ECLI:NL:RBZWB:2025:7588

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/02/441142 / JE RK 25-1899
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onhoudbare thuissituatie met fysiek geweld

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2008, wegens een onhoudbare thuissituatie waarin sprake is van fysiek geweld tussen de minderjarige en zijn moeder. De minderjarige is onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026 en was reeds spoedig uit huis geplaatst van 23 oktober tot 6 november 2025.

Tijdens de zitting op 31 oktober 2025, met gesloten deuren, zijn de moeder en een vertegenwoordiger van de GI gehoord. De minderjarige heeft in een kindgesprek aangegeven de situatie thuis onveilig te vinden, erkent de noodzaak van uithuisplaatsing en vraagt om intensievere hulpverlening dan tot nu toe geboden.

De GI heeft onderbouwd dat er al jaren sprake is van een gespannen opvoedomgeving met meldingen van kindermishandeling en fysieke agressie. De escalatie op 22 oktober 2025 leidde tot politie-inzet. Zowel moeder als minderjarige erkennen dat de thuissituatie onhoudbaar is. De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is ter bescherming van de fysieke en emotionele veiligheid van alle betrokkenen.

De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 27 mei 2026 en wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt de noodzaak van specialistische hulpverlening voor de minderjarige, aangezien het huidige traject stopt door de uithuisplaatsing. De moeder ondersteunt deze aanpak en ziet mogelijkheden voor verdere begeleiding indien terugkeer thuis niet mogelijk is.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 27 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441142 / JE RK 25-1899
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: [naam] te [plaats] .

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het verdere procesverloop bestaat uit:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 23 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het stelbericht van mr. Doorakkers van 24 oktober 2025.
1.2.
Op 31 oktober 2025 heeft de kinderrechter het resterende verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft hij gebruik gemaakt op 30 oktober 2025. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige 1] hem heeft verteld. Kort samengevat, kan [minderjarige 1] zich vinden in het verzoek. Hij ziet in dat het thuis niet meer veilig is. Als zijn emoties hoog oplopen, kan hij zichzelf niet onder controle houden. [minderjarige 1] zegt hulpverlening te ontvangen, maar de hulpverlening die hij krijgt is te oppervlakkig. Volgens [minderjarige 1] is er diepgaande hulpverlening nodig. [minderjarige 1] is ook akkoord met een verzochte duur van de uithuisplaatsing, omdat hij er vertrouwen in heeft dat wanneer hulpverlening het weer mogelijk acht, hij weer naar huis zal gaan.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI tot 27 mei 2026.
2.3.
Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 23 oktober 2025 tot 6 november 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor: De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de thans resterende duur van twee weken.
3.2.
Aansluitend verzoekt de GI, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.Het (nadere) standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Binnen het gezin is sprake van fysiek geweld naar elkaar. In 2022 en 2023 zijn er meldingen binnengekomen van kindermishandeling. [minderjarige 1] en zijn jongere zus [minderjarige 2] verkeren al jaren in een zeer onrustige en spanningsvolle opvoedomgeving waarin rust, structuur en veiligheid ontbreekt.
4.2.
Gezien wordt dat [minderjarige 1] het gezag van zijn moeder niet accepteert. Hierdoor ontstaan conflicten, waarbij sprake is van fysieke agressie en weglopen door [minderjarige 1] . De GI maakt zich hierover grote zorgen. De GI is ermee bekend dat [minderjarige 1] zichzelf ook zorgen maakt over de situatie en hoe hij omgaat met spanning. [minderjarige 1] reageert vaak fysiek agressief tegen deuren en spullen. De moeder heeft in haar boosheid onvoldoende oog voor de gevoelens en emoties van [minderjarige 1] .
4.3.
Op 22 oktober 2025 is het tussen [minderjarige 1] en de moeder geëscaleerd. [minderjarige 1] had zijn moeder in een houtgreep en politiebetrokkenheid was nodig om ervoor te zorgen dat [minderjarige 1] weer rustig werd. De moeder heeft de GI op 23 oktober 2025 te kennen gegeven dat de thuissituatie niet langer houdbaar is en er iets moet gebeuren. Na intern overleg heeft de GI hierop geacteerd door een spoedverzoek te doen. De GI acht een machtiging tot uithuisplaatsing nodig om de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] , de moeder en zusje [minderjarige 2] te waarborgen.
4.4.
Desgevraagd merkt de GI op dat binnen de ondertoezichtstelling zowel systemische hulpverlening ingezet in de vorm van MST-Can als individuele hulpverlening voor [minderjarige 1] vanuit [hulpverlening] is ingezet. Beide hulpverleningstrajecten zijn recent gestart. Nu [minderjarige 1] uit huis is geplaatst, zal het traject van MST-Can voor hem stoppen. De GI is zich ervan bewust dat er voor [minderjarige 1] moet worden gekeken naar de inzet van andere (specialistische) hulpverlening. De GI vindt het belangrijk om dit samen met [minderjarige 1] , de moeder en betrokken hulpverlening te bespreken.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. Volgens de moeder is er al veertien jaar lang hulpverlening bij het gezin betrokken, echter zonder het gehoopte resultaat. De spanning is opgelopen en dat heeft geleid tot een escalatie op 22 oktober 2025. Het lukt de moeder niet meer om de veiligheid te waarborgen. De moeder ziet, nu [minderjarige 1] niet thuis woont, dat de rust voor de moeder en [minderjarige 2] is teruggekomen. Zij hoopt dat [minderjarige 1] nu de hulp krijgt die hij nodig heeft. Wanneer blijkt dat een thuisplaatsing geen optie meer is, kan nog gekeken worden naar de inzet van zelfstandigheidstraining of een traject in het kader van begeleid wonen.

