Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster,
De burgemeester van de gemeente Tilburg, de burgemeester.
[derde-partij]uit [plaats].
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster, huurder van een woning die op grond van de Opiumwet is gesloten wegens de aanwezigheid van 500 gram amfetamine en aanverwante voorwerpen, verzocht om een voorlopige voorziening tegen de sluiting. De burgemeester had de woning op 17 september 2025 laten sluiten voor twee maanden vanwege de drugsvondst en het risico op gebruik als drugspand.
Verzoekster voerde aan dat de sluiting onevenredig was, gezien haar persoonlijke omstandigheden zoals een verstandelijke beperking, psychische problematiek, verslaving en het belang van continuïteit van zorg en rehabilitatie. Ook stelde zij dat zij geen alternatieve woonruimte heeft en dat de derde partij de huur wilde beëindigen, wat tot dakloosheid zou leiden.
De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang en het procesbelang van verzoekster, mede vanwege de civiele procedure omtrent ontruiming. De rechter stelde vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat deze bevoegdheid niet verplicht was, maar een belangenafweging vereiste. De sluiting werd als geschikt en noodzakelijk beoordeeld, en de evenredigheidstoets leidde tot de conclusie dat de burgemeester de sluiting redelijkerwijs evenwichtig mocht achten, gezien het belang van openbare orde en het voorkomen van drugsoverlast.
De voorzieningenrechter nam mee dat verzoekster tijdelijk bij haar broer verblijft, die haar ondersteunt, en dat begeleid wonen in voorbereiding is. Dit maakte terugkeer naar de woning minder zwaarwegend. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugsvondst wordt afgewezen.