ECLI:NL:RBZWB:2025:7836

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/427265 FA RK 24-4598
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:99 lid 1 sub b BWArt. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met geschil over ouderschapsplan en verdeling gemeenschap van goederen

Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben drie minderjarige kinderen. Zij verzoeken echtscheiding en regelen de zorg voor de kinderen via een ouderschapsplan. Eén kind wenst een afwijkende zorgregeling, maar de rechtbank volgt het ouderschapsplan omdat partijen willen toewerken naar een groter zorgaandeel van de vrouw.

De man krijgt het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen met instemming van de vrouw. De vrouw trekt haar verzoek tot kinderalimentatie in vanwege de financiële situatie van de man, die volledig draagplichtig is voor de schulden van de onderneming en overige huwelijkse schulden.

De verdeling van de gemeenschap van goederen betreft de inboedel, de onderneming en schulden. De activa van de onderneming worden aan de man toegewezen, die ook de schulden volledig draagt. Een motor die tot de gemeenschap behoorde is verkocht; de man moet de vrouw de helft van de verkoopopbrengst vergoeden. Een auto is niet aangemerkt als gemeenschapsgoed.

De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot echtscheiding wordt toegewezen, het ouderschapsplan wordt in de beschikking opgenomen en overige verzoeken worden afgewezen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, ouderschapsplan opgenomen, huurrecht aan man toegekend, verdeling gemeenschap geregeld en overige verzoeken afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/427265 FA RK 24-4598
C/02/432464 FA RK 25-1047
datum uitspraak: 29 september 2025
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann,
en
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.G.M. Baas.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 4 oktober 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 19 december 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 20 januari 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek;
- de brief van mr. Edelmann van 24 februari 2025 met als bijlage het ouderschapsplan en 19 augustus 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. Baas van 18 augustus 2025 met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 1 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De advocaat van de man heeft daarbij een berekening van de kinderalimentatie overgelegd.
1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij hebben op 1 september 2025 gesproken met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2008 in de gemeente Steenbergen met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010,
2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2013,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw heeft verzocht, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie) van € 217,= per maand per kind met ingang van de dag waarop de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen zal worden verstrekt;
- bepaling dat de man de huurder van de echtelijke woning zal zijn;
- bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen.
3.2.
De man heeft verzocht, samengevat,
- echtscheiding;
- primair: bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem en subsidiair: vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), waarbij de minderjarigen de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij de wisseldag op vrijdag uit school zal zijn;
- bepaling dat hij de huurder van de echtelijke woning zal zijn;
- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

