Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een belastingrechtelijke zaak betreffende de WOZ-waarde van een woning in Oisterwijk. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 959.000 per 1 januari 2023, maar na bezwaar van de belanghebbende werd deze waarde verlaagd naar € 901.000. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde en de daaropvolgende aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. Tijdens de zitting op 29 oktober 2025 werd het beroep van de belanghebbende behandeld, waarbij hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. R. van Gerven. De heffingsambtenaar werd vertegenwoordigd door twee taxateurs.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel had geschonden, omdat deze niet adequaat had gereageerd op de grief van de belanghebbende met betrekking tot het achterstallige onderhoud van de woning. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover er geen proceskostenvergoeding was toegekend. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan de belanghebbende moest vergoeden en dat de belanghebbende recht had op een proceskostenvergoeding van € 2.461,-. De uitspraak werd gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.
De rechtbank benadrukte dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar voor het overige in stand blijven, en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met de waardebepaling van de woning. De belanghebbende had recht op een vergoeding van proceskosten, en de rechtbank paste het tarief voor 2025 toe. De uitspraak werd geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.