ECLI:NL:RBZWB:2025:7778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11695452 \ AZ VERZ 25-28
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en bewijsopdracht in arbeidsrechtelijke geschil

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 oktober 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werknemer en zijn werkgever. De werknemer, vertegenwoordigd door mr. M.J. Blom van FNV, had een verzoek ingediend tegen zijn werkgever, [werkgever] B.V., vertegenwoordigd door mr. S.G.J. Habets, na een ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet in de bewijsopdracht was geslaagd, omdat niet kon worden aangetoond dat de werknemer op de hoogte was van de instructies omtrent het inboeken van achtergelaten credits als 'gevonden geld'. De kantonrechter concludeerde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was en dat de werknemer recht had op een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, en een billijke vergoeding. De kantonrechter kende de werknemer een billijke vergoeding toe van € 5.000,00 en een transitievergoeding van € 7.674,24, evenals een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.954,50. De werkgever werd ook veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.708,34 dat onterecht was ingehouden op het loon van de werknemer. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd, omdat deze overwegend ongelijk had gekregen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11695452 \ AZ VERZ 25-28
Beschikking van 27 oktober 2025
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J. Blom werkzaam bij FNV,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.G.J. Habets.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de beschikking in deze zaak van 18 augustus 2025 met de daarin genoemde processtukken,
 het e-mailbericht van [werkgever] van 1 september 2025, met producties,
 de akte uitlating getuigenbewijs van [werknemer] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling van het verzoek

2.1.
In de tussenbeschikking van 18 augustus 2025 is [werkgever] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat [werknemer] ten tijde van de aan hem verweten gedragingen ervan op de hoogte was dat openstaande transacties/achtergelaten credits geen fooi waren, maar administratief geboekt moesten worden als “gevonden geld”, ook wanneer de klant zelf aangaf dat dit fooi was.
2.2.
[werkgever] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door een vijftal schriftelijke verklaringen in het geding te brengen. De kantonrechter dient te beoordelen of [werkgever] met deze verklaringen in haar bewijsopdracht is geslaagd.
2.3.
Voor zover is verklaard dat het beleid omtrent achtergelaten credits nooit is veranderd en dat dit beleid voor iedereen duidelijk was, dragen de verklaringen niet bij aan het te leveren bewijs. In de tussenbeschikking is geoordeeld dat het beleid ten aanzien van “gevonden geld” waarvan door de klant werd aangegeven dat het fooi was tot 7 februari 2025 mogelijk niet voldoende duidelijk was. Op die dag is immers een gewijzigde versie van de beslisboom rondgestuurd. De bewijsopdracht zag er op te bewijzen dat de hierover gegeven (nadere) instructies bij [werknemer] bekend waren.
2.4.
Over de gegeven instructies is het volgende verklaard:
De verklaring van mevrouw [medewerker 1]

Wij zijn op enig moment overgegaan van cash geld naar cashless. Toen zijn mensen van het hoofdkantoor naar ons center gekomen (twee dagen). Zij hebben toen het systeem toegelicht (…)
Ik kan mij herinneren dat [werknemer] bij die uitleg aanwezig was. Ik wilde hem er namelijk bij hebben omdat hij handig was met systemen. Hij heeft mij die dag nog geholpen met de geldstroom na de nachtlichting in verband met de overgang van cash geld naar cashless. Al het geld moest naar de bank.
Die dag ben ik de hele dag in het center aanwezig geweest omdat ik zelf de uitleg aan iedereen persoonlijk wilde geven. Dat was een lange dag. Ik als casinomanager wilde zeker weten dat iedereen direct op de hoogte was. Ik weet 100% zeker dat ik iedereen – ook [werknemer] en [medewerker 2] – heb gesproken over het nieuwe systeem en heb uitgelegd hoe achtergelaten credits en passen moesten worden ingeboekt. Ook als gasten zouden zeggen dat dit fooi zou zijn. Alles moet als “gevonden geld” worden ingeboekt. Dat was ook de heel duidelijke boodschap van het hoofdkantoor.
De verklaring van de heer [medewerker 3]

Toen we overgingen van cash geld naar cashless hebben we duidelijke instructies ontvangen, zowel mondeling als schriftelijk. (…) We hebben duidelijk uitleg gekregen over het inboeken als gevonden geld. Die uitleg kregen we per brief, maar ook [medewerker 1] heeft dat aan ons uitgelegd. Ik weet 100% zeker dat [medewerker 1] dit aan [medewerker 2] en [werknemer] heeft uitgelegd. [medewerker 1] heeft het namelijk aan iedereen uitgelegd.
De verklaring van de heer [medewerker 4]

Tijdens de overgang van onze systemen van cash naar cashless is iemand van het hoofdkantoor ( [plaats 2] ) naar ons center ( [plaats 1] ) gekomen om uitleg te geven over alle administratieve handelingen die we met nieuwe systeem konden voeren. Daarbij is ook aangegeven hoe je om moet gaan met achtergelaten credits dat je deze moet inboeken als “gevonden geld”.
De verklaring van mevrouw [medewerker 5]

