen contact met hun vader en zij staan er niet voor open om bij hun vader te overnachten. De relatie van de man belemmert de kinderen om stappen te maken om verder te komen. De kinderen krijgen van de man geen erkenning in hun gevoel en dat doet veel met ze. De Raad vindt het belangrijk dat de man probeert om echt te horen wat de kinderen aangeven en wat zij ervaren. Het is belangrijk dat daar hulpverlening op wordt ingezet. Uiteindelijk zullen de kinderen de relatie van hun vader moeten accepteren alleen als daar dingen voor in de weg zitten moeten die eerst worden aangepakt. De Raad hoopt dat er uiteindelijk een klik ontstaat tussen de partner van de man en de kinderen zodat er ongedwongen en onbelast contact kan zijn. De Raad adviseert de ouders zich te wenden tot bijvoorbeeld [hulpverlening]. De ouders hebben allebei aangegeven dat zij openstaan voor het volgen van hulpverlening dus de Raad verwacht dat ouders daar zelf mee aan de slag kunnen gaan. De Raad denkt dat inzet van systeemhulpverlening passend is. Daarnaast kan gedacht worden aan vastlegging van een zorgregeling op basis waarvan onder begeleiding van de hulpverlening de omgang wordt uitgebreid naar een weekendregeling en eventueel contact op de donderdag na school tot aan de korfbal.
Inzake C/02/427561 FARK 24-4744 (provisionele voorziening)
2.14
Door en namens de vrouw wordt tijdens de zitting aangevoerd dat zij wenst dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar wordt bepaald, maar ook het hoofdverblijf van [minderjarige 1]. In het door partijen gesloten ouderschapsplan wordt namelijk alleen gesproken over het inschrijven van de minderjarigen op het adres van de vrouw maar is geen bepaling over het hoofdverblijf opgenomen.
De beoordeling
Inzake C/02/427558 / FA RK 24-4742 (bodemprocedure)
Zorgregeling
2.15
De rechtbank oordeelt als volgt. Met de Raad en partijen is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat er duidelijkheid komt over het contact tussen de minderjarigen en hun vader. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de minderjarigen nog steeds weerstand ervaren tegen overnachtingen bij hun vader. Beide ouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat ze bereid zijn om een hulpverleningstraject aan te gaan om te werken aan verbetering van hun verstandhouding en communicatie. Net als de Raad vindt de rechtbank het daarbij belangrijk dat ook gekeken wordt naar de vraag of inzet van systemische hulpverlening nodig en noodzakelijk is. Ook zal de hulpverlening moeten beoordelen of inzet van een kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is. De rechtbank zal een definitieve beslissing nemen op het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling en niet nogmaals een voorlopige zorgregeling vastleggen. De rechtbank vindt het belangrijk dat er voor zowel de ouders als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid komt over de zorgregeling. De rechtbank zal een zorgregeling vastleggen op basis waarvan er, onder begeleiding van de hulpverlening, contact zal zijn tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de oneven weken vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond en iedere donderdag na school tot voor de korfbal. Het is hierbij belangrijk dat ouders in samenspraak met de hulpverlening afspraken maken over uitbreiding van de zorgregeling en dat deze uitbreiding op het tempo van de minderjarigen gebeurt. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat er ook tijdens de vakanties en feestdagen contact is tussen de man en de minderjarigen en dat wordt toegewerkt naar twee tot drie contactmomenten tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de vakanties.
Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
2.16
Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet worden of in deze zaak sprake is van een wijziging van de omstandigheden die ertoe leidt dat de kinderalimentatie opnieuw moet worden berekend.
2.17
De vrouw stelt dat de afspraak tussen partijen over de kinderrekening al geruime tijd niet meer wordt uitgevoerd nu de minderjarigen minder bij hun vader verblijven. De vrouw betaalt sinds december 2023 de verblijfkosten alleen. De man stelt dat, nu de vrouw opnieuw is getrouwd, bij het vaststellen van de kinderalimentatie ook rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de nieuwe partner van de vrouw nu tussen hen sprake is van een geregistreerd partnerschap. Genoemde omstandigheden betreffen naar het oordeel van de rechtbank een wijziging van omstandigheden in de zin van voornoemd artikel die een herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van partijen ten opzichte van de minderjarigen rechtvaardigt.
