ECLI:NL:RBZWB:2025:7525

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
BRE 25/280
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde en proceskostenvergoeding in belastingrechtelijke zaak

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een belastingrechtelijke zaak betreffende de WOZ-waarde van een woning in Oisterwijk. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 959.000 per 1 januari 2023, maar na bezwaar van de belanghebbende werd deze waarde verlaagd naar € 901.000. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde en de daaropvolgende aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. Tijdens de zitting op 29 oktober 2025 werd het beroep van de belanghebbende behandeld, waarbij hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. R. van Gerven. De heffingsambtenaar werd vertegenwoordigd door twee taxateurs.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel had geschonden, omdat deze niet adequaat had gereageerd op de grief van de belanghebbende met betrekking tot het achterstallige onderhoud van de woning. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover er geen proceskostenvergoeding was toegekend. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan de belanghebbende moest vergoeden en dat de belanghebbende recht had op een proceskostenvergoeding van € 2.461,-. De uitspraak werd gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.

De rechtbank benadrukte dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar voor het overige in stand blijven, en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met de waardebepaling van de woning. De belanghebbende had recht op een vergoeding van proceskosten, en de rechtbank paste het tarief voor 2025 toe. De uitspraak werd geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/280
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 959.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Oisterwijk voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de waarde van de woning verlaagd naar € 901.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verlaagd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [belanghebbende] bijgestaan door gemachtigde mr. R. van Gerven, werkzaam bij Westpoint advocaten mediators en namens de heffingsambtenaar [naam 1] en [naam 2], taxateur.
1.4.
Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.

Overwegingen

2. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel. Het is niet vereist dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar alle grieven van belanghebbende benoemt en daarop ingaat, maar in dit geval is de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar volledig voorbijgegaan aan de grief van belanghebbende met betrekking tot het achterstallige onderhoud. De heffingsambtenaar heeft niet onderbouwd of daarmee rekening is gehouden. De heffingsambtenaar heeft dit ter zitting ook erkend. Het beroep is in zoverre gegrond.
2.1.
Zoals de heffingsambtenaar zelf ook heeft erkend, is in de bezwaarfase aan belanghebbende ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend. Het bestreden besluit komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking. .
2.2.
Belanghebbende betwist dat bij de waardebepaling van de woning voldoende rekening is gehouden met het achterstallige onderhoud en het voorzieningenniveau van de woning. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar bij de waardering daar voldoende rekening mee heeft gehouden. Uit de iWOZ-rapportages met bijbehorende foto’s blijkt waar de heffingsambtenaar de KOUDV-correctiefactoren op heeft gebaseerd. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan wat de heffingsambtenaar hierover ter zitting heeft toegelicht. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde voor de woning niet te hoog is vastgesteld. De rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar zullen daarom voor het overige in stand worden gelaten.
2.3.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Aangezien de uitspraak van de rechtbank in 2025 wordt gedaan, moet daarbij het tarief worden toegepast dat voor 2025 is vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde van € 647 per punt, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907 per punt, elk punt met een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar voor het overige in stand blijven;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.461,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is alleen ondertekend door de rechter omdat de griffier verhinderd is om deze uitspraak mede te ondertekenen.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.