Toen wij overgingen van cash geld naar cashless werd ons door mensen van het hoofdkantoor ( [medewerker 6] ) uitgelegd hoe je met achtergelaten credits en openstaande transacties moest omgaan. Dat moest worden ingeboekt als gevonden geld. [medewerker 4] en [medewerker 1] hebben ons dat nadien nogmaals uitgelegd; zij hadden daar meer handigheid in omdat zij vroeger de geldstroom verwerkten. Zij hebben dat aan iedereen, ook aan [werknemer] en [medewerker 2] , uitgelegd. Ook is toen over de fooi gesproken. [medewerker 1] legde toen uit dat achtergelaten of gegeven passen of achtergelaten en gegeven credits nooit als fooi mogen worden aangenomen.
De verklaring van mevrouw [medewerker 7]

[medewerker 1] , onze casinomanager, heeft mij en andere collega’s afzonderlijk een uitleg gegeven over het nieuwe systeem (cashless). Daar kwam ook de beslisboom bij aan bod en de manier waarop het in het nieuwe systeem moest worden weggeboekt. Ik weet niet of [medewerker 1] ook [werknemer] en [medewerker 2] afzonderlijk heeft gesproken (ik werkte toen een andere dienst), maar ik neem aan van wel.
2.5.
Hoewel deze vijf medewerkers allemaal verklaren dat er uitleg is gegeven over het nieuwe cashless systeem, volgt uit de verklaringen niet wanneer deze uitleg heeft plaatsgevonden. De kantonrechter is met [werknemer] van oordeel dat de verklaringen op dit punt tegenstrijdig lijken te zijn met hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht. [werkgever] heeft in haar verweerschrift en ter zitting immers gesteld dat er in november 2024 en februari 2025 uitleg zou zijn gegeven. Dit is ook zo opgenomen in de ontslagbrief aan [werknemer] . De medewerkers hebben echter verklaard dat er uitleg is gegeven bij de overgang naar het nieuwe systeem. Dit lijkt te suggereren dat dit al in juni 2024 (of kort daarna) is geweest. Van een uitleg op een later moment blijkt niets uit deze verklaringen.
2.6.
Uit de verklaringen volgt bovendien niet dat [werknemer] bij de uitleg aanwezig was. Behalve mevrouw [medewerker 1] heeft geen van de medewerkers verklaard over de aanwezigheid van [werknemer] . Zij hebben niet verklaard [werknemer] bij die uitleg te hebben gezien. Met betrekking tot de verklaring van [medewerker 1] overweegt de kantonrechter dat deze ook op dit punt tegenstrijdig lijkt met wat zij op de mondelinge behandeling heeft aangegeven. Op die zitting heeft zij immers gezegd dat zij de instructies op enig moment na 13 februari 2025 nogmaals heeft besproken met het personeel dat op 13 februari 2025 niet werkte. Uit haar schriftelijke verklaring volgt echter dat ze op de dag van de uitleg door iemand van het hoofdkantoor de hele dag in het center is geweest omdat ze de uitleg aan iedereen persoonlijk wilde geven. Ook verklaart zij dat [werknemer] daar die dag bij aanwezig was. Uit deze verklaring volgt dus niet dat ze de uitleg op een later moment aan [werknemer] heeft gegeven zoals eerder betoogd.
2.7.
Al met al is de kantonrechter van oordeel dat [werkgever] niet in de aan haar gegeven bewijsopdracht is geslaagd. [werkgever] heeft in haar e-mail van 1 september 2025 aangegeven in dat geval de medewerkers (alsnog) als getuigen te willen laten horen maar daartoe krijgt zij niet de gelegenheid. In de tussenbeschikking is aan [werkgever] de mogelijkheid tot bewijslevering geboden en het is aan [werkgever] om de wijze waarop zij dat wenst te doen vorm te geven. In dit geval heeft zij ervoor gekozen om schriftelijke verklaringen in te dienen. Hiermee is de mogelijkheid tot bewijslevering geëindigd. Indien [werkgever] deze medewerkers als getuigen had willen laten horen, had zij daar meteen voor moeten kiezen. Ook [werknemer] heeft verzocht om een getuigenverhoor en een contra-enquête maar daartoe bestaat geen belang. Ook dit verzoek zal daarom niet worden gehonoreerd.
2.8.
Nu [werkgever] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, heeft zij niet aangetoond dat het beleid ten aanzien van het ontvangen van fooien voldoende duidelijk was voor [werknemer] ten tijde van de aan hem verweten gedragingen. In de tussenbeschikking is al geoordeeld dat dit ertoe leidt dat het aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.
transitievergoeding
2.9.
[werknemer] verzoekt [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding. [werkgever] betwist dat zij gehouden is om deze vergoeding aan [werknemer] te betalen omdat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft daartoe echter dezelfde argumenten aangevoerd als die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Hiervan heeft de kantonrechter hiervoor geoordeeld dat deze het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen. [werkgever] heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het handelen van [werknemer] desondanks wel als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De kantonrechter zal [werkgever] dan ook veroordelen tot het betalen van de wettelijke transitievergoeding aan [werknemer] . De kantonrechter ziet geen aanleiding om de transitievergoeding te matigen zoals [werkgever] subsidiair heeft verzocht.
2.10.
[werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de verzochte transitievergoeding zodat de kantonrechter in dit geval uitgaat van de juistheid van dit bedrag. De kantonrechter zal [werkgever] daarom veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 7.674,24 bruto aan [werknemer] . De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 15 april 2025. [werkgever] wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
