ECLI:NL:RBZWB:2025:7388

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439243 / JE RK 25-1569 en C/02/439239 / JE RK 25-1566
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van drie minderjarigen wegens onveilige opvoedsituaties

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 oktober 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen. De verzoeken zijn ingediend door de gecertificeerde instelling (GI) William Schrikker Stichting vanwege aanhoudende zorgen over de veiligheid en het welzijn van de kinderen in de thuissituaties bij beide ouders.

De minderjarigen verblijven in verschillende gezinshuizen en kampen met diverse problematieken, waaronder loyaliteitsconflicten, vermoedelijke hechtingsproblematiek en trauma gerelateerd aan het Foetaal Alcohol Syndroom. De oudste minderjarige vertoont zorgwekkend gedrag zoals zelfbeschadiging en heeft zorgelijke uitspraken gedaan over seksueel misbruik. De GI heeft daarom verzocht om verlenging van de maatregelen tot de meerderjarigheid van deze minderjarige.

De ouders zijn het grotendeels eens met de verlengingen, hoewel zij verschillen in mening over de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de jongere kinderen. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn vervuld, gezien de voortdurende onveiligheid en het belang van continuïteit in behandeling en zorg. De machtiging tot uithuisplaatsing van de jongere minderjarigen wordt voor negen maanden verlengd, met een pro forma zitting gepland voor verdere beoordeling.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ouders kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarigen, met specifieke termijnen en een pro forma zitting voor verdere beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers : C/02/439243 / JE RK 25-1569 ( [minderjarige 1] )
: C/02/439239 / JE RK 25-1566 ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3] )
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: W.H.A. de Koning te Schijndel,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: N.A.H. Limbourg te Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in beide zaken op 28 augustus 2025 ontvangen verzoekschriften, met bijlagen;
  • de brief van 12 september 2025 van de GI, met bijlagen;
  • het op 7 oktober 2025 ontvangen bericht van mr. Limbourg, met bijlagen.
1.2.
Op 10 oktober 2025 heeft de kinderrechter de verzoeken in beide zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling behandeld, met gesloten deuren. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder (digitaal via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams), bijgestaan door mr. De Koning die fysiek in de zittingszaal aanwezig was;
  • de vader, bijgestaan door mr. Limbourg;
  • twee vertegenwoordigers namens de GI.
Daarnaast heeft de kinderrechter bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [persoon] , de begeleidster van de moeder vanuit [hulpverlening] , om de zitting als toehoorder bij te wonen (op dezelfde locatie als de moeder; digitaal via MS Teams).
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, gezien hun leeftijd, het recht om hun mening over de verzoeken te geven. [minderjarige 1] heeft haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. De gezinshuismoeder van [minderjarige 2] heeft zijn mening per e-mail aan de kinderrechter kenbaar gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 oktober 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI tot 11 oktober 2025.
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn uit huis geplaatst. Bij beschikking van de kinderrechter van 12 augustus 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (een gezinshuis) voor het laatst verlengd tot 11 oktober 2025.
2.4.
[minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis in [plaats 3] . [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven samen in een gezinshuis in [plaats 2] .

3.De verzoeken en de onderbouwing daarvan

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie (een gezinshuis) te verlengen voor de duur van een jaar.
3.3.
Tijdens de zitting heeft de GI voormelde verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] mondeling gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie (een gezinshuis) te verlengen totdat [minderjarige 1] meerderjarig wordt, te weten tot 2 juli 2026.
3.4.
De GI heeft zich allereerst verontschuldigd dat de verzoekschriften summier zijn en daarom niet voldoen. Onlangs heeft er een wisseling van jeugdbeschermers plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de huidige jeugdbeschermers ter onderbouwing van voormelde (gewijzigde) verzoeken het volgende aangegeven.
3.5.
Er zijn nog steeds zorgen over de onderlinge strijd tussen de ouders. Over en weer verwijten de ouders elkaar dat ze liegen en niet goed voor de minderjarigen zorgen. In het afgelopen jaar is er geen verbetering gezien in de onderlinge verstandhouding tussen de ouders. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen over de fysieke en sociaal-emotionele veiligheid van de minderjarigen in de opvoedsituaties bij beide ouders.
