ECLI:NL:RBZWB:2025:7510

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
1 november 2025
Zaaknummer
11774220 AZ VERZ 25-43 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en toekenning van transitie- en billijke vergoeding na ernstig verwijtbaar handelen van werkgever

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoeker] en NUALA CONSULTING AG. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 november 2025, omdat beide partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn moet eindigen. De werkgever, NUALA, heeft zich niet gehouden aan eerdere vonnissen en heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door de loonbetaling aan [verzoeker] te staken en niet adequaat te reageren op zijn ziekte. Hierdoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding van € 1.964,97 en een billijke vergoeding van € 34.000,00, beide vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft ook de proceskosten voor rekening van NUALA gesteld, omdat deze overwegend ongelijk heeft gekregen. De uitspraak benadrukt de verplichtingen van werkgevers bij ziekte van werknemers en de noodzaak om zich aan rechterlijke uitspraken te houden.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11774220 \ AZ VERZ 25-43
Beschikking van 31 oktober 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. I. Rhodes,
tegen
NUALA CONSULTING AG,
te Châtel-Saint-Denis (Zwitserland),
verwerende partij,
hierna te noemen: Nuala,
gemachtigde: mr. J.G. Hage.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 27 juni 2025 op de griffie ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 11;
- het herziene verweerschrift met producties 12 tot en met 34;
- de e-mail van mr. Hage van 30 september 2025 met een ongenummerde productie;
- de e-mail van mr. Oedit Doebé, namens mr. Rhodes, van 2 oktober 2025 met producties 12 en 13;
- de e-mail van mr. Hage van 2 oktober 2025 met twee ongenummerde producties;
- de mondelinge behandeling van 3 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Nuala is actief in de aan- en verkoop van binnenvaartschepen en het beheer daarvan.
2.2.
[verzoeker] is op [datum] 2023 in dienst getreden van Nuala in de functie van [functie] , op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het Zwitserse recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst en dat uitsluitend de Zwitserse rechter van Freiburg –
Châtel-Saint-Denis bevoegd is van geschillen kennis te nemen.
2.3.
Op 10 februari 2024 is [verzoeker] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden van een ladder gevallen. Hij heeft daarbij zijn arm gebroken. Op 11 februari 2024 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.
2.4.
Partijen hebben gecorrespondeerd over het aanleveren van stukken over het letsel van [verzoeker] . Zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
2.5.
Nuala heeft vanaf april 2024 de loonbetaling aan [verzoeker] gestaakt.
2.6.
Op 25 juni 2024 is [verzoeker] een kort gedingprocedure gestart tegen Nuala. Bij vonnis van 30 juli 2024 heeft de kantonrechter Nuala veroordeeld tot betaling van een nettobedrag van € 6.000,00, bij wijze van voorschot op het in een bodemprocedure te vorderen achterstallige loon voor de periode 1 maart tot en met 30 juni 2024, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede tot betaling van het loon bij ziekte naar Nederlands recht totdat er een einde komt aan de loonbetalingsverplichting.
2.7.
Op 30 juli 2024 heeft [verzoeker] de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geadviseerd dat er enige restbeperkingen zijn.
2.8.
Op 16 oktober 2024 is [verzoeker] een tweede kort gedingprocedure gestart tegen Nuala. Bij vonnis van 9 januari 2025 heeft de kantonrechter Nuala veroordeeld tot betaling van het loon vanaf juli 2024 totdat de wettelijke loondoorbetalingsverplichting eindigt, onder overlegging van een loonstrook.
2.9.
Op 1 november 2024 is [verzoeker] een derde procedure, een bodemprocedure, gestart tegen Nuala. Bij vonnis van 26 februari 2025 heeft de kantonrechter Nuala veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon vanaf januari 2024, tot betaling van het loon tot 10 februari 2026 en tot betaling van rente, wettelijke verhoging en incassokosten.
2.10.
