ECLI:NL:RBZWB:2025:7516

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
24/6877
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:104 AwbArt. 6 EVRMArt. 6:162 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om anoniem procederen van inspecteur Belastingdienst

De inspecteur van de Belastingdienst verzocht op 10 december 2024 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant om geheimhouding van zijn identiteit en mandaat, met het oog op een vermeende dreiging die de veiligheid van medewerkers zou bedreigen. Dit verzoek hield tevens in dat de inspecteur anoniem zou mogen procederen. De rechtbank heeft dit verzoek beoordeeld zonder zitting, waarbij zij het belang van de belanghebbende bij transparantie en het recht op een eerlijk proces zwaar liet meewegen.

De inspecteur kon de dreiging niet concreet onderbouwen en bood aan het mandaatbesluit uitsluitend aan de rechtbank te tonen, hetgeen niet voldeed aan de procesregels. Belanghebbende betoogde dat anonimiteit haar procespositie zou schaden, omdat zij dan de identiteit en bevoegdheid van de inspecteur niet kan verifiëren, wat strijdig is met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro.

De rechtbank concludeerde dat de kale stelling van dreiging onvoldoende was om het verzoek te honoreren. Ook is onvoldoende aannemelijk dat geen enkele medewerker van de Belastingdienst de inspecteur kan vertegenwoordigen. De rechtbank overwoog dat het belang van belanghebbende bij volledige kennisneming van de stukken zwaarder weegt dan het verzoek van de inspecteur.

Daarom wees de geheimhoudingskamer het verzoek om anoniem te procederen af. De inspecteur kreeg de gelegenheid binnen twee weken aan te geven of hij de beslissing geheel of gedeeltelijk naleeft, met de mogelijke consequenties van niet-naleving. Tegen deze beslissing kan alleen in hoger beroep worden gegaan tegelijk met het hoger beroep in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het verzoek van de inspecteur om anoniem te procederen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van dreiging en belang van transparantie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6877
beslissing van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 3 november 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Het verzoek

1.1.
De inspecteur heeft, in het verweerschrift met dagtekening 10 december 2024, een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan, door de inspecteur ook aangeduid als ‘verzoek anoniem te procederen’. In deze uitspraak spreekt de rechtbank van het verzoek van 10 december 2024.
1.2.
De inspecteur heeft het verzoek van 10 december 2024 als volgt omschreven:
“Belanghebbende en haar partner volgen het soevereine gedachtegoed. Omdat mij in dit dossier een dreiging bekend is en hiermee dus de veiligheid van de medewerkers van de Belastingdienst in het geding is, doe ik ten aanzien van het mandaatbesluit een beroep op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Indien de rechtbank dat wenst, kan ik het mandaatbesluit (uitsluitend) aan de rechtbank laten zien tijdens de mondelinge behandeling van de beroepszaak. Hierbij verzoek ik de rechtbank dan ook toe te staan, om in deze zaak anoniem te procederen. In dat verband wijs ik ook op de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:7885) en de niet-gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Gelderland met zaaknummers ARN 23/4518, 23/3879 en 23/3622.”
1.3.
De rechtbank heeft het verweerschrift van de inspecteur bij brief van 11 december 2024 doorgestuurd naar belanghebbende. Bij brief van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank belanghebbende verzocht te reageren op het verzoek om geheimhouding.
1.4.
Belanghebbende heeft bij brief van 17 oktober 2025 aangegeven dat zij niet akkoord gaat met geheimhouding. Zij merkt op dat er geen sprake is van een reëel gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van de betrokkenen die anonimiteit zouden rechtvaardigen, zoals represailles of verstoring van persoonlijke relaties. Zij stelt voorts dat een mogelijke inbreuk op de positie van de inspecteur alleen gelegen kan zijn in het risico op een procedure bij de civiele rechter op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (onrechtmatige daad). Anonimiteit zou de procespositie van belanghebbende schaden, omdat het de mogelijkheid belemmert om de identiteit en bevoegdheid van de inspecteur te verifiëren, hetgeen indruist tegen het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro).