3.6.
Volgens de GI hebben de jongens aangegeven dat alle kinderen uit het gezin regelmatig zijn geslagen door beide ouders en dat zij getuigen zijn geweest van huiselijk geweld tussen de ouders onderling. Het vermoeden bestaat dat de jongens kampen met hechtingsproblematiek dat voortkomt uit het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS), een ernstige hersenaandoening die ontstaat als de moeder alcohol drinkt tijdens de zwangerschap. Hiernaar is nader onderzoek nodig. Omdat de uitkomsten daarvan van invloed zijn op de benadering die de jongens nodig hebben, kan daar niet op vooruit gelopen worden door bijvoorbeeld te starten met (trauma)behandeling. Dit om te voorkomen dat op een later moment blijkt dat een andere behandeling meer passend is. Tegelijkertijd is gebleken dat de jongens aanzienlijke stappen zetten in hun ontwikkeling nu zij in het gezinshuis verblijven. Tot op zekere hoogte is er rust bereikt. Vanuit De Gezinsmanager is er gestart met begeleide omgang tussen de jongens en de ouders afzonderlijk. Ten aanzien van beide ouders is onlangs besloten de omgangsregeling uit te breiden van een uur naar twee uur per week. Daarnaast is De Gezinsmanager ten aanzien van de jongens gestart met een perspectiefonderzoek. Beide trajecten lopen parallel aan elkaar.
3.7.
Over [minderjarige 1] zijn er zorgen over zelfbeschadiging (zowel in gedachten als in daden). Daarnaast heeft zij in het verleden zorgelijke uitspraken gedaan over seksueel misbruik door haar vader. Het is onduidelijk of dit echt heeft plaatsgevonden of dat deze uitspraken een andere oorzaak hebben, bijvoorbeeld loyaliteitsproblematiek. Maar gezien de ernst kan de GI deze zorgen niet passeren. De contacten tussen [minderjarige 1] en de ouders verlopen wisselend. Een dag na Vaderdag heeft [minderjarige 1] aangegeven dat zij samen met haar vader heeft geblowd, hetgeen door de vader wordt ontkend. [minderjarige 1] heeft haar verhaal hierover enige tijd later aangepast. Een en ander heeft geleid tot veel boosheid, frustratie en scheldwoorden vanuit de vader richting [minderjarige 1] , met als gevolg dat [minderjarige 1] opnieuw is gestart met zelfbeschadiging. Gelet hierop is eind juli 2025 besloten om de contacten tussen de vader en [minderjarige 1] tijdelijk stop te zetten. Zodra [minderjarige 1] aangeeft daar klaar voor te zijn, kunnen de contacten tussen hen opnieuw worden hersteld. Op dit moment geeft [minderjarige 1] echter aan daar geen behoefte aan te hebben. [minderjarige 1] wil hier ook niet over praten. Het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt gekenmerkt door aantrekken en afstoten. Daarnaast heeft er een incident plaatsgevonden tijdens een videobelmoment tussen de moeder en [minderjarige 1] , waarbij de moeder zichzelf aan het beschadigen was en dit aan [minderjarige 1] liet zien. Aankomende herfstvakantie komt de moeder voor het eerst naar het gezinshuis waar [minderjarige 1] verblijft. In het gezinshuis maakt [minderjarige 1] kleine stapjes richting een veilige gehechtheidsrelatie met de gezinshuismoeder. Bij [minderjarige 1] is zichtbaar sprake van groei in vertrouwen. [minderjarige 1] heeft specifieke zorg- en opvoedbehoeften en zij heeft intensieve (trauma)behandeling nodig. Dit kan haar in de thuissituatie van beide ouders niet worden geboden. Om die reden is het noodzakelijk dat [minderjarige 1] haar verblijf in het gezinshuis kan voortzetten. Bovendien zou een thuisplaatsing van [minderjarige 1] haar (trauma)behandeling doorkruisen, omdat die vanuit een veilige opvoedsetting moet worden ingezet. Volgende week vindt er een MDO plaats waarbij zal worden gekeken wat [minderjarige 1] nodig heeft om haar de komende periode zo goed mogelijk voor te bereiden op volwassenheid en daarmee het wegvallen van de begeleiding in het kader van ondertoezichtstelling. Voor [minderjarige 1] zal geen perspectiefonderzoek meer plaatsvinden. [minderjarige 1] kan in ieder geval totdat zij 23 jaar wordt in het gezinshuis blijven wonen.