4.De beoordeling

Echtscheiding en ouderschapsplan
4.1.
Partijen hebben ieder afzonderlijk verzocht om de echtscheiding uit te spreken. Zoals hiervoor is vermeld is niet in geschil dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding toewijzen.
4.2.
Partijen hebben een ouderschapsplan ingediend, dat zij op 18 februari 2025 hebben ondertekend. Daarin zijn zij overeengekomen, voor zover hier van belang, dat de drie minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, dat de minderjarigen van vrijdag tot vrijdag bij de vrouw zijn en vervolgens van vrijdag tot vrijdag bij de man en dat de schoolvakanties en feestdagen in goed overleg tussen partijen worden verdeeld.
4.3.
[minderjarige 1] heeft bij het kindgesprek verklaard het eens te zijn met de zorgregeling zoals is opgenomen in het ouderschapsplan. Uit het kindgesprek met [minderjarige 2] is naar voren gekomen dat hij een andere zorgregeling wil dan zijn ouders hebben afgesproken in het ouderschapsplan. Hij heeft verklaard dat hij van meet af aan meer dagen bij zijn vader verblijft dan bij zijn moeder. Hij is één keer per twee weken van dinsdag tot en met donderdag bij zijn moeder en alle overige dagen verblijft hij bij zijn vader. [minderjarige 2] heeft de kinderrechter verteld wat daarvan de reden is. Dit is op de mondelinge behandeling met zijn ouders besproken. Zij hebben bevestigd dat [minderjarige 2] op de door hem aangegeven dagen bij de man verblijft. Van belang daarbij is dat [minderjarige 2] momenteel op maandagen en vrijdagen stage loopt in het bedrijf van zijn vader. Beide ouders hebben uitgesproken dat zij vinden dat de vrouw in de toekomst een groter zorgaandeel voor [minderjarige 2] dient te hebben dan de huidige drie dagen per twee weken. Er is recent hulpverlening ingezet om de communicatie en de verbinding tussen [minderjarige 2] en zijn moeder te verbeteren.
4.4.
De man heeft echter aanleiding gezien zijn verzoek te wijzigen. Hij verzoekt nu een zorgregeling voor [minderjarige 2] vast te stellen conform de regeling zoals deze nu feitelijk plaatsvindt. Wat betreft [minderjarige 1] en [minderjarige 3] verzoekt hij wél om het ouderschapsplan op te nemen in deze beschikking. Zijn verzoek om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen heeft hij ingetrokken. De vrouw heeft haar verzoeken aangevuld; zij verzoekt het ouderschapsplan ten aanzien van alle drie de minderjarigen in deze beschikking op te nemen.
4.5.
De rechtbank overweegt, al het voorgaande in overweging 4.3. in aanmerking nemend, dat bij deze stand van zaken er geen aanleiding is om voor [minderjarige 2] een andere zorgregeling vast te stellen, dan door partijen in het ouderschapsplan is overeengekomen. Hoewel duidelijk is dat momenteel een andere regeling wordt uitgevoerd dan is opgenomen in het ouderschapsplan, is het de wens van beide partijen om toe te werken naar een groter zorgaandeel van de vrouw. Om daar nu een ander en vast kader voor vast te leggen, zoals de man voor ogen heeft, wordt niet in het belang van [minderjarige 2] geacht.
4.6.
Dit betekent dat de rechtbank het aanvullend verzoek van de vrouw om het ouderschapsplan voor alle drie de minderjarigen op te nemen in de beschikking, zal worden toegewezen. De rechtbank zal het gewijzigde verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de vrouw afwijzen. Het ingetrokken verzoek, namelijk het verzoek van de man tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem, kan niet meer inhoudelijk worden beoordeeld en zal worden afgewezen. De vrouw heeft geen belang bij haar verzoek om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, omdat partijen een gelijkluidende afspraak hebben gemaakt in het ouderschapsplan, en de regelingen uit het ouderschapsplan worden opgenomen in deze beschikking. Voor zover nog voorligt het subsidiaire verzoek van de man inzake vaststelling van een zorgregeling voor de minderjarigen zal dit verzoek eveneens wegens gebrek aan belang worden afgewezen, omdat partijen hierover een afspraak hebben gemaakt in het ouderschapsplan, die gelijkluidend is aan het verzoek van de man.
Huurrecht van de echtelijke woning
4.7.
De man verzoekt toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] , aan hem. De vrouw stemt daarmee in. De rechtbank zal dit verzoek als op de wet gegrond en niet weersproken toewijzen.
Kinderalimentatie
4.8.
De vrouw heeft verzocht om vaststelling van kinderalimentatie, zoals vermeld onder 3.1. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank uitvoerig met partijen gesproken over de financiële situatie waarin partijen zich bevinden. Dit gesprek en het daarop volgende overleg tussen partijen heeft ertoe geleid dat zij afspraken hebben gemaakt, inhoudende dat de man (zoals hiervoor al vermeld) zijn verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem intrekt en hij ermee instemt dat alle drie de minderjarigen bij de vrouw zijn en blijven ingeschreven. Ook hebben partijen afgesproken dat de activa van de onderneming van de man ( [onderneming] ) aan de man worden toebedeeld en dat hij volledig draagplichtig is voor de passiva van deze onderneming en voor de overige huwelijkse schulden onder vrijwaring van de vrouw. Gelet op de omvang van deze schuldenlast, heeft de man geen draagkracht voor het voldoen van kinderalimentatie aan de vrouw. De vrouw heeft daarop haar verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie ingetrokken. Nu dit verzoek is ingetrokken, kan de rechtbank dit niet meer inhoudelijk beoordelen en zal het verzoek worden afgewezen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
4.9.
De vrouw verzoekt partijen te bevelen tot verdeling van de huwelijksgemeenschap met benoeming van een notaris en onzijdige personen. Gelet op de inhoud van haar verweerschrift op zelfstandig verzoek en haar verklaringen op de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank dat de vrouw nu ook verzoekt om de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen te gelasten.
4.10.
De man verzoekt de wijze van verdeling van de gemeenschap vast te stellen op de wijze als uiteengezet onder randnummer 5 tot en met 9 in zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek.
4.11.
Partijen zijn gehuwd in algehele (wettelijke) gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
4.12.