2.Overwegingen

Geen zitting
2.1.
De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1]
Kader voor beoordeling
2.2.
Hetgeen is bepaald in artikel 8:29 van Pro de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van (delen van) stukken te weigeren (geheimhouding) of de geheimhoudingskamer mede te delen dat uitsluitend de rechter die in de hoofdzaak beslist (de hoofdkamer) kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.3.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Ook indien een partij op grond van gewichtige redenen verzoekt dat een andere partij van persoonsgegevens van deze partij geen kennis mag nemen, handelt de rechtbank zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 8:29 van Pro de Awb. [2]
Beoordeling van het verzoek
2.4.
De geheimhoudingskamer benoemt allereerst dat in zowel deze geheimhoudingsprocedure als in de hoofdzaak de verwerende partij de ‘inspecteur van de Belastingdienst’ is, aangeduid als ‘de inspecteur’. De inspecteur is een functienaam en deze rol wordt uitgevoerd door een individuele medewerker van de Belastingdienst die daartoe via mandaat bevoegd is (hierna aangeduid als: de procesvertegenwoordiger van de Belastingdienst).
2.5.
Een bijzonderheid in deze geheimhoudingsprocedure is dat het verzoek van 10 december 2024 niet ziet op gedingstukken met betrekking tot het materiële geschil, maar ziet op de identiteit van de procesvertegenwoordiger van de Belastingdienst die de mondelinge behandeling in de hoofdzaak zal bijwonen en (het bewijs voor de juistheid van) diens mandaat. De geheimhoudingskamer heeft het mandaatbesluit niet kunnen beoordelen. De inspecteur heeft aangeboden dit (desgewenst) aan de rechtbank te laten zien (naar de rechtbank begrijpt) voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de beroepszaak. De geheimhoudingskamer overweegt dat de door de inspecteur voorgestelde handelswijze niet in overeenstemming is met artikel 2.8, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. De geheimhoudingskamer kan hierdoor niet vaststellen of de procesvertegenwoordiger(s) die namens de inspecteur ter zitting aanwezig zal/zullen zijn juist gemandateerd zijn en aldaar namens de inspecteur kan/kunnen optreden. Dan rijst de vraag hoe te handelen ten aanzien van het verzoek van 10 december 2024.
2.6.
De geheimhoudingskamer acht zich ook zonder kennisname van het mandaatbesluit in staat om op het verzoek van 10 december 2024 te beslissen.
2.7.
In het verzoek van 10 december 2024 stelt de inspecteur dat hem een dreiging in dit dossier bekend is. Deze dreiging wordt door de inspecteur niet geconcretiseerd. Uit de stukken in de hoofdzaak is de geheimhoudingskamer ook niet van een dreiging gebleken. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is, gelet op de gemotiveerde weerspreking door belanghebbende, de kale stelling van de inspecteur dát sprake is van een dreiging van onvoldoende gewicht om te concluderen dat ze opweegt tegen het belang van belastingplichtige om de handelwijze (inhoudende de juistheid van het mandaat) van een bestuursorgaan te kunnen toetsen. Ook bestaat geen aanleiding om aannemelijk te achten dat geen enkele medewerker van de Belastingdienst in staat moet worden geacht om de inspecteur te kunnen vertegenwoordigen. Ook in openbare bronnen vindt de rechtbank niet voldoende steun voor het standpunt van de inspecteur. Daarbij merkt de geheimhoudingkamer op dat in de Fenomeenanalyse soevereinbeweging in Nederland ‘Met de rug naar de samenleving’ [3] drie categorieën soevereinen worden onderscheiden en dat van slechts één daarvan daadwerkelijk dreiging uitgaat. Het is dus heel wel mogelijk dat belanghebbende tot één van de beide andere categorieën behoort. Gegeven de feiten en omstandigheden zoals ze thans zijn voorgelegd aan de geheimhoudingskamer, komt het verzoek van 10 december 2024 daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
2.8.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van 10 december 2024 wordt afgewezen.
2.9.
De inspecteur wordt door de geheimhoudingskamer in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van deze beslissing schriftelijk aan de rechtbank mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. [4] Dit houdt in dat de inspecteur de keuze moet maken de beslissing van de geheimhoudingskamer (geheel) na te leven of dat niet (geheel) te doen, in welk laatste geval hij de uit toepassing van artikel 8:31 van Pro de Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan zal moeten aanvaarden. [5]
Beslissing
De geheimhoudingskamer:
  • wijst het verzoek van 10 december 2024 om geheimhouding af;
  • verzoekt de inspecteur om binnen twee weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is de stukken ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken na verzending van deze beslissing.
Deze beslissing is genomen door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 3 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan belanghebbende, die niet digitaal procedeert, aangetekend per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.
2.Artikel 2.8b, onderdeel 1, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
3.Publicatie van 9 april 2024, te vinden op www.aivd.nl.
4.Zie ook artikel 2.8, onderdeel 10, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
5.Zie Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:3600.