3.8.
De GI concludeert dat de opvoedsituaties bij beide ouders onvoldoende veilig zijn voor de minderjarigen. Ook bestaat de verwachting, indien er op dit moment wordt ingezet op terugplaatsing van de minderjarigen, dat de minderjarigen verder klem raken tussen de ouders en dat er onvoldoende ruimte zal zijn voor contact met de andere ouder. Gelet hierop is de GI van mening dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarigen nog steeds noodzakelijk zijn. Naast het verkrijgen van zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders en op wat de minderjarigen nodig hebben, is het vooral van belang dat de ouders met hun eigen problematiek aan de slag gaan. De GI heeft tot slot de wens van [minderjarige 1] en de jongens gehoord om onderling contact met elkaar te hebben en zal hierover in overleg gaan met de betrokken gezinshuisouders.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het naar haar zin heeft in het gezinshuis. Inmiddels gaat zij vijf dagen per week naar school. Zij wil graag contact hebben met haar broertjes. [minderjarige 1] heeft toestemming gegeven om enkel dit te delen tijdens de zitting. Om die reden heeft de kinderrechter niet gedeeld wat [minderjarige 1] nog meer heeft verteld.
4.2.
De gezinshuismoeder van [minderjarige 2] heeft op 30 september 2025 per e-mail aangegeven dat [minderjarige 2] heeft verteld dat hij graag bij zijn vader en zijn moeder wil zijn. [minderjarige 2] heeft het gevoel dat zijn vader vindt dat hij bij hem moet gaan wonen. Maar [minderjarige 2] vindt het moeilijk om hierin een keuze te maken.
4.3.
Namens en door de vader is het volgende aangegeven. Het afgelopen jaar is, vanwege de echtscheidingsprocedure tussen de ouders, spanningsvol verlopen. Er is dan ook veel gebeurd. Daar is inmiddels een streep onder gezet. De vader wil zijn blik graag op de toekomst richten. Hij erkent dat er hulpverlening nodig is, gericht op het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. De vader stemt daarom in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De vader is daarnaast van mening dat het geen zin heeft en mogelijk zelfs averechts zal werken als het herstel van contact tussen hem en [minderjarige 1] wordt geforceerd. De vader verzet zich daarom niet tegen de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . De vader benadrukt hierbij dat, als [minderjarige 1] in de toekomst behoefte heeft aan contact(herstel), zijn deur voor haar altijd openstaat. De vader verzet zich echter tegen de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongens. De vader verzoekt primair afwijzing van voormeld verzoek. De vader stelt daartoe dat hij goed contact heeft met de jongens. Deze contacten vinden onbelast plaats en er zijn geen signalen van onveiligheid. De vader betwist nadrukkelijk de gestelde zorgen over hem met betrekking tot seksueel misbruik. De vader wijst erop dat het openbaar ministerie vorig jaar onderzoek heeft gedaan, maar dat de zaak is geseponeerd. De zorgen die er zijn, worden gedekt door de ondertoezichtstelling. De vader weet niet wat hij nog meer kan doen om aan te tonen dat de jongens bij hem teruggeplaatst kunnen worden. In de afgelopen periode is gezegd dat de vader een persoonlijkheidsonderzoek moet ondergaan. Onlangs is echter gezegd dat dit niet meer nodig is. Nu de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongens een dag na de mondelinge behandeling afloopt, zal afwijzing van het verzoek betekenen dat de jongens per direct dienen te worden teruggeplaatst. De vader staat hiervoor open; de jongens zijn welkom. Maar de vader kan er (subsidiair) mee instemmen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongens wordt verlengd voor de duur van hooguit twee tot drie maanden, om de thuisplaatsing geleidelijk in te zetten.
