ECLI:NL:RBZWB:2025:7784

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11576678 CV 25-1072
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelvonnis correctie ingangsdatum wettelijke rente in civiele zaak

In deze civiele bodemzaak tussen een opdrachtnemer en een opdrachtgever heeft de kantonrechter een herstelvonnis gewezen ter correctie van een fout in de ingangsdatum van de wettelijke rente. De gemachtigde van de opdrachtnemer verzocht om herstel omdat in het dictum van het vonnis van 17 september 2025 onjuist het jaartal 2025 was vermeld in plaats van 2024.

De griffier stelde de wederpartij in de gelegenheid te reageren, maar deze maakte geen gebruik van die mogelijkheid. De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig hersteld kon worden op grond van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De wettelijke rente wordt nu correct toegewezen vanaf 17 oktober 2024 en 17 november 2024 over de respectievelijke factuurbedragen. Verder blijft de veroordeling van de opdrachtgever tot betaling van het factuurbedrag, buitengerechtelijke kosten en proceskosten ongewijzigd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: De ingangsdatum van de wettelijke rente wordt hersteld naar 17 oktober 2024 en 17 november 2024, met bevestiging van de betalingsveroordelingen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11576678 \ CV EXPL 25-1072
Herstelvonnis van 12 november 2025
in de zaak van
DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [opdrachtnemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,
gemachtigde: Rijken Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[opdrachtgever],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 17 september 2025
- het bericht van de gemachtigde van [opdrachtnemer] van 26 september 2025
- de brief van de griffier van 29 september 2025 aan [opdrachtgever]

2.Het geschil en de beoordeling

2.1.
De gemachtigde van [opdrachtnemer] heeft in een e-mailbericht van 26 september 2025 verzocht om herstel van het vonnis van 17 september 2025. De gemachtigde merkt op dat in de beslissing (het dictum) is vermeld dat de rente over de hoofdsom in zal gaan op 17 oktober 2025 en 17 november 2025, wat vermoedelijk 17 oktober 2024 en 17 november 2024 moet zijn. De gemachtigde verzoekt dit te corrigeren.
2.2.
De griffier heeft met een brief van 29 september 2025 de wederpartij in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek uit te laten.
2.3.
De wederpartij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een kennelijke fout, die zich leent voor eenvoudig herstel zoals bedoeld in artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij heeft de kantonrechter het volgende overwogen.
In de beoordeling onder rechtsoverweging 5.10 wordt overwogen dat de wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen, zijnde 17 oktober 2024 respectievelijk 17 november 2024. In de beslissing is onder 6.1 aangegeven dat de ingangsdatum van de wettelijke rente 17 oktober 2025 respectievelijk 2025 is.
Op grond hiervan blijkt dat de kantonrechter in de beslissing ten onrechte het jaartal 2025 in plaats van het jaartal 2024 heeft opgenomen.
2.5.
De kantonrechter beslist als volgt.

3.De beslissing

De kantonrechter
volhardt bij de inhoud van het tussen partijen op 17 september 2025 gewezen vonnis met bovenvermeld zaaknummer, met dien verstande dat de in de beslissing opgenomen veroordeling als volgt dient te luiden:
De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 779,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over:
- het (factuur)bedrag van € 460,53, met ingang van 17 oktober 2024,- het (factuur)bedrag van € 318,83,met ingang van 17 november 2024,telkens tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 116,90 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [opdrachtgever] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.