ECLI:NL:RBZWB:2025:7420

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/434455 / JE RK 25-729
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens voortgang MBT-P traject moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 oktober 2025 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen van 14 november 2025 tot 14 juni 2026. Dit volgt op een eerdere beschikking van 10 juni 2025 waarin de ondertoezichtstelling al was verlengd tot 14 november 2025. De verlenging is aangevraagd door de gecertificeerde instelling (GI) Stichting Jeugdbescherming Brabant, op basis van de voortgang in het MBT-P traject van de moeder.

De moeder bevindt zich aan het begin van een MBT-P behandeltraject gericht op het versterken van de ouder-kindrelatie en het bevorderen van commitment. Hoewel er vooruitgang is, zijn de doelen nog niet bereikt, met name het contactherstel tussen de vader en de minderjarige kan nog niet veilig plaatsvinden. De vader benadrukt het belang van verlenging om niet volledig buitenspel te raken, mede gezien de spanningen tussen ouders.

De kinderrechter weegt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, omdat de moeder nog niet voldoende in staat is om het contact tussen vader en kind te faciliteren. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 14 juni 2026 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/434455 / JE RK 25-729
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. D.P.F. Arens uit 's-Hertogenbosch,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 10 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de op 7 oktober 2025 door de GI ingediende tussentijdse evaluatie van De Viersprong van 24 september 2025;
  • het op 7 oktober 2025 door de GI ingediende verslag over het verloop van de ondertoezichtstelling.
  • de brief van mr. Arens van 2 juni 2025 met 1 productie.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, (via beeldbellen) bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de ouders over het gezag en de zorg- en contactregeling met het kenmerk C/02/405180 / FA RK 23-125. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een afzonderlijke beschikking.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 10 juni 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 juni 2025 tot 14 november 2025. De kinderrechter heeft het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden tot deze mondelinge behandeling van 15 oktober 2025. Dit om te toetsen wat de resultaten zijn dan wel de stand van zaken is omtrent de (nog in te zetten) hulpverleningstrajecten.

3.Het restverzoek

3.1.
Het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen over de periode 14 november 2025 tot 14 juni 2026 en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI rapporteert dat binnen de behandeling van het MBT-P traject van de moeder de afgelopen periode gewerkt is aan de navolgende doelen: bevorderen van commitment, versterken van de ouder-kind relatie en het in kaart brengen van de spanningsopbouw. Door de therapeut van De Viersprong wordt gezien dat hierin stappen zijn gezet. De moeder ontvangt wekelijks behandeling. De ene week individueel, de andere week samen met [minderjarige]. De komende periode zal gefocust worden op de overige/nieuwe doelen, namelijk het onderzoeken of de moeder een eigen hulpvraag heeft, of de moeder openstaat voor hulpverlening en hoe de moeder en [minderjarige] woorden kunnen geven aan hun eigen gevoel. Gezien wordt dat de moeder de spanningen die zij nog ervaart parkeert als zij samen met [minderjarige] is en dat zij daar pas later bij stilstaat. In de komende periode zal met de moeder worden gekeken hoe zij dat kan vertalen naar [minderjarige]. Daarnaast heeft de moeder in een evaluatie op 9 september 2025 aangegeven dat zij verder in het traject ook stil wil staan hoe zij [minderjarige] over de vader kan vertellen. Dit zal ook onderdeel worden van het traject.
Gelet op dit traject ziet de GI voor contactherstel tussen de vader en [minderjarige] op dit moment nog geen ruimte. Eerst dienen binnen het traject de doelen te zijn behaald.
Het MBT-P traject duurt minimaal één jaar en bevindt zich aan de start van het traject.
Dat zo zijnde blijft de GI bij haar verzoek en vraagt zij het aangehouden deel toe te wijzen.
4.2.
De moeder vindt het vervelend dat er nog een ondertoezichtstelling moet zijn, maar geeft aan geen bezwaar te hebben tegen inwilliging van het overige gedeelte van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder ziet in dat zij er nog niet is. De moeder zelf is binnen het MBT-P traject stappen aan het zetten. Daarbij verklaart de moeder er open voor te staan als de vader daar voor [minderjarige] op een later moment bij zal worden betrokken en op veilige wijze gewerkt gaat worden aan contactherstel. De moeder maakt zich wel zorgen wat dat op [minderjarige] voor effect zal gaan hebben.
4.3.
De vader acht het noodzakelijk dat het overige gedeelte van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt toegewezen, omdat hij anders helemaal op een zijspoor komt te staan. De vader verwijst daarbij naar de door de advocaat van de moeder gestuurde brief van 9 oktober 2025 in de gezag en omgangszaak. Daaruit blijkt volgens de vader dat de moeder voor hem geen rol ziet weggelegd in het leven van [minderjarige]. In de afgelopen jaren is het volgens de vader ook niet gelukt om te werken aan contactherstel, omdat de moeder haar angsten voor hem projecteert op [minderjarige].
4.4.
De Raad ondersteunt in het belang van de minderjarige toewijzing van het overige gedeelte van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat hetgeen de kinderrechter in zijn vorige beschikking van 10 juni 2025 heeft overwogen over de gronden waarom de ondertoezichtstelling moest worden verlengd nog steeds aan de orde zijn en als hier herhaald en overgenomen kunnen worden beschouwd. Zo staat de moeder nog aan het begin van haar MBT-P traject. De moeder zet stappen vooruit, maar heeft daarin nog een lange weg te gaan. Binnen de ondertoezichtstelling blijft het realiseren van contactherstel tussen de vader en [minderjarige] het voornaamste doel. Voordat daarin daadwerkelijke stappen kunnen worden gezet, zal de moeder binnen haar traject een stuk verder moeten zijn en zal zij aan [minderjarige] de nodige emotionele toestemming moeten kunnen geven voor dat contact, mits dat te zijner tijd op veilige en verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Zover is het nog niet. Dit gehele proces vraagt van beide ouders, ieder op hun eigen manier, nog veel energie en geduld. Het is aan de GI om in de komende periode toe te blijven zien dat deze stappen die nog moeten worden gezet, gezet zullen worden. Dit brengt met zich dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. Het overige gedeelte van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen.
5.4.
De beslissing wordt op grond van artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 november 2025 tot 14 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.