Op 9 januari 2025 heeft [bedrijf] [verzoeker] uitgenodigd voor een intake over re-integratie in een tweede spoortraject. [verzoeker] heeft de uitnodiging afgewezen.
2.11.
Op 3 februari 2025 heeft [verzoeker] een telefonisch consult bij de bedrijfsarts gehad. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat [verzoeker] ongeschikt is voor het eigen werk. Hij heeft geadviseerd om aangepaste werkzaamheden te verrichten in een tweede spoortraject gelet op een arbeidsconflict.
2.12.
De bedrijfsarts heeft [verzoeker] uitgenodigd voor een telefonisch consult op 17 maart 2025. [verzoeker] heeft dat afgewezen.
2.13.
Bij brief van 8 april 2025 heeft de bedrijfsarts aan Nuala bericht dat hij, ondanks meerdere pogingen, onvoldoende mogelijkheden heeft om [verzoeker] adequaat te begeleiden. De bedrijfsarts heeft de begeleiding van [verzoeker] gestaakt.

3.Het geschil

3.1.
[verzoeker] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de arbeidsovereenkomst gesloten tussen [verzoeker] en Nuala te ontbinden;
- Nuala te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
- Nuala te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 47.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift;
- Nuala te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten.
3.2.
[verzoeker] legt het volgende ten grondslag aan zijn verzoeken. Hij stelt dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn moet eindigen, omdat Nuala weigert het loon te betalen en niet meewerkt aan de re-integratie. Volgens [verzoeker] kwalificeert het gedrag van Nuala als ernstig verwijtbaar, zodat hij recht heeft op een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
3.3.
Nuala voert verweer.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat sprake is van een internationale kwestie, aangezien [verzoeker] in Nederland woont en Nuala in Zwitserland is gevestigd. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze internationale kwestie. In beginsel wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in burgerlijke zaken bepaald aan de hand van de herschikte verordening (EU) Nr. 1215/2012 (Brussel I bis). Zwitserland is geen lidstaat van de Europese Unie. Artikel 6 lid 1 Brussel I bis bepaalt – voor zover van belang – dat indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de bevoegdheid in elke lidstaat wordt geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd artikel 18 lid 1, artikel 21 lid 2 en de artikelen 24 en 25. Er moet dus eerst worden onderzocht of op de voet van artikel 18 lid 1, artikel 21 lid 2 en de artikelen 24 en 25 een bevoegde rechter wordt aangewezen. Indien die artikelen geen bevoegde rechter aanwijzen, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de rechtsmacht op de voet van het interne Nederlandse recht en daarvan onderdeel uitmakende verdragen.
4.2.
Ingevolge artikel 21 lid 2 (in samenhang met artikel 21 lid 1 onder b) Brussel I bis kan een werkgever die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen in een andere lidstaat (a.) voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt, of (b.) wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.
4.3.
Partijen hebben in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst een zogenoemde forumkeuze gemaakt voor de Zwitserse rechter van Freiburg – Châtel-Saint-Denis (zie punt 2.2). Artikel 25 Brussel I bis biedt partijen de mogelijkheid om een forumkeuze maken, maar het moet dan gaan om een forumkeuze voor een gerecht van een lidstaat. Zwitserland is geen lidstaat van de Europese Unie. Dat betekent dat de forumkeuze in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst geen werking heeft.
4.4.
Aan de orde komt dus de vraag wat de plaats is waar of van waaruit [verzoeker] gewoonlijk heeft gewerkt voor Nuala (zie rechtsoverweging 4.2). [verzoeker] stelt dat dit [plaats 2] is. Hij licht, onweersproken, toe dat hij gewoonlijk werkte als schilder op schepen die stillagen in het dok te [plaats 2] . De kantonrechter oordeelt dat daaruit volgt dat [verzoeker] gewoonlijk heeft gewerkt in [plaats 2] . De door Nuala aangevoerde omstandigheid dat haar schepen varen onder de Zwitserse vlag, maakt dat niet anders.
4.5.