Behoefte
2.18
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
2.19
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarigen inmiddels € 838,84 per kind per maand bedraagt.
2.2
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2025 bij inkomens vanaf € 2.125,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
2.21
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
2.22
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De rechtbank gaat uit van een inkomen van de man op basis van een werkweek van 32 uur. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn belang en de noodzaak om minder te gaan werken voldoende gesteld en onderbouwd. Voor de bepaling van de draagkracht van de man neemt de rechtbank de door de man als productie 6 overlegde draagkrachtberekening en de daaraan onderliggende gegevens als uitgangspunt. De rechtbank becijfert het NBI van de man op € 3.803,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan € 946,- per maand.
2.23
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De rechtbank is van oordeel dat bij de inkomensgegevens van de vrouw gerekend moet worden met 70% van haar loon in verband met de door haar aangevoerde werktijdvermindering. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de man is aangevoerd, te rekenen met haar inkomen op basis van een 32-urige werkweek. Als productie 13 bij het nader verweerschrift heeft de vrouw een brief van EPZ van 28 mei 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de arbeidsuren van de vrouw per 1 juni 2025 zullen worden teruggebracht naar 28 uur per week. De rechtbank neemt als uitgangspunt de door de vrouw als productie 17 bij haar nader verweerschrift overgelegde draagkrachtberekening waarbij de rechtbank bij de vrouw de helft van het woonforfait in rekening zal brengen nu de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner en naar het oordeel van de rechtbank de helft van het woonforfait bij de partner van de vrouw kan worden opgevoerd. Op basis van deze gegevens bedraagt het NBI van de vrouw € 4.216,- en haar draagkracht € 1.592,- per maand.
De draagkracht van de partner van de man
2.24
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat met de draagkracht van haar nieuwe partner geen rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de kinderalimentatie. De partner van de vrouw is op grond van artikel 1:395 BW Pro eveneens onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt, te meer nu het hoofdverblijf bij de vrouw zal worden bepaald. Uit de door de vrouw overgelegde stukken kan de rechtbank de draagkracht van de partner van de vrouw niet berekenen. De vrouw heeft gesteld dat als de rechtbank aanleiding ziet om wel rekening te houden met de draagkracht van de stiefouder, haar partner dan voor 1/3e deel kan bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Nu er geen financiële gegevens van de partner van de vrouw in de procedure zijn gebracht ziet de rechtbank aanleiding om een derde deel van de kosten van de minderjarigen voor rekening te laten komen van de partner van de vrouw, te weten een bedrag van € 560,23. Blijft over een resterende behoefte van € 1.118,- waarin de man en de vrouw moeten voldoen.
Zorgkorting
2.25
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 25% op de door hem verschuldigde kinderbijdrage. De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar. De man heeft, rekening houdend met het toewerken naar een uitbreiding van de zorgregeling, gemiddeld heeft gemiddeld één dag per week de zorg voor de minderjarigen, zodat een zorgkorting geldt van 15%. Nu de resterende behoefte van de minderjarigen € 559,- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 84,- per maand. Indien de zorgregeling uiteindelijk is uitgebreid en de zorgkorting 25% is, kunnen ouders de verschuldigde kinderbijdrage zelf makkelijk berekenen op basis van de door de rechtbank bepaalde uitgangspunten.
Ingangsdatum
2.26
De rechtbank zal de vaststelling van de door de man te betalen bijdrage laten ingaan op 25 juli 2025, zijnde de datum waarop de vrouw financiële stukken in het geding heeft gebracht en de man vanaf die datum rekening kon houden met vaststelling van een door hem te betalen bijdrage.
