ECLI:NL:RBZWB:2025:7579

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/02/439260 / JE RK 25/1577
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • P.F.M. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en hulpverleningstraject

De kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 oktober 2025 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen van 9 oktober 2025 tot 9 november 2025. Dit besluit volgt op een verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, die de ondertoezichtstelling sinds oktober 2024 uitvoert.

De minderjarige verblijft met zijn moeder en halfzusje bij een hulpverleningsinstelling en neemt deel aan diverse therapeutische trajecten, waaronder systeemtherapie en het NIKA-traject. De moeder werkt mee aan de hulpverlening, maar er blijven zorgen over haar opvoedvaardigheden, emotionele beschikbaarheid en het patroon van huiselijk geweld, mede door haar relatie met de vader van de halfzus.

De vader van de minderjarige stemt in met de verlenging, ondanks zijn teleurstelling over de situatie. De rechtbank acht het noodzakelijk de ondertoezichtstelling te verlengen voor een korte periode van één maand, mede vanwege het niet verschijnen van de ouders door ziekte. De beslissing op het resterende verzoek wordt aangehouden tot een nieuwe zitting, waarbij een schriftelijk verslag van de hulpverlening wordt verwacht.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De ouders en de gecertificeerde instelling worden opgeroepen voor de vervolgzitting om de voortgang van de hulpverlening te bespreken en verdere beslissingen te nemen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor één maand met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439260 / JE RK 25/1577
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
bijgestaan door mr. D. Boudrad,
[de vader] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
bijgestaan door mr. S. Klootwijk.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek van de GI, met bijlagen;
1.2
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- mr. P.F.M. Gulickx waarnemend advocaat van de vader;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Over [minderjarige 1] zijn de ouders gezamenlijk met het gezag belast.
2.2.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 oktober 2024 tot 9 oktober 2025. Bij beschikking van 5 februari 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 6 februari 2025 tot 9 oktober 2025.
2.3.
[minderjarige 1] verblijft met de moeder en zijn halfzusje bij Sterk Huis op de observatieafdeling met 24-uurs begeleiding [hulpverlening] .

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van één jaar en om de beslissing uitvoerbaar te verklaren.

