ECLI:NL:RBZWB:2025:7776

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11701943 \ AZ VERZ 25-31
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht ontslag op staande voet en toekenning van vergoedingen in arbeidsrechtelijke geschil

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoeker] en zijn werkgever, Fair Play Centers B.V. De zaak betreft een ontslag op staande voet dat door de werkgever is gegeven, maar de kantonrechter oordeelt dat dit ontslag niet rechtsgeldig is. De werkgever is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de werknemer op de hoogte was van de instructies omtrent het omgaan met achtergelaten credits, wat leidde tot het ontslag. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werkgever niet in haar bewijsopdracht is geslaagd en heeft het verzoek van de werknemer om een verklaring voor recht dat het ontslag onterecht was, toegewezen.

Daarnaast heeft de kantonrechter de werkgever veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding van € 6.500,00, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.448,19, en een transitievergoeding van € 2.633,58. Ook is de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeldreserve en het saldo van niet genoten vakantiedagen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkgever geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding, waardoor de werknemer vrij is om een andere baan te aanvaarden. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever, die overwegend ongelijk heeft gekregen in deze procedure.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11701943 \ AZ VERZ 25-31
Beschikking van 27 oktober 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.A.A. van Tongeren,
tegen
FAIR PLAY CENTERS B.V.,
te Kerkrade,
verwerende partij,
hierna te noemen: Fair Play,
gemachtigde: mr. S.G.J. Habets.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de beschikking in deze zaak van 18 augustus 2025 met de daarin genoemde processtukken,
 het e-mailbericht van Fair Play van 1 september 2025, met producties,
 de akte uitlaten van [verzoeker] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In de tussenbeschikking van 18 augustus 2025 is Fair Play in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat [verzoeker] ten tijde van de aan hem verweten gedragingen ervan op de hoogte was dat openstaande transacties/achtergelaten credits geen fooi waren, maar administratief geboekt moesten worden als “gevonden geld”, ook wanneer de klant zelf aangaf dat dit fooi was.
2.2.
Fair Play heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door een vijftal schriftelijke verklaringen in het geding te brengen. De kantonrechter dient te beoordelen of Fair Play met deze verklaringen in haar bewijsopdracht is geslaagd.
2.3.
Voor zover is verklaard dat het beleid omtrent achtergelaten credits nooit is veranderd en dat dit beleid voor iedereen duidelijk was, dragen de verklaringen niet bij aan het te leveren bewijs. In de tussenbeschikking is geoordeeld dat het beleid ten aanzien van “gevonden geld” waarvan door de klant werd aangegeven dat het fooi was tot 7 februari 2025 mogelijk niet voldoende duidelijk was. Op die dag is immers een gewijzigde versie van de beslisboom rondgestuurd. De bewijsopdracht zag er op te bewijzen dat de hierover gegeven (nadere) instructies bij [verzoeker] bekend waren.
2.4.
Over de gegeven instructies is het volgende verklaard:
De verklaring van mevrouw [naam 1]

Wij zijn op enig moment overgegaan van cash geld naar cashless. Toen zijn mensen van het hoofdkantoor naar ons center gekomen (twee dagen). Zij hebben toen het systeem toegelicht (…)
Die dag ben ik de hele dag in het center aanwezig geweest omdat ik zelf de uitleg aan iedereen persoonlijk wilde geven. Dat was een lange dag. Ik als casinomanager wilde zeker weten dat iedereen direct op de hoogte was. Ik weet 100% zeker dat ik iedereen – ook [naam 2] en [verzoeker] – heb gesproken over het nieuwe systeem en heb uitgelegd hoe achtergelaten credits en passen moesten worden ingeboekt. Ook als gasten zouden zeggen dat dit fooi zou zijn. Alles moet als “gevonden geld” worden ingeboekt. Dat was ook de heel duidelijke boodschap van het hoofdkantoor.
Ik kan mij nog herinneren dat [verzoeker] aantekeningen maakte in een notitieblokje van de uitleg door de mensen van het hoofdkantoor en door mij.
De verklaring van de heer [naam 3]

Toen we overgingen van cash geld naar cashless hebben we duidelijke instructies ontvangen, zowel mondeling als schriftelijk. (…) We hebben duidelijk uitleg gekregen over het inboeken als gevonden geld. Die uitleg kregen we per brief, maar ook [naam 4] heeft dat aan ons uitgelegd. Ik weet 100% zeker dat [naam 4] dit aan [verzoeker] en [naam 2] heeft uitgelegd. [naam 4] heeft het namelijk aan iedereen uitgelegd.
De verklaring van de heer [naam 5]

