Eiser heeft op 16 maart 2025 een aanvraag ingediend bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn beslist. Eiser heeft het UWV op 29 juli 2025 ingebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld toen het UWV nog steeds niet had beslist.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV gaf aan dat de vertraging werd veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen, waardoor spreekuren werden uitgesteld. Inmiddels heeft een spreekuur plaatsgevonden en is aanvullende medische informatie opgevraagd, maar een beslissing is nog niet mogelijk.
De rechtbank stelt een redelijke termijn van vier maanden vast waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen, om zowel zorgvuldigheid als het belang van tijdige besluitvorming te waarborgen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
Verder wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser, omdat het beroep gegrond is verklaard. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 30 oktober 2025.