De slotsom luidt daarom dat aangezien [plaats 2] de plaats is waar [verzoeker] gewoonlijk heeft gewerkt, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en de kantonrechter te Bergen op Zoom als rechter van de plaats [plaats 2] bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.
Toepasselijk recht
4.6.
De volgende vraag vanwege het internationale karakter van deze kwestie is wat het toepasselijke recht is. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de verordening (EG) Nr. 593/2008 (Rome I). In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst hebben partijen een keuze gemaakt voor Zwitsers recht. Op grond van artikel 8 lid 1 Rome I is daarom het Zwitserse recht van toepassing. Artikel 8 lid 1 Rome I bepaalt ook dat een rechtskeuze er evenwel niet toe mag leiden dat een werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat zonder die rechtskeuze toepasselijk zou zijn geweest.
4.7.
Op grond van artikel 8 lid 2 Rome I wordt bij gebreke van een rechtskeuze de arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Aangezien [plaats 2] de plaats is waar [verzoeker] gewoonlijk heeft gewerkt (zie rechtsoverweging 4.4), geldt dat zonder rechtskeuze het Nederlandse recht van toepassing zou zijn geweest. Dat betekent dat in dit geval het Zwitserse recht geldt, maar dat [verzoeker] ook de bescherming heeft van de dwingendrechtelijke bepalingen in het Nederlandse recht.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn moet eindigen. De kantonrechter zal daarom de arbeidsovereenkomst ontbinden op de kortst mogelijke termijn (artikel 7:671c lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). Met inachtneming van de termijn voor intrekking van de verzoeken voor [verzoeker] die hieronder aan de orde zal komen, zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 15 november 2025.
Ernstige verwijtbaarheid
4.9.
Voor de verzochte betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding is vereist dat er ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Nuala is. De kantonrechter oordeelt dat daarvan sprake is. Daarvoor wordt het volgende overwogen.
4.10.
[verzoeker] stelt dat Nuala niet vrijwillig voldeed aan de drie vonnissen (zie punt 2.6, 2.8 en 2.9) en dat hij beslag heeft gelegd om betaling te verkrijgen. Nuala voert aan dat zij niet vrijwillig zal betalen, omdat zij het niet eens is met de veroordelingen in de vonnissen.
4.11.
De kantonrechter oordeelt dat indien Nuala het niet eens was met de vonnissen, zij daartegen in hoger beroep had moeten gaan of in verzet had moeten komen. Dat heeft zij niet gedaan. De vonnissen zijn in kracht van gewijsde gegaan. Dat wil zeggen dat wat in de vonnissen is bepaald, bindend is tussen partijen en onaantastbaar. Nuala had zich aan de veroordelingen in de vonnissen moeten houden. Zij heeft dat bewust, zonder goede reden niet gedaan. Dat is aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen. Dat geldt des te meer omdat het gaat om het loon van [verzoeker] . [verzoeker] stelt, onweersproken, dat hij het loon nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien en dit bij Nuala bekend is.
4.12.
Ook het handelen bij ziekte van [verzoeker] door Nuala is aan te merken als ernstig verwijtbaar. Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW heeft [verzoeker] recht op doorbetaling van het loon bij ziekte. Op grond van artikel 7:658a BW heeft Nuala de verplichting om [verzoeker] te laten re-integreren. Daarbij dient zij zich te laten bijstaan door een bedrijfsarts die [verzoeker] moet begeleiden. Het is de bedrijfsarts die [verzoeker] moet oproepen om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen en de re-integratie in gang te zetten (artikel 14 Arbeidsomstandighedenwet en de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Rpetz).
4.13.
[verzoeker] heeft zich op 11 februari 2024 ziekgemeld. Nuala heeft hem pas na de mondelinge behandeling in het eerste kort geding, gehouden op 23 juli 2024, laten oproepen door de bedrijfsarts voor een consult op 30 juli 2024. Dat is veel te laat. Nuala diende al binnen zes weken na de ziekmelding op 11 februari 2024 te beschikken over een advies van de bedrijfsarts, een zogenoemde probleemanalyse (artikel 2 lid 2 en artikel 3 Rpetz). Daarvoor moest [verzoeker] al op consult zijn geweest bij de bedrijfsarts. Het is aannemelijk dat de late start van de re-integratie het herstel van [verzoeker] geen goed heeft gedaan en heeft bijgedragen aan de escalatie tot een arbeidsconflict.