4.Het standpunt van de verzoeker

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk samengevat en mondeling aanvullend aangevoerd dat [minderjarige 1] eind januari 2025 met spoed uit huis is geplaatst wegens zorgen over de situatie van de moeder. Meer specifiek wordt benoemd het niet nakomen van het veiligheidsplan, de verslechterde hygiëne in de woning, het niet nakomen van afspraken met hulpverleners, het niet nakomen van afspraken met de Safe Group voor [minderjarige 1] , het schoolverzuim van [minderjarige 1] , het opnieuw hebben van een nestje met puppy’s en het wisselend in contact zijn met de vader van halfzus [minderjarige 2] , pleger van huiselijk geweld.
4.2.
[minderjarige 1] verbleef in een neutraal (crisis) gezinshuis buiten de regio. De insteek van het traject was dat de moeder samen met [minderjarige 1] en halfzusje [minderjarige 2] aan het [hulpverlening] traject van Sterk Huis zou deelnemen. [minderjarige 1] had in deze periode videobel ontact met zijn vader en moeder. Er was begeleid contact met de moeder in het gezinshuis. De vader haalde [minderjarige 1] om het weekend op volgens de oorspronkelijke zorgregeling. De moeder liet weten dat zij het contact met de vader van [minderjarige 2] had verbroken nadat zij opnieuw het slachtoffer was geworden van huiselijk geweld. Zij kreeg vervolgens begeleiding vanuit de Safe Group, die door Sterk Huis na de plaatsing zou worden overgenomen.
4.3.
Per 7 april 2025 zouden de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geplaatst worden bij [hulpverlening] . Echter is die plaatsing enkele dagen vóór aanvang uitgesteld wegens zorgen vanuit Thuisvester. Die zorgen waren dat de vader van [minderjarige 2] dagelijks in de woning bij de moeder aanwezig was, terwijl de GI in de veronderstelling was dat de moeder nog steeds uit het contact was met hem, dat er veel overlast in de vorm van schreeuwen vanuit de woning te horen was, dat de hond in de woning zorgde voor (stank)overlast en dat de moeder een flinke huurachterstand had. Er was sprake van zodanige zorgen dat de moeder het risico liep uit haar woning gezet te worden. De plaatsing bij Sterk Huis kon daardoor niet door gaan. Ook liet Sterk Huis weten dat de moeder openheid diende te geven over het contact met de vader van [minderjarige 2] om het traject een kans van slagen te laten hebben. Vastgesteld werd dat de moeder niet uit de afhankelijkheidsrelatie met de vader van [minderjarige 2] wist te stappen. Er wordt een patroon gezien, waarbij de moeder in contact is met deze man, hoewel zij dit ontkent richting de hulpverlener, dat zij vervolgens de relatie met deze man verbreekt en dit vervolgens escaleert en resulteert in meerdere politiemeldingen, waarop zij hulpverlening aangaat en vervolgens opnieuw in dezelfde situatie belandt.
4.4.
Van Thuisvester heeft de moeder een laatste-kans-contract gekregen, inhoudende dat zij een nieuwe woning toegewezen krijgt onder de voorwaarde dat zij schuldhulp-verlening en persoonlijke hulp moet accepteren, dat er niemand anders in de woning mag verblijven dan zijzelf en eventueel de kinderen in de toekomst en dat de woning schoon blijft. Verder heeft de moeder van de GI een brief ontvangen, waarin voorwaarden zijn opgenomen, waaraan zij zich dient te houden, die iedere vier weken worden geëvalueerd. Als zij zich aan deze voorwaarden houdt, kan zij geplaatst worden bij Sterk huis.
[minderjarige 1] is tijdelijk overgeplaatst naar een nieuw gezinshuis, omdat hij wegens de crisisperiode en het uitstellen van het [hulpverlening]-traject daar niet langer kon blijven. Daardoor kon hij starten op de school waar hij vóór de uithuisplaatsing al naartoe ging. Door het gezinshuis werd gezien dat er veel zorgen zijn over onverwerkte trauma’s bij [minderjarige 1] . Hij had regelmatig last van nachtmerries en hij sprak regelmatig over ruzies tussen de moeder en de vader van [minderjarige 2] . Ook liet hij blijken daardoor bang te zijn geweest. Op die momenten had [minderjarige 1] erg veel moeite om de structuur (op tijd naar bed gaan en zijn eten opeten) te volgen. Op school werd gezien dat, waar hij in het verleden veel bezig was met schietspelletjes en politie spelen, [minderjarige 1] rustiger was na de uithuisplaatsing.
4.5.
In het bezoekcontact met de moeder onder begeleiding, werd gezien dat de moeder leerbaar is, dat zij regelmatig advies vroeg aan de omgangsbegeleider hoe zij het beste kan reageren op de vragen van [minderjarige 1] en dat hij minder werd belast met volwassen zaken.
Bij de bezoeken met de vader werd een wisselend verloop gezien. Ook werd vastgesteld dat hij [minderjarige 1] regelmatig belastte met volwassen zaken, zoals het vertellen dat hij geen vertrouwen heeft in het opgroeien van [minderjarige 1] bij de moeder, dat hij geconfronteerd werd met onverwachte situaties, zoals het slapen bij vreemden en dat hij werd opgezadeld met geheimen. Wanneer de vader daarop werd aangesproken, reageerde hij daarop aanvallend. Ook werd een wisselend en onrustig verloop van de communicatie tussen de ouders gezien, waarbij de moeder tijdens de weekenden dat [minderjarige 1] bij de vader is veel druk bij de vader legde door het hele weekend door informatie over [minderjarige 1] te willen ontvangen. Ook werd gezien dat [minderjarige 1] spanning opbouwde richting de bezoeken met zijn ouders en dat hij tics ontwikkelde en fysiek onrustig was.
4.6.