6.De (nadere) beoordeling

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6.1.
Bij voormelde beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend tot 6 november 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Het overige deel van het spoedverzoek is aangehouden. De GI en de moeder zijn thans door de kinderrechter gehoord. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de zitting is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking.
6.2.
Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere deel van het verzoek, zal hij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen.
Aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing
6.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Uit de overlegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting, is gebleken dat er zorgen bestaan over het gezin. Al langere tijd is bekend dat er binnen het gezin sprake is van fysieke agressie tussen de moeder en [minderjarige 1] . Hierdoor komt de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] , de moeder en zusje [minderjarige 2] ernstig in het gedrang. Zowel de moeder als [minderjarige 1] geven aan bang te zijn dat het (opnieuw) zal escaleren als de situatie blijft zoals deze is. Samen met de GI maakt de kinderrechter zich hierover grote zorgen. Een nieuwe escalatie, met alle gevolgen van dien, moet worden voorkomen. De kinderrechter ziet geen andere mogelijkheid om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlenen. Gebleken is dat hij op dit moment niet terug naar huis kan. Het risico op meer escalaties is daarvoor te groot. Een netwerk wat in kan springen, is er niet.
6.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het reguliere deel van het verzoek toewijzen. Dit betekent dat er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal worden verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 27 mei 2026.
6.6.
De kinderrechter merkt daarbij op dat bezien moet worden welke hulpverlening er voor [minderjarige 1] nodig is. In zijn eigen woorden geeft hij aan dat er intensievere c.q. specialistische hulpverlening nodig is. Dit moet serieus worden genomen. Nu gebleken is dat MST-Can voor [minderjarige 1] stopt, omdat hij niet thuis woont, moeten er andere alternatieven voor hem worden gezocht. Tijdens de zitting is besproken dat de GI daarbij, naast hulpverlening die ziet op de agressie-regulatie, (ook) kan denken aan hulpverlening in het kader van diagnostiek en nader onderzoek. De moeder beaamt het belang hiervan.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 november 2025 tot 27 mei 2026;
7.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.