4.14.
Nuala verwijt [verzoeker] dat hij niet tijdig een verklaring van de bedrijfsarts over zijn ziekte/arbeidsongeschiktheid heeft overgelegd, waardoor de verzekeraar van Nuala in Zwitserland geen uitkering betaalde. Nuala miskent daar dat het niet de taak van [verzoeker] was om een bedrijfsarts in te schakelen. Nuala diende zich te laten bijstaan door een bedrijfsarts die [verzoeker] moest oproepen. Daarmee heeft Nuala te lang gewacht.
4.15.
Verder weegt mee dat Nuala aan de hand van de reacties van [verzoeker] behoorde in te zien dat de zaak escaleerde. Naar aanleiding van de uitnodiging van [bedrijf] voor een intake voor het tweede spoortraject reageerde [verzoeker] in diverse e-mails van 10 februari 2025 (productie 31 van Nuala). In die e-mails noemde [verzoeker] Nuala een oplichter en meldde hij dat hij geen hond was. [verzoeker] verzocht [bedrijf] om contact op te nemen met zijn gemachtigde. Dat verzoek deed hij ook aan de bedrijfsarts op 10 februari 2025 (productie 32 van Nuala). Die e-mails zijn op 11 februari 2025 doorgestuurd naar Nuala. Ook de gemachtigde van [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij Nuala’s gemachtigde heeft verzocht om uitleg waarom een uitnodiging voor de intake voor het tweede spoortraject aan [verzoeker] werd gedaan, maar dat daarop niet werd gereageerd. Nuala is niet ingegaan op de verzoeken van [verzoeker] , waarmee escalatie kon worden voorkomen. De zaak is vervolgens wel geëscaleerd tot een arbeidsconflict. [verzoeker] heeft de uitnodigingen van [bedrijf] en de bedrijfsarts afgewezen. De re-integratie is daar geëindigd.
4.16.
[verzoeker] heeft diverse bedreigende en ongepaste berichten verstuurd aan Nuala (productie 33, 34 en de twee ongenummerde producties bij e-mail van 2 oktober 2025 van Nuala). [verzoeker] had dergelijke berichten niet mogen versturen. Anderzijds ziet de kantonrechter ook dat de berichten niet los kunnen worden gezien van de omstandigheden dat Nuala zonder goede grond vanaf april 2024 de loonbetaling heeft gestaakt, dat zij zich niet aan de vonnissen hield en dat zij de re-integratie verplichtingen niet nakwam. Invoelbaar is de toelichting van de gemachtigde van [verzoeker] op de mondelinge behandeling dat de stress van zonder geld zitten en de wijze waarop Nuala [verzoeker] behandelde hem teveel zijn geworden. [verzoeker] valt een verwijt te maken voor het versturen van bedreigende en ongepaste berichten, maar alles afwegende kwalificeert zijn handelen niet als
ernstigverwijtbaar in tegenstelling tot het handelen door Nuala.
Transitievergoeding
4.17.
Vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Nuala komt [verzoeker] een transitievergoeding toe. Uitgaande van het niet weersproken loon van € 2.643,84 bruto per maand en de duur van het dienstverband van [datum] 2023 tot 15 november 2025 bedraagt de transitievergoeding € 1.964,97 bruto (artikel 7:673 BW). Dat bedrag zal worden toegewezen.
4.18.
De verzochte rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, derhalve vanaf 15 december 2025 (artikel 7:686a lid 1 BW).
Billijke vergoeding
4.19.
Vanwege het ernstig verwijtbaar handelen door Nuala komt [verzoeker] een billijke vergoeding toe (artikel 7:671c lid 2 sub b BW). Voor de billijke vergoeding gaat het erom dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het verlies van de waarde van de arbeidsovereenkomst.