2.11.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. De door [werkgever] in acht te nemen opzegtermijn bedraagt 2 maanden, waarbij de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd tegen het einde van de maand. De vergoeding is dus gelijk aan 2,5 maandsalaris, te weten € 3.954,50 bruto. [werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 maart 2025.
Billijke vergoeding
2.12.
Ook het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Een ongeldig ontslag moet als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt.
2.13.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
2.14.
[werknemer] werkte sinds 2015 bij [werkgever] . Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het dienstverband zonder het ontslag op staande voet op korte termijn zou zijn geëindigd. [werkgever] heeft weliswaar aangevoerd dat het handelen van [werknemer] heeft geleid tot een vertrouwensbreuk maar dat een verzoek tot ontbinding op die grond zou zijn toegewezen is niet zonder meer aannemelijk. Immers is niet komen vast te staan dat [werknemer] op de hoogte was van de instructies. Dat het handelen in strijd met die instructies kan hebben geleid tot een vertrouwensbreuk, is dan ook zeer de vraag. Het is dan ook aannemelijk dat [werknemer] nog voor langere tijd in dienst zou zijn geweest van [werkgever] . Gelet op het onterecht gegeven ontslag op staande voet is het in ernstige mate aan [werkgever] verwijtbaar dat het dienstverband is geëindigd. [werknemer] heeft een te verwachten inkomensschade tot uitgangspunt genomen bij de onderbouwing van de door hem verzochte vergoeding. Hoewel deze inkomensschade zou zijn beperkt wanneer het ontslag op staande voet zou zijn vernietigd, kan in dit geval niet aan [werknemer] worden tegengeworpen dat hij daarvan heeft afgezien. Gelet op de beschuldiging van [werkgever] aan het adres van [werknemer] acht de kantonrechter het voorstelbaar dat [werknemer] geen behoefte heeft aan terugkeer op de werkvloer bij [werkgever] .
2.15.
Hier staat tegenover dat [werknemer] zich kort voor het ontslag op staande voet ziek heeft gemeld. [werknemer] stelt zich op het standpunt dat het allerminst vast staat, dat hij als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid op korte termijn een andere dienstbetrekking kan aanvaarden. Om die reden heeft hij een billijke vergoeding verzocht die overeenkomt met circa tien maandsalarissen. [werknemer] heeft echter geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zijn arbeidsongeschiktheid tien maanden zal duren. Het is – zonder die toelichting – niet aannemelijk dat [werknemer] pas na tien maanden ander werk zal kunnen gaan verrichten. De kantonrechter acht het verder aannemelijk dat [werknemer] met een andere baan een gelijkwaardig salaris kan verdienen als het salaris dat hij bij [werkgever] verdiende.
2.16.
Anders dan [werkgever] ziet de kantonrechter geen aanleiding om de vergoeding wegens onregelmatige opzegging in mindering te brengen op de billijke vergoeding. In dat geval zou [werknemer] in onvoldoende mate worden gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] . Ook de transitievergoeding wordt niet in mindering gebracht. De transitievergoeding is een wettelijk recht en [werknemer] zou deze ook hebben ontvangen als de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou zijn opgezegd.
2.17.
Gelet op al deze omstandigheden kent de kantonrechter aan [werknemer] een billijke vergoeding toe van € 5.000,00. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 maart 2025. [werkgever] wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie.
Ingehouden gefixeerde schadevergoeding
2.18.
[werkgever] heeft op het loon van maart 2025 de zogenaamde gefixeerde schadevergoeding van € 1.708,34 bruto ingehouden. Nu het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, is de rechtsgrond voor die inhouding vervallen. [werkgever] moet dit bedrag alsnog aan [werknemer] betalen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen zoals door [werkgever] is verzocht.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.19.
[werknemer] heeft ten slotte vergoeding gevraagd van buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten zullen echter worden afgewezen nu [werknemer] niet heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
Proceskosten
2.20.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat zij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.478,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 1.086,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
2.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
3.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 3.954,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
3.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 7.674,24 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
3.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een bedrag te betalen van € 1.708,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 854,17 bruto en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele betaling,
3.5.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.478,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.H.J.M. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
(JO)