De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en sub b Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 4 oktober 2024. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.
De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.
4.13.
De gemeenschap bestond op de peildatum van 4 oktober 2024 in ieder geval uit de volgende bestanddelen:
- de inboedelgoederen van de echtelijke woning;
- de activa en passiva van de onderneming [onderneming] ;
- diverse schulden.
Tussen partijen is in geschil of tot de huwelijksgemeenschap ook een motor en een auto behoren.
4.14.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen desgevraagd verklaard dat tot de gemeenschap ook bankrekeningen behoorden, maar vanwege het feit dat de saldi daarvan nihil waren, zij geen behoefte hebben aan een beslissing van de rechtbank over dit bestanddeel van de gemeenschap.
De inboedelgoederen van de echtelijke woning
4.15.
Partijen hebben de inboedelgoederen in onderling overleg verdeeld. Op de mondelinge behandeling hebben zij verklaard dat zij ter zake geen beslissing meer van de rechtbank nodig hebben.
De activa en passiva van de onderneming [onderneming]
4.16.
Partijen zijn op de mondelinge behandeling overeengekomen dat de activa van deze onderneming (zijnde de eenmanszaak van de man) worden toebedeeld aan de man onder de gehoudenheid dat hij de draagplicht voor de passiva alsook alle overige huwelijkse schulden volledig op zich neemt en deze dus volledig voor zijn rekening en risico komen en hij de vrouw ter zake vrijwaart. Gelet op die afspraak van partijen, waarbij de passiva de omvang van de activa overstijgen, komt de vrouw geen recht op overbedeling toe.
Diverse huwelijkse schulden
4.17.
Zoals hierboven aangegeven hebben partijen afgesproken dat de man volledig draagplichtig is voor de huwelijkse schulden van partijen. Deze huwelijkse schulden zijn bij partijen genoegzaam bekend.
Overig: een motor
4.18.
De vrouw stelt dat op de peildatum een motor tot de gemeenschap behoorde. Zij heeft deze motor in de gemeenschap ingebracht. De motor stond altijd in de loods van de man en de vrouw ging er vanuit dat deze motor op de peildatum daar nog steeds aanwezig was. De man weerspreekt de stelling van de vrouw; de motor is namelijk verkocht aan de heer [persoon] met het doel schulden af te lossen.
4.19.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van de mondelinge behandeling is gebleken dat de motor door de vrouw in de gemeenschap is ingebracht en dat het kenteken van de motor wegens de financiële perikelen van partijen aanvankelijk op de naam van de moeder van de vrouw is gesteld en vervolgens op enig moment op naam van de heer [persoon] is gezet. Of de motor voor de peildatum is verkocht en geleverd aan een derde, is tussen partijen in geschil. De man heeft de stelling van de vrouw dat de motor op de peildatum tot de gemeenschap behoorde onvoldoende gemotiveerd betwist. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd die zijn standpunt over de gestelde verkoop van de motor voor de peildatum ondersteunen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de motor op de peildatum een bestanddeel van de gemeenschap was. De man heeft gesteld dat hij de motor voor een bedrag van € 6.000,= heeft verkocht. Dit bedrag behoort de huwelijksgemeenschap toe, en ieder van partijen is voor de helft gerechtigd tot dit bedrag. Daarom zal de rechtbank beslissen dat de man een bedrag van € 3.000,= aan de vrouw dient te vergoeden.
Overig: een auto van het merk KIA
4.20.
Volgens de vrouw behoorde ook tot de huwelijksgemeenschap een auto van het merk KIA met [kenteken] . De auto is eind december 2023 door partijen gekocht, deels betaald met de erfenis van haar vader en deels met eigen geld van partijen. De auto is vervolgens niet op naam van partijen gesteld, omdat dit vanwege hun schulden aan de belastingdienst niet mogelijk was. Volgens de man is deze auto gekocht voor zijn zoon (uit een eerder huwelijk) en is er geen sprake van een koopovereenkomst tussen de verkoper (namelijk zijn ex-partner) en partijen. Wel stond de auto voor de deur van partijen en werd de auto ook gebruikt door partijen.
4.21.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat deze auto op naam van de zoon van de man stond. Echter, op basis van de verklaringen van partijen kan niet worden vastgesteld dat de auto op de peildatum eigendom van partijen was, omdat niet is komen vast te staan dat partijen voor zichzelf een koopovereenkomst hebben gesloten, en evenmin dat de auto aan partijen is geleverd. De vrouw heeft, in het licht van de betwisting door de man, onvoldoende aangevoerd om vast te stellen dat de auto van het merk KIA op de peildatum tot de gemeenschap behoorde, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de auto geen bestanddeel van de gemeenschap was.
Conclusie
4.22.
De rechtbank zal de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vaststellen overeenkomstig het bepaalde in rechtsoverweging 4.16. tot en met 4.19. Hoewel partijen ten aanzien van de activa en passiva van de onderneming en de huwelijkse schulden overeenstemming hebben bereikt, zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 4.16. en 4.17. en gelet daarop geen taak meer is weggelegd voor de rechter om op grond van artikel 3:185 BW Pro de wijze van verdeling te gelasten ten aanzien van deze bestanddelen, zal de rechtbank op verzoek van partijen de daarover bereikte overeenstemming opnemen in het dictum.
Proceskosten
4.23.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2008 in de gemeente Steenbergen met elkaar gehuwd;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] ;
5.4.
gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de volgende wijze:
5.4.1.
bepaalt dat de activa gerelateerd aan de onderneming [onderneming] worden toegedeeld aan de man;
5.4.2.
bepaalt dat de man volledig draagplichtig is voor alle schulden behorende tot de huwelijksgemeenschap, inhoudende dat hij de aan de onderneming [onderneming] gerelateerde schulden alsook alle overige huwelijkse schulden volledig op zich neemt en deze schulden dus volledig voor zijn rekening komen en hij de vrouw terzake vrijwaart;
5.4.3.
bepaalt dat de man de helft van de verkoopopbrengst van de motor, zijnde een bedrag van € 3.000,=, aan de vrouw dient te vergoeden;
5.5.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 september 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.