4.20.
[verzoeker] stelt dat hij door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst schade lijdt, namelijk:
inkomensschade;
lagere transitievergoeding;
gemiste vergoeding zorgverzekering;
kosten voor revalidatie;
immateriële schadevergoeding.
4.21.
Nuala voert aan ten aanzien van de vergoeding voor inkomensschade, de lagere transitievergoeding en de gemiste vergoeding zorgverzekering dat die moeten worden afgewezen vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen door [verzoeker] . Daarin wordt Nuala niet gevolgd. De kantonrechter oordeelt dat van
ernstigverwijtbaar van [verzoeker] niet is gebleken. Er kan [verzoeker] wel een verwijt worden gemaakt ten aanzien van zijn bedreigende en ongepaste berichten, zoals hierboven is geoordeeld. Dat verwijt neemt het ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Nuala echter niet weg. Vanwege dat ernstig verwijtbaar handelen door Nuala komt [verzoeker] een billijke vergoeding toe.
a. Inkomensschade
4.22.
[verzoeker] stelt dat hij inkomensschade lijdt, berekend op het loon vanaf de datum van de ontbinding tot en met 10 februari 2027. Hij licht toe dat hij nog minimaal een jaar niet kan werken. Als de arbeidsovereenkomst zou zijn voortgezet, had het UWV na twee jaar ziekte de loondoorbetaling voor Nuala verlengd met een jaar tot 10 februari 2027 vanwege de gebrekkige re-integratie inspanningen door Nuala. Verder licht hij toe dat hij tot 10 februari 2027 geen recht heeft op enige uitkering van het UWV of vanuit Zwitserland. Daartegenover voert Nuala aan dat [verzoeker] inmiddels wel weer zou kunnen werken.
4.23.
De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoeker] niet in staat is te werken. De bedrijfsarts heeft in zijn laatste verslag op 3 februari 2025 geconstateerd dat [verzoeker] ongeschikt is voor zijn eigen werk. Hij adviseert elders aangepaste werkzaamheden te verrichten, maar hij laat zich niet uit wat dat aangepaste werk is en of dat beschikbaar is voor [verzoeker] . Als Nuala de constatering van de bedrijfsarts, inhoudende dat [verzoeker] ongeschikt is voor het eigen werk, betwist, had het op haar weg gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit dat volgt, bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundigenoordeel van het UWV of een andere second opinion. Dat heeft zij niet gedaan. Als Nuala meent dat er passende arbeid is voor [verzoeker] , had zij feiten en omstandigheden moeten aanvoeren waaruit dat volgt. Dat heeft zij evenmin gedaan. De kantonrechter volgt daarom [verzoeker] in zijn toelichting dat hij op dit moment niet in staat is te werken. De kantonrechter volgt [verzoeker] ook dat dit nog minimaal een jaar zal voortduren. Nuala heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dit anders is.
4.24.
Nuala heeft evenmin de toelichting van [verzoeker] weersproken dat bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst het UWV de loondoorbetaling voor Nuala zou verlengen. Nuala is haar re-integratieverplichtingen niet nagekomen, zoals hiervoor is geoordeeld. Het is aannemelijk dat het UWV een loonsanctie zou opleggen (artikel 25 lid 9 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Daarbij wordt zoals [verzoeker] doet, uitgegaan van een verlenging van de loondoorbetaling van 52 weken. Nuala heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de verlenging korter zou moeten zijn. Verder stelt [verzoeker] onweersproken dat hij tot 10 februari 2027 geen recht heeft op enige uitkering van het UWV of vanuit Zwitserland. Gelet op het voorgaande heeft [verzoeker] door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst inkomensschade, bestaande uit het gemiste loon vanaf de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 15 november 2025 tot 10 februari 2027, derhalve berekend op een bedrag van € 27.491,52 (het loon van € 2.643,84 bruto per maand * het percentage aan loon tijdens ziekte van 0,70 * (14 maanden, 16 dagen in november 2025 en 9 dagen in februari 2027)). Er is niet gebleken dat [verzoeker] in plaats daarvan elders kan werken of een uitkering toekomt.
b. Lagere transitievergoeding
4.25.