Omdat werd vastgesteld dat de moeder niet uit de afhankelijkheidsrelatie met de vader van [minderjarige 2] kon stappen, is zij begeleiding vanuit de Safe Group blijven ontvangen. Omdat die vervolgens onvoldoende bleek en een opname noodzakelijk werd geacht, heeft Sterk Huis voorgesteld om de moeder gedurende zes weken op te nemen bij [de vrouwenopvang] zonder haar kinderen om te werken aan de onderliggende problematiek. Dit met de bedoeling dat aansluitend op het goed verlopen van dat traject alsnog het [hulpverlening] -traject met de kinderen kan starten. De moeder is vervolgens per 7 juli 2025 gestart bij [de vrouwenopvang]. Tijdens deze plaatsing gaf de moeder aan geen contact meer te hebben met de vader van [minderjarige 2] . Echter meldde de vader van [minderjarige 2] zich vervolgens bij de jeugdbescherming. Gebleken is dat hij graag weer een relatie wil met de moeder. De moeder heeft ook bevestigd weer contact te hebben met de vader van [minderjarige 2] , dat zij graag hun relatie willen voortzetten en dat zij het goed vinden als daar hulpverlening bij wordt betrokken. Hierop heeft de GI de moeder en de vader van [minderjarige 2] meerdere opties geboden. Zij hebben er vervolgens voor gekozen dat de moeder aan het [hulpverlening] -traject gaat deelnemen en dat beiden parallel daaraan systeemtherapie gaan volgen om aan de onveiligheid in hun relatie te werken. Intussen hebben de kinderen vooralsnog geen omgang met de vader van [minderjarige 2] .
4.7.
Vooruitlopend op de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de moeder bij [hulpverlening] heeft een intake plaatsgevonden voor systeemtherapie. Ook staat de moeder op de wachtlijst bij de GGZ voor traumaverwerking, gaat zij bewindvoering ontvangen en is er een opbouwschema gemaakt voor het contact tussen haar en de beide kinderen. Naast 24- uurs observatie en begeleiding zullen zij gaan deelnemen aan het NIKA-traject, gericht op het herstellen van de hechtingsrelaties tussen de moeder en beide kinderen. Ook zal [minderjarige 1] speltherapie krijgen. Verder zal de vader in de weekenden dat [minderjarige 1] bij hem verblijft observatiemomenten krijgen. Die zullen gedurende vier weken worden uitgevoerd, vervolgens zal een advies worden gegeven over wat passend is voor [minderjarige 1] in het contact met de vader.
4.8.
Inmiddels verblijft de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [hulpverlening] . Gezien wordt dat zij actief meewerkt aan de geboden hulpverlening en begeleiding. Met het oog op het traject van de moeder met de kinderen is door de GI een beslissing einde plaatsing opgesteld, die ter toetsing is voorgelegd aan de Raad voor de Kinderbescherming. Daarop is door de Raad aangegeven dat wordt ingestemd met de beslissing einde plaatsing onder de voorwaarde dat de plaatsing van de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in stand blijft. De beslissing van de Raad zal nog schriftelijk aan de rechtbank tevens in afschrift aan de advocaten van de ouders worden bevestigd.
4.9.
In de huidige opstelling van de vader van [minderjarige 1] bemerkt de GI vooral gevoelens van teleurstelling. Aangenomen wordt dat die verband houden met zijn wens om [minderjarige 1] bij hem te laten opgroeien in het geval dat het laatste-kans-contract van de moeder niet mocht slagen. Bevestigd wordt dat de jeugdbeschermer in dat verband met de vader heeft gesproken over observatiemomenten bij de vader thuis. Tijdens dat gesprek bleek dat de vader daarvoor open stond. Echter is daaropvolgend de houding van de vader naar de jeugdbeschermer veranderd en had dit een zodanige impact op de onderlinge samenwerking dat de noodzaak werd gezien om tot het geven van een aankondiging schriftelijke aanwijzing over te gaan. De GI benadrukt dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de vader in zijn leven een betekenisvolle rol blijft vervullen en dat er tussen hen beiden contact blijft plaatsvinden. Daarom betreurt zij dat de hiervóór beschreven situatie ook van invloed is gebleken op het verloop van de contactregeling tussen [minderjarige 1] en de vader en op de communicatie daarover tussen de ouders, zodanig dat [minderjarige 1] daarin klem is geraakt en de GI zich daarom genoodzaakt zag om te zorgen voor begeleiding bij de contacten.
4.10.
Op grond van al het voorgaande handhaaft de GI haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van één jaar. Dit omdat [minderjarige 1] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, aangezien pas recent is gestart met therapeutische hulpverleningstrajecten op meerdere vlakken. Ook blijkt daarin nog steeds sturing vanuit de GI noodzakelijk, met name nu de moeder laat zien minder gemotiveerd te zijn voor het meewerken aan relationele therapie. Verder moeten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog aan hun nieuwe omgeving wennen. Daarnaast heeft de moeder nog de nodige stappen te maken bij het werken aan haar opvoedvaardigheden en haar emotionele beschikbaarheid en vragen [minderjarige 1] en zijn halfzusje ieder om een andere aanpak, gelet op hun voorgeschiedenis. Er is bovendien onvoldoende gewerkt aan het opheffen van de onveiligheid die [minderjarige 1] heeft ervaren in de thuissituatie bij de moeder. Het lukt de moeder nog steeds onvoldoende uit het patroon van huiselijk geweld te komen en ook geeft zij in dat opzicht onvoldoende openheid richting de hulpverlening. De GI acht zich niet in de positie om de moeder te verbieden met de vader van [minderjarige 2] een relatie te hebben, echter is het wel van belang dat zij en de vader van [minderjarige 2] zichtbaar aantonen dat zij tot fundamentele veranderingen weten te komen. Van belang is dat de GI ook daarop zicht kan blijven houden. Daarnaast dient specifieke aandacht uit te gaan naar de rol en positie van de vader van [minderjarige 1] in het geheel en de ontwikkelingen rondom de contactregeling tussen hem en [minderjarige 1] , waardoor laatstgenoemde klem is geraakt tussen zijn ouders.