Conclusie met betrekking tot de te betalen kinderbijdrage
2.27
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van 25 juli 2025 vaststellen op € 124,- per kind per maand.
Aanhechten berekeningen
2.28
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Hoofdverblijf
2.29
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1], gelet op het positieve advies van de Raad daartoe, bij de vrouw bepalen om zo de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
Inzake C/02/427561 FARK 24-4744 (provisionele voorziening)
2.3
Nu de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw zal bepalen heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek tot toevertrouwing van [minderjarige 2] aan haar. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Terugkoppeling naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
2.31
De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf van hem te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gestuurd.
“Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
ik heb een beslissing genomen op de vraag waar jullie gaan wonen en op de vraag hoe de omgang met jullie vader eruit ziet. Ik heb besloten dat jullie bij jullie moeder blijven wonen en dat dat officieel wordt vastgelegd. Jullie hoofdverblijf (juridische term) is bij haar.
Ik vind het belangrijk dat er contact is tussen jullie en jullie vader. Jullie ervaren spanningen rondom het overnachten bij jullie vader en het is belangrijk dat daar goed naar geluisterd wordt. Jullie vader begrijpt niet zo goed waarom jullie spanning hebben maar is wel bereid dit beter te gaan begrijpen. Hij zou het heel jammer vinden jullie zo weinig als nu te zien.
Jullie ouders hebben verteld dat ze het nodig vinden dat zij hulp gaan zoeken bij het werken aan verbetering van hun communicatie en samenwerking. Jullie ouders zien in dat het niet goed is hoe ze nu met elkaar omgaan en dat jullie daar ook last van hebben. Ik vind het ook nodig dat er hulpverlening komt. Jullie ouders hebben allebei verteld dat ze gemotiveerd zijn om mee te werken aan een hulpverleningstraject. Wat de omgang met jullie vader betreft heb ik het volgende besloten. Nu nog niet, maar in de toekomst is het de bedoeling dat jullie de ene week vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond en de andere week van donderdag na school tot voor de korfbal bij jullie vader zijn., Het overnachten van jullie bij je vader moet in overleg en op wat jullie willen. In overleg met de hulpverlening en met jullie moeten jullie ouders afspraken maken over hoe de omgang met jullie vader er precies uitziet en wanneer en onder welke afspraken jullie ook kunnen gaan overnachten bij jullie vader. Ook gaan zij afspraken maken over de vakanties.
Mijn beslissing is een eindbeslissing. Dat betekent dat er in deze procedure geen verdere beslissing meer volgt. Ik hoop dat jullie, maar ook jullie ouders, met deze beslissing van mij meer rust mogen ervaren en dat jullie een fijn en uitgebreider contact met jullie vader gaan krijgen. Ik wens jullie het allerbeste toe voor de toekomst.
Met vriendelijke groet,
De rechter.
Proceskosten
2.32
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.33
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
Inzake C/02/427561 FARK 24-4744 (provisionele voorziening)
3.1
wijst het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van [minderjarige 2] aan haar af;
Inzake C/02/427558 / FA RK 24-4742 (bodemprocedure)
3.2
wijst af het verzoek van de vrouw tot benoeming van een bijzondere curator;
3.3
wijzigt artikel 2 van Pro het door partijen op 8 mei 2017 ondertekende ouderschapsplan en bepaalt dat [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015 hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
3.4
wijzigt artikel 3 van Pro het door partijen op 8 mei 2017 ondertekende ouderschapsplan en bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar tijdens de oneven weken vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond en iedere donderdag na school tot voor de korfbal, waarbij geldt hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.15;
3.5
wijzigt artikel 3 van Pro het door partijen op 8 mei 2017 ondertekende ouderschapsplan en bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar gedurende twee tot drie contactmomenten per vakantie, waarover de ouders samen afspraken moeten maken en waarbij ook geldt hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.15;
3.6
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, met ingang van 25 juli 2025 wordt vastgesteld op € 124,- per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
3.7
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.