ECLI:NL:RBZWB:2025:7598

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
25/3955 WMO15 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening traplift, ophoging trottoir en dwangsommen

Verzoekster diende op 11 augustus 2025 een verzoek in voor een voorlopige voorziening met betrekking tot een traplift, ophoging van het trottoir en dwangsommen tegen het college van burgemeester en wethouders van Breda.

De voorzieningenrechter constateerde dat het college op 5 september 2025 een traplift heeft toegekend, waardoor het spoedeisend belang voor deze voorziening is komen te vervallen. Ten aanzien van de ophoging van het trottoir stelde de rechter vast dat de door verzoekster overgelegde ergotherapie-rapportage onvoldoende onderbouwt dat een steilere oprijplank niet mogelijk is, en dat het college een minder ingrijpende oplossing heeft voorgesteld.

Wat betreft de dwangsommen oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie die spoedeisendheid rechtvaardigt. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor traplift, ophoging trottoir en dwangsommen wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3955

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster(gemachtigde: [gemachtigde] )

en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda(het college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster met betrekking tot een traplift, ophoging van het trottoir en dwangsommen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoekster heeft op 11 augustus 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In haar verzoek geeft verzoekster aan op 22 juli 2025 een aanvraag te hebben ingediend bij het college voor een traplift. Daarnaast heeft verzoekster aangegeven het college op 28 juli 2025 gevraagd te hebben om de ingang voor haar woning op te hogen ten behoeve van haar rolstoel. In een e-mail van 10 oktober 2025 heeft verzoekster aangegeven dat haar verzoek om voorlopige voorziening tevens ziet op het besluit van het college tot afwijzing van dwangsommen. Verzoekster heeft besluiten van het college van 21 augustus 2025 en 5 september 2025 overgelegd, waarbij door verzoekster gevorderde dwangsommen zijn afgewezen.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het besluit van 5 september 2025 blijkt dat het college diezelfde dag heeft besloten tot toekenning van een traplift aan verzoekster. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekster geen (spoedeisend) belang meer heeft bij de gevraagde voorziening waar het de traplift betreft.
3.2.
Ten aanzien van de gevraagde ophoging van het trottoir overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De hulpvraag van verzoekster in het kader van de Wmo ziet op het kunnen betreden van haar woning. Verzoekster heeft een adviesrapportage ergotherapie van 26 september 2025 overgelegd en stelt met verwijzing naar deze rapportage dat het ophogen van het trottoir de enige optie is vanwege de door de ergotherapeut aanbevolen hellinghoek. Het college stelt dat tijdens het huisbezoek andere opties mogelijk zijn gebleken, waaronder een wegneembare oprijplank. Deze oprijplank is volgens het college niet te steil, omdat verzoekster altijd met hulp van een Wlz-verzorgende de woning in en uit zal gaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de rapportage van de ergotherapeut nog niet komen vast te staan dat een steilere oprijplank dan een oprijplank met de door de ergotherapeut aanbevolen hellinghoek niet tot de mogelijkheden zou behoren. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat de door het college genoemde oprijplank al dan niet tijdelijk toegepast kan worden in afwachting van de uitkomst van de door verzoekster te voeren procedure. Voor de voorzieningenrechter is dan ook niet vast komen te staan dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening ter zake de ophoging van het trottoir.
3.3.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van de dwangsommen dat, zoals onder 2. staat beschreven, sprake dient te zijn van "onverwijlde spoed" wil de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Bij een financieel geschil, zoals over een dwangsom, is daar niet snel sprake van. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.
3.4.
Verzoekster heeft op 10 oktober 2025 in een e-mail aangegeven dat haar moeder gelet op haar levensverwachting niet kan wachten op een beslissing op bezwaar tegen de besluiten van 28 augustus 2025 en 5 september 2025. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster belang heeft bij een spoedige beslissing, volgt uit deze toelichting niet dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. De conclusie is dan ook dat er ook ten aanzien van de verzochte dwangsommen geen spoedeisend belang is.
4. De conclusie is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 6 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.