Tijdens de overgang van onze systemen van cash naar cashless is iemand van het hoofdkantoor (Kerkrade) naar ons center ( [plaats] ) gekomen om uitleg te geven over alle administratieve handelingen die we met nieuwe systeem konden voeren. Daarbij is ook aangegeven hoe je om moet gaan met achtergelaten credits dat je deze moet inboeken als “gevonden geld”.
De verklaring van mevrouw [naam 6]

Toen wij overgingen van cash geld naar cashless werd ons door mensen van het hoofdkantoor ( [naam 7] ) uitgelegd hoe je met achtergelaten credits en openstaande transacties moest omgaan. Dat moest worden ingeboekt als gevonden geld. [naam 8] en [naam 4] hebben ons dat nadien nogmaals uitgelegd; zij hadden daar meer handigheid in omdat zij vroeger de geldstroom verwerkten. Zij hebben dat aan iedereen, ook aan [naam 2] en [verzoeker] , uitgelegd. Ook is toen over de fooi gesproken. [naam 4] legde toen uit dat achtergelaten of gegeven passen of achtergelaten en gegeven credits nooit als fooi mogen worden aangenomen.
De verklaring van mevrouw [naam 9]

[naam 4] , onze casinomanager, heeft mij en andere collega’s afzonderlijk een uitleg gegeven over het nieuwe systeem (cashless). Daar kwam ook de beslisboom bij aan bod en de manier waarop het in het nieuwe systeem moest worden weggeboekt. Ik weet niet of [naam 4] ook [naam 2] en [verzoeker] afzonderlijk heeft gesproken (ik werkte toen een andere dienst), maar ik neem aan van wel.
2.5.
Hoewel deze vijf medewerkers allemaal verklaren dat er uitleg is gegeven over het nieuwe cashless systeem, volgt uit de verklaringen niet wanneer deze uitleg heeft plaatsgevonden. De verklaringen lijken op dit punt tegenstrijdig te zijn met hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht. Fair Play heeft in haar verweerschrift en ter zitting immers gesteld dat er in november 2024 en februari 2025 uitleg zou zijn gegeven. Dit is ook zo opgenomen in de ontslagbrief aan [verzoeker] . De medewerkers hebben echter verklaard dat er uitleg is gegeven bij de overgang naar het nieuwe systeem. Dit lijkt te suggereren dat dit al in juni 2024 (of kort daarna) is geweest. Van een uitleg op een later moment blijkt niets uit deze verklaringen.
2.6.
Uit de verklaringen volgt bovendien niet dat [verzoeker] bij de uitleg aanwezig was. Behalve mevrouw [naam 1] heeft geen van de medewerkers verklaard over de aanwezigheid van [verzoeker] . Zij hebben niet verklaard [verzoeker] bij die uitleg te hebben gezien. Met betrekking tot de verklaring van [naam 1] overweegt de kantonrechter dat deze ook op dit punt tegenstrijdig lijkt met wat zij op de mondelinge behandeling heeft aangegeven. Op die zitting heeft zij immers gezegd dat zij de instructies op enig moment na 13 februari 2025 nogmaals heeft besproken met het personeel dat op 13 februari 2025 niet werkte. Uit haar schriftelijke verklaring volgt echter dat ze op de dag van de uitleg door iemand van het hoofdkantoor de hele dag in het center is geweest omdat ze de uitleg aan iedereen persoonlijk wilde geven. Ook verklaart zij dat [verzoeker] daar die dag bij aanwezig was. Uit deze verklaring volgt dus niet dat ze de uitleg op een later moment aan [verzoeker] heeft gegeven zoals eerder betoogd.
2.7.
Al met al is de kantonrechter van oordeel dat Fair Play niet in de aan haar gegeven bewijsopdracht is geslaagd. Fair Play heeft in haar e-mail van 1 september 2025 aangegeven in dat geval de medewerkers (alsnog) als getuigen te willen laten horen maar daartoe krijgt zij niet de gelegenheid. In de tussenbeschikking is aan Fair Play de mogelijkheid tot bewijslevering geboden en het is aan Fair Play om de wijze waarop zij dat wenst te doen vorm te geven. In dit geval heeft zij ervoor gekozen om schriftelijke verklaringen in te dienen. Hiermee is de mogelijkheid tot bewijslevering geëindigd. Indien Fair Play deze medewerkers als getuigen had willen laten horen, had zij daar meteen voor moeten kiezen.
2.8.
Nu Fair Play niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, heeft zij niet aangetoond dat het beleid ten aanzien van het ontvangen van fooien voldoende duidelijk was voor [verzoeker] ten tijde van de aan hem verweten gedragingen. In de tussenbeschikking is al geoordeeld dat dit ertoe leidt dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De gevraagde verklaring voor recht op dit punt zal dan ook worden toegewezen.
Non-concurrentiebeding
2.9.
[verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling zijn verzoek vermeerderd en verzocht het non-concurrentiebeding buiten toepassing te verklaren dan wel te matigen. Fair Play heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering omdat dit volgens haar te laat in de procedure is gedaan.
2.10.
De kantonrechter volgt Fair Play hierin niet. Uit artikel 283 juncto 130 Rv volgt dat een verzoeker bevoegd is zijn verzoek of de gronden daarvan te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gewezen. De vermeerdering van het verzoek op de mondelinge behandeling is in beginsel toegestaan, tenzij deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Fair Play heeft niet aangevoerd dat zij met deze late vermeerdering in haar belangen is geschaad en de kantonrechter acht dit ook niet aan de orde. De grondslag voor de vermeerdering is summier weergegeven. Fair Play heeft hierop ter zitting kunnen reageren. De kantonrechter zal de vermeerdering van het verzoek dan ook toestaan en hierop beslissen.
