ECLI:NL:RBZWB:2025:7449

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
24/6592
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep inzake verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid

Op 17 augustus 2023 heeft eiser een verzoek ingediend op basis van de Wet open overheid (Woo) bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, met het verzoek om alle rapporten van een controle die op dezelfde datum op een specifieke locatie is uitgevoerd. Het college heeft dit verzoek op 26 februari 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en, na een ingebrekestelling wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar, op 6 september 2024 beroep ingesteld. Het college heeft op 20 september 2024 alsnog een beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard en het primaire besluit in stand bleef. Eiser heeft zijn beroep vervolgens aangevuld en het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Op 31 januari 2025 zijn de rapporten van de controle openbaar gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van het college. De rechtbank heeft geoordeeld dat eiser geen procesbelang meer had, omdat de gevraagde stukken inmiddels openbaar waren gemaakt. Hierdoor werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard, maar het college werd wel veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan eiser, omdat hij op het moment van het instellen van het beroep wel procesbelang had. De rechtbank heeft de kosten voor rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50, maar heeft geen vergoeding gegeven voor de zitting en reiskosten, aangezien de stukken al openbaar waren gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6592
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. K.E. Hendriksen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).

Inleiding

1. Eiser heeft op 17 augustus 2023 een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij het college. Hij wil namelijk alle rapporten ontvangen van de controle die op 17 augustus 2023 op [locatie] in [plaats] is uitgevoerd.
1.1.
Het college heeft op 26 februari 2024 een beslissing op het verzoek genomen (het primaire besluit). In dit besluit wijst het college het Woo-verzoek af.
1.2.
Tegen de afwijzing van het Woo-verzoek heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.3.
Voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft eiser op 15 augustus 2024 een ingebrekestelling naar het college gestuurd.
1.4.
Eiser heeft op 6 september 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen.
1.5.
Het college heeft op 20 september 2024 alsnog een beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit verklaart het college het bezwaar ongegrond en laat het primaire besluit in stand. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar ook betrekking op dit besluit.
1.6.
Naar aanleiding van de beslissing op bezwaar heeft eiser zijn beroep aangevuld.
1.7.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
Op 31 januari 2025 zijn bij een Woo-besluit van het college onder meer de rapporten behorend bij de controle van 17 augustus 2023 openbaar gemaakt.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens het college [gemachtigde 3] en [naam].
1.10.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft, nu de stukken waarvan hij om openbaarmaking heeft verzocht inmiddels openbaar zijn gemaakt. Het is vaste rechtspraak dat het willen ontvangen van een principiële uitspraak geen procesbelang is. Ook het willen krijgen van een proceskostenveroordeling is geen procesbelang. Door het ontbreken van enig procesbelang verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
3.1.
Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. De reden hiervoor is dat eiser wel procesbelang had op het moment van het instellen van het beroep en ook terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.
3.2.
Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van de gronden van beroep, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Voor het verschijnen op zitting en voor de reiskosten krijgt eiser geen vergoeding. De reden hiervoor is dat de stukken waar eiser om had verzocht in zijn Woo-verzoek al op 31 januari 2025 openbaar zijn gemaakt. Op basis hiervan had eiser kunnen en moeten weten dat hij geen belang meer had bij het laten doorgaan van het beroep en de zitting.
3.3.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.