ECLI:NL:RBZWB:2025:7774

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
24/5815
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 WooArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Woo-verzoek over voormalige onderneming

Eiser heeft op 27 mei 2024 een verzoek ingediend bij de staatssecretaris van Financiën op grond van de Wet open overheid (Woo) met betrekking tot informatie over zijn voormalige onderneming. De staatssecretaris heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken een besluit genomen, waardoor eiser op 6 augustus 2024 de staatssecretaris in gebreke stelde. Na het verstrijken van de ingebrekestelling heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Tijdens een regiezitting op 5 juni 2025 is het grote aantal beroepen van eiser besproken. De staatssecretaris heeft verzocht om uitspraak zonder nadere zitting, hetgeen door eiser is toegestaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de beslistermijn ruimschoots is overschreden.

De rechtbank legt de staatssecretaris op om binnen vier weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van €100 per dag vertraging tot een maximum van €15.000. Tevens moet de staatssecretaris het griffierecht van €187 aan eiser vergoeden. Het beroep wordt daarmee toegewezen en het niet tijdig beslissen vernietigd.

Uitkomst: De staatssecretaris moet binnen vier weken alsnog een besluit nemen en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5815

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] , eiser
en

De Staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. R.P. Vaarnold).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft dit verzoek gedaan op 27 mei 2024. Hij heeft verzocht om informatie die ziet op het voorkomen van zijn voormalige [onderneming] .
1.1.
Op 5 juni 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij met partijen onder meer gesproken is over het grote aantal beroepen niet tijdig beslissen dat door eiser is ingediend. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.2.
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft de staatssecretaris de rechtbank verzocht om in dit beroep zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft hiervoor ook toestemming gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 27 mei 2024. De staatssecretaris moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. [2] Dat staat in artikel 4.4, eerste lid van de Woo. De staatssecretaris had dus uiterlijk op 24 juni 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de staatssecretaris moet beslissen is inmiddels ruimschoots voorbij. Eiser heeft de staatssecretaris op 6 augustus 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de staatssecretaris worden opgelegd?
4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De staatssecretaris heeft uitgelegd dat hij gelet op het vele aantal procedures van eiser meer tijd nodig heeft. De rechtbank vindt dat in dit specifieke geval een goede reden. De staatssecretaris moet daarom het besluit nemen binnen vier weken na het verzenden van de uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de staatssecretaris opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de staatssecretaris de onder 4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de staatssecretaris de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 13 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4.4, eerste lid van de Woo