2.11.
In het voorgaande is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Een ongeldig ontslag wordt als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever aangemerkt. Gelet op artikel 7:653 lid 4 BW kan Fair Play daarom geen rechten meer ontlenen aan het non-concurrentiebeding. Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot het buiten toepassing verklaren dan wel matigen van dat beding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Transitievergoeding
2.12.
[verzoeker] verzoekt Fair Play te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding. Fair Play betwist dat zij gehouden is om deze vergoeding aan [verzoeker] te betalen omdat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft daartoe echter dezelfde argumenten aangevoerd als die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Hiervan heeft de kantonrechter hiervoor geoordeeld dat deze het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen. Fair Play heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het handelen van [verzoeker] desondanks wel als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De kantonrechter zal Fair Play dan ook veroordelen tot het betalen van de wettelijke transitievergoeding aan [verzoeker] . De kantonrechter ziet geen aanleiding om de transitievergoeding te matigen zoals Fair Play subsidiair heeft verzocht.
2.13.
Fair Play heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de verzochte transitievergoeding. Volgens haar bedraagt de vergoeding geen € 2.633,58 maar € 2.631,59 bruto. De kantonrechter volgt Fair Play hierin echter niet. Uit de berekening die Fair Play in het geding heeft gebracht, volgt dat zij 13 maart 2025 heeft aangehouden als laatste dag van het dienstverband. Het ontslag op staande voet is echter gegeven op 14 maart 2025 zodat de transitievergoeding per die dag dient te worden berekend. De transitievergoeding zal dan ook worden toegewezen zoals verzocht. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 15 april 2025.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
2.14.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. De door Fair Play in acht te nemen opzegtermijn bedraagt 1 maand, waarbij de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd tegen het einde van de maand. De vergoeding is dus gelijk aan het salaris over de periode van 14 maart 2025 tot en met 30 april 2025, te weten € 3.448,19 bruto. Fair Play heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 maart 2025.
Billijke vergoeding
2.15.
Hiervoor is al geoordeeld dat Fair Play ernstig verwijtbaar heeft gehandeld met het ongeldig gegeven ontslag op staande voet. Ook het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom toegewezen.
2.16.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
2.17.
[verzoeker] werkte sinds 2021 bij Fair Play. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het dienstverband zonder het ontslag op staande voet op korte termijn zou zijn geëindigd. Fair Play heeft weliswaar aangevoerd dat het handelen van [verzoeker] heeft geleid tot een vertrouwensbreuk maar dat een verzoek tot ontbinding op die grond zou zijn toegewezen is niet zonder meer aannemelijk. Immers is niet komen vast te staan dat [verzoeker] op de hoogte was van de instructies. Dat het handelen in strijd met die instructies kan hebben geleid tot een vertrouwensbreuk, is dan ook zeer de vraag. Het is dan ook aannemelijk dat [verzoeker] nog voor langere tijd in dienst zou zijn geweest van Fair Play. Gelet op het onterecht gegeven ontslag op staande voet is het in ernstige mate aan Fair Play verwijtbaar dat het dienstverband is geëindigd. [verzoeker] heeft een te verwachten inkomensschade tot uitgangspunt genomen bij de onderbouwing van de door hem verzochte vergoeding. [verzoeker] stelt dat hij – zonder het ontslag – in ieder geval nog twee jaar bij Fair Play zou hebben gewerkt. De gemiste looncomponent is volgens hem daarom € 52.356,24. Hoewel deze inkomensschade zou zijn beperkt wanneer het ontslag op staande voet zou zijn vernietigd, kan in dit geval niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen dat hij daarvan heeft afgezien. Gelet op de beschuldiging van Fair Play aan het adres van [verzoeker] acht de kantonrechter het voorstelbaar dat [verzoeker] geen behoefte heeft aan terugkeer op de werkvloer bij Fair Play.
2.18.