Door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is de transitievergoeding voor [verzoeker] lager dan het geval zou zijn geweest bij een einde van de arbeidsovereenkomst op 10 februari 2027. Hij stelt, onweersproken, dat het verschil € 1.250,85 bruto bedraagt. [verzoeker] heeft recht op vergoeding van dat verschil.
c. Gemiste vergoeding zorgverzekering
4.26.
Niet in geschil is dat [verzoeker] bij het voortduren van de arbeidsovereenkomst een vergoeding zou ontvangen voor de kosten van een zorgverzekering. Hij lijdt daardoor schade. Hij stelt, onweersproken, dat die schade € 1.500,00 bedraagt. [verzoeker] komt daarvoor een vergoeding toe.
d. Revalidatie
4.27.
[verzoeker] stelt ook dat hij kosten moet maken om na revalidatie weer te werken, waarvoor hij een tweede spoortraject moet volgen. Nuala betwist dat. Zij voert aan dat de kosten voor eigen rekening blijven, omdat hem eerder een tweede spoortraject is aangeboden maar hij daaraan niet wilde meewerken.
4.28.
De kantonrechter oordeelt dat het afwijzen van het tweede spoortraject niet los kan worden gezien van het niet betalen van het loon door Nuala, het niet voldoen aan de vonnissen en de gebrekkige re-integratie inspanningen van Nuala. Die omstandigheden hebben een doorslaggevende rol gehad in de escalatie van de zaak tot een arbeidsconflict en de afwijzing van [verzoeker] om in te gaan op de intake voor het tweede spoortraject. [verzoeker] hoeft nu niet alsnog een tweede spoortraject in te gaan maar hij zal wel kosten moeten maken voor de revalidatie om op termijn bij een andere werkgever te werken. [verzoeker] stelt, onweersproken, dat dit € 2.000,00 tot € 5.000,00 zal kosten. Het verzochte bedrag van
€ 3.000,00 komt de kantonrechter redelijk voor. [verzoeker] heeft recht op een vergoeding van dat bedrag.
e. Immateriële schadevergoeding
4.29.
Verder stelt [verzoeker] dat hij mentaal heeft geleden. Daarvoor maakt hij aanspraak op een immateriële schadevergoeding van € 10.000,00. Nuala betwist dat. De kantonrechter oordeelt dat invoelbaar is dat [verzoeker] is geraakt door het handelen van Nuala. Voor een immateriële schadevergoeding is echter meer vereist, namelijk een zodanige psychische storing zo ernstig dat het een aantasting in de persoon oplevert. [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat daarvan sprake is. De immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen.
4.30.
Omdat het bij de billijke vergoeding gaat om een schatting en het naar haar aard in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, rondt de kantonrechter met inachtneming van het bovenstaande de billijke vergoeding af op een bedrag van
€ 34.000,00 bruto. Dat bedrag zal worden toegewezen. De verzochte rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift zal eveneens worden toegewezen, derhalve vanaf 27 juni 2025.
Intrekkingsmogelijkheid
4.31.
Aangezien aan [verzoeker] een lagere billijke vergoeding wordt toegekend dan verzocht, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn verzoek in te trekken (artikel 7:686a lid 7 BW).
Proceskosten
4.32.
De proceskosten komen voor rekening van Nuala, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden vastgesteld op € 1.039,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verzoeker] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) Nuala), zal lopen tot en met 14 november 2025,
voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen de termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 november 2025,
5.3.
veroordeelt Nuala om aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 1.964,97 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025,
5.4.
veroordeelt Nuala om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 34.000,00 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025,
5.5.
veroordeelt Nuala in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
voor het geval [verzoeker] het verzoek binnen de termijn intrekt:
5.8.
veroordeelt Nuala in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.