5.De standpunten van de ouders

5.1.
De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat de moeder wegens ziekte niet in staat is ter zitting te verschijnen. De advocaat van de moeder begrijpt dat de kinderrechter haar bij voorkeur persoonlijk had willen bevragen over het verzoek en over de actuele stand van zaken. Daarover kan zij namens de moeder mededelen dat, sinds zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [hulpverlening] verblijft, er al veel hulpverlening is opgestart, te weten systeemtherapie en therapeutische hulpverlening in het kader van het NIKA-traject. Ook wordt inmiddels door de moeder naar de jeugdbeschermer en de betrokken hulpverlening openheid van zaken gegeven. Zoals het er nu naar uit ziet, zal het traject bij [hulpverlening] nog circa 10 weken doorlopen. Vervolgens wordt bekeken of een verlenging nodig is. De moeder begrijpt dat, gezien de gegeven omstandigheden, een verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige 1] nog noodzakelijk is. Daarom kan zij met het verzoek instemmen. Echter voor wat betreft de te bepalen duur van de ondertoezichtstelling wenst zij namens de moeder op te merken dat zij het van belang acht dat er over 3 of althans uiterlijk 6 maanden voor wat betreft de voortgang en het resultaat van de alsdan ingezette hulpverlening een tussentijds toetsingsmoment plaats vindt. Desgevraagd heeft de advocaat van de moeder aangegeven ook in te kunnen stemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor een kortere periode met bepaling van een nieuwe zittingsdatum binnen die termijn, waarbij de beslissing op het restantverzoek wordt aangehouden, opdat de moeder dan alsnog op het verzoek gehoord zal kunnen worden.
5.2.
De advocaat van de vader heeft naar voren gebracht dat hij kan bevestigen dat de vader door de wijze waarop in de afgelopen periode zaken zijn aangepakt teleurgesteld is geraakt. Het was en is de wens van de vader dat [minderjarige 1] bij hem komt te wonen en dat hij met de zorg over [minderjarige 1] wordt belast. Ook wordt in dat verband gewezen op eerdere gesprekken die met de jeugdbeschermer zijn gevoerd over een mogelijke plaatsing van [minderjarige 1] bij oma vaderszijde gedurende een periode, waarin het minder goed ging met de moeder. De vader heeft nog steeds weinig vertrouwen in de situatie van de moeder uit oogpunt van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . In het belang van [minderjarige 1] stemt de vader, hoe teleurstellend de situatie ook momenteel voor hem is, in met een verlenging van de ondertoezichtstelling als verzocht. Ook wordt namens de vader ingestemd met een beslissing, waarbij de ondertoezichtstelling voor een kortere periode wordt verlengd met bepaling van een nieuwe zittingsdatum binnen die termijn en de beslissing op het restantverzoek wordt aangehouden.

6.De beoordeling

6.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.3.
Uit de overgelegde stukken en uit de zitting blijkt dat de moeder inmiddels met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [hulpverlening] verblijft. Er is intussen gestart met systeemtherapie en met therapeutische hulpverlening in het kader van het NIKA-traject. Gezien wordt dat de moeder goed samenwerkt met de hulpverlening en begeleiding. In de aankomende periode zal moeten blijken of de ingezette en de nog in te zetten hulpverlening, waaronder ook speltherapie voor [minderjarige 1] en GGZ ondersteuning voor de moeder tot het resultaat leidt, dat de GI voor ogen heeft. Meer specifiek dient duidelijk te worden of de onveiligheid in het leven van [minderjarige 1] voldoende is opgeheven, of het de moeder lukt uit het patroon van huiselijk geweld te geraken/blijven en in verband daarmee hoe zij en de vader van [minderjarige 2] in de toekomst vorm aan hun relatie weten te geven en op welke wijze de vader van [minderjarige 1] in zijn leven een betekenisvolle rol kan (blijven) vervullen en er een stabiel en evenwichtig contact tussen hen beiden kan plaats vinden.
6.4.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de maatregel van ondertoezichtstelling verlengen, zij het dat in het niet verschijnen van de moeder wegens ziekte en van de vader aanleiding wordt gezien de duur daarvan te beperken tot een periode van één maand, waarbij de beslissing op het restantverzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Van de GI wordt verwacht dat zij dan een schriftelijk verslag - tevens in afschrift aan de advocaten - zal hebben ingediend over het verloop en resultaat van de alsdan ingezette hulpverlening.
6.5.
De kinderrechter zal de beslissing waarbij de ondertoezichtstelling wordt verlengd uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 9 oktober 2025 tot 9 november 2025;
7.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van
[datum] 2025 te [uur] uurbij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , Stationslaan 10, 4815 GW, in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beoordeling en roept de GI, de moeder en haar advocaat en de vader en zijn advocaat op om alsdan ter zitting te verschijnen;
7.4
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de moeder en haar advocaat en de vader en zijn advocaat;
7.5
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025 in tegenwoordigheid van Baremans, als griffier, en schriftelijk vastgelegd op 14 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.