Hier staat tegenover dat niet is gebleken van omstandigheden waaruit moet worden afgeleid dat [verzoeker] niet binnen afzienbare tijd weer elders aan de slag zou kunnen. De kantonrechter overweegt in dit kader dat Fair Play geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding zodat dit beding geen belemmering meer vormt voor [verzoeker] om een ander dienstverband te kunnen aanvaarden. [verzoeker] heeft zich weliswaar kort voor het ontslag op staande voet ziek gemeld maar deze ziekmelding kwam nadat hij op non-actief is gesteld. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling aangegeven nog steeds arbeidsongeschikt te zijn maar hij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Zonder deze onderbouwing is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] nog langere tijd zal duren en aan een nieuw dienstverband in de weg zal staan. De kantonrechter acht het verder aannemelijk dat [verzoeker] met een andere baan een gelijkwaardig salaris kan verdienen als het salaris dat hij bij Fair Play verdiende.
2.19.
Anders dan Fair Play ziet de kantonrechter geen aanleiding om de vergoeding wegens onregelmatige opzegging in mindering te brengen op de billijke vergoeding. In dat geval zou [verzoeker] in onvoldoende mate worden gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van Fair Play. Ook de transitievergoeding wordt niet in mindering gebracht. De transitievergoeding is een wettelijk recht en [verzoeker] zou deze ook hebben ontvangen als de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou zijn opgezegd.
2.20.
Gelet op al deze omstandigheden acht de kantonrechter een aan [verzoeker] toe te kennen vergoeding van € 6.500,00 billijk. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan, in combinatie met de hiervoor in 2.14. toegekende vergoeding wegens onregelmatige opzegging, voldoende preventieve werking zal uitgaan. Zij ziet dan ook geen aanleiding om hier nog een afzonderlijk schadecomponent voor op te nemen in de vergoeding zoals door [verzoeker] is verzocht. De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 maart 2025.
Ingehouden gefixeerde schadevergoeding
2.21.
Fair Play heeft op het loon van maart 2025 de zogenaamde gefixeerde schadevergoeding van € 2.181,51 bruto ingehouden. Nu het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, is de rechtsgrond voor die inhouding vervallen. Uit de loonstrook volgt dat de inhouding een hoger bedrag betreft dan het loon dat tot 14 maart 2025 aan [verzoeker] is verschuldigd. Door de inhouding heeft [verzoeker] geen salaris ontvangen over de periode van 1 tot 14 maart 2025. Fair Play moet dit loon alsnog betalen. Fair Play heeft niet weersproken dat dit neerkomt op een netto bedrag van € 1.372,99 zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente.
Vakantiegeldreserve en niet genoten vakantiedagen
2.22.
[verzoeker] maakt aanspraak op uitbetaling van de vakantiereserve die volgens de loonstrook € 1.765,96 bedraagt en op uitbetaling van het saldo van niet genoten vakantiedagen. Fair Play heeft geen verweer gevoerd tegen het bestaan van deze aanspraken maar zij stelt zich op het standpunt dat zij deze heeft mogen verrekenen met de gefixeerde schadevergoeding. Hiervoor is al overwogen dat de rechtsgrond voor die inhouding is vervallen zodat dit verweer niet slaagt. De verzoeken van [verzoeker] zullen dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bruto/netto specificatie
2.23.
Fair Play wordt veroordeeld tot het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie waarop de hiervoor vermelde bedragen zijn verwerkt.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.24.
[verzoeker] heeft ten slotte vergoeding gevraagd van buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten zullen echter worden afgewezen. [verzoeker] heeft zijn stelling dat hij buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken onvoldoende onderbouwd. Als gevolg hiervan is niet gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van Fair Play, omdat zij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Fair Play. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.311,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 1.086,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven,
3.2.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 6.500,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
3.3.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 3.448,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
3.4.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 2.633,58 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
3.5.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] een bedrag te betalen van € 1.372,99 netto aan loon over de periode van 1 maart tot 14 maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele betaling,
3.6.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] een bedrag te betalen van € 1.765,96 bruto aan vakantiegeldreserve, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele betaling,
3.7.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] het saldo van niet opgenomen vakantiedagen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele betaling,
3.8.
veroordeelt Fair Play om aan [verzoeker] een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken waarop voormelde bedragen zijn verwerkt,
3.9.
veroordeelt Fair Play in de proceskosten van € 1.311,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Fair Play niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
3.10.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.11.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.