De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2008, wegens een onhoudbare thuissituatie waarin sprake is van fysiek geweld tussen de minderjarige en zijn moeder. De minderjarige is onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026 en was reeds spoedig uit huis geplaatst van 23 oktober tot 6 november 2025.
Tijdens de zitting op 31 oktober 2025, met gesloten deuren, zijn de moeder en een vertegenwoordiger van de GI gehoord. De minderjarige heeft in een kindgesprek aangegeven de situatie thuis onveilig te vinden, erkent de noodzaak van uithuisplaatsing en vraagt om intensievere hulpverlening dan tot nu toe geboden.
De GI heeft onderbouwd dat er al jaren sprake is van een gespannen opvoedomgeving met meldingen van kindermishandeling en fysieke agressie. De escalatie op 22 oktober 2025 leidde tot politie-inzet. Zowel moeder als minderjarige erkennen dat de thuissituatie onhoudbaar is. De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is ter bescherming van de fysieke en emotionele veiligheid van alle betrokkenen.
De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 27 mei 2026 en wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt de noodzaak van specialistische hulpverlening voor de minderjarige, aangezien het huidige traject stopt door de uithuisplaatsing. De moeder ondersteunt deze aanpak en ziet mogelijkheden voor verdere begeleiding indien terugkeer thuis niet mogelijk is.