Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een vervoersvoorziening op grond van de Wet WIA.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden nadat eiser het UWV op 25 augustus 2025 in gebreke had gesteld. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV binnen een redelijke termijn alsnog moet beslissen.
Gezien het belang van zorgvuldige besluitvorming en het tekort aan verzekeringsartsen, acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk. Daarnaast legt zij een dwangsom van €100 per dag op bij verdere overschrijding, met een maximum van €15.000.
De rechtbank veroordeelt het UWV tevens tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. Het beroep wordt zonder zitting behandeld en gegrond verklaard.