Eiser diende op 4 juni 2025 een aanvraag in bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet tijdig beslist, ondanks ingebrekestelling op 12 augustus 2025. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen.
De rechtbank stelt een termijn van vier maanden vast voor het UWV om een besluit te nemen, rekening houdend met het tekort aan verzekeringsartsen en het belang van zorgvuldige besluitvorming. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
Verder stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast op €1.442,-, omdat het UWV deze niet zelf heeft vastgesteld en inmiddels meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Tot slot veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.