4.4.
Namens en door de moeder is het volgende aangevoerd. De moeder stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De moeder kan daarnaast instemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van (maximaal) zes maanden. De moeder wil graag dat de minderjarigen weer bij haar komen wonen. Het perspectiefonderzoek dat ten aanzien van de jongens wordt verricht, duurt al veel te lang. De moeder vindt het bovendien te vroeg voor zo’n onderzoek. Voor [minderjarige 1] geldt dat zij over negen maanden meerderjarig wordt. Volgens de moeder wil [minderjarige 1] zelf graag bij de moeder wonen. Gesteld wordt dat het perspectief van [minderjarige 1] in het gezinshuis is gelegen, maar [minderjarige 1] kan, zodra zij meerderjarig is, zelf beslissen om weer bij de moeder te gaan wonen. De moeder vraagt zich daarom af waarom er niet nu al wordt voorgesorteerd op die situatie door [minderjarige 1] (geleidelijk) terug te plaatsen bij de moeder. De moeder benadrukt tot slot dat het onduidelijk is waar zij precies aan moet werken. De GI heeft namelijk geen verbeterplan opgesteld.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW, is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Verlenging ondertoezichtstelling
5.5.
Het is de kinderrechter gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders en, daarmee samenhangend, de strijd die zij voeren, de daaruit voortkomende spanningen en het onderlinge wantrouwen. Als gevolg hiervan zijn de minderjarigen in een loyaliteitsconflict geraakt, waarbij zij zich afwijzend opstellen richting (één van) hun ouders, althans zij zich gedwongen lijken te voelen om een keuze te maken tussen de ouders. Gelet hierop stelt de kinderrechter vast dat de zorgen die hebben geleid tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog steeds bestaan, althans dat deze nog niet volledig zijn weggenomen. Daarnaast zijn er zorgen over fysieke en sociaal-emotionele onveiligheid in de opvoedsituaties bij beide ouders vanwege huiselijk geweld, kindermishandeling en mogelijk seksueel misbruik. Gelet hierop wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Beide ouders stemmen hiermee in. De kinderrechter zal de verzoeken, die niet zijn weersproken, daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de (verzochte) duur van een jaar, tot 11 oktober 2026. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] zal worden verlengd voor de (verzochte) periode totdat zij meerderjarig wordt, te weten tot 2 juli 2026.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1]
5.6.
De zorgen over [minderjarige 1] zijn groot. [minderjarige 1] kampt met loyaliteitsproblemen en er zijn zorgen vanwege automutilatie. Daarnaast heeft [minderjarige 1] zorgelijke uitspraken gedaan in relatie tot haar vader. [minderjarige 1] heeft momenteel geen contact met haar vader en slechts beperkt contact met haar moeder, waarbij dit contact wordt gekenmerkt door aantrekken en afstoten. Ook zou er een incident hebben plaatsgevonden tijdens beeldbellen waarbij de moeder aan zelfbeschadiging deed en waarvan [minderjarige 1] getuige is geweest. In het gezinshuis maakt [minderjarige 1] inmiddels kleine stapjes in het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie met de gezinshuismoeder.
5.7.
Namens en door de moeder is verzocht om [minderjarige 1] in de komende periode bij haar terug te plaatsen. Gebleken is echter dat [minderjarige 1] specifieke zorg- en opvoedbehoeften heeft en dat zij intensieve (trauma)behandeling nodig heeft. Deze (trauma)behandeling moet onmiddellijk starten en moet worden ingezet vanuit een situatie van rust en veiligheid. Het gezinshuis kan, anders dan de moeder, die rust en veiligheid bieden. De kinderrechter is daarom van oordeel dat uithuisplaatsing nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] noodzakelijk is en dat aldus wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] .
5.8.
Om te voorkomen dat het vooruitzicht van een volgende zitting over zes maanden, waarin dan (opnieuw) terugplaatsing bij de moeder zal worden besproken, [minderjarige 1] zal belemmeren in haar behandeling, acht de kinderrechter het niet in haar belang om het verzoek beperkt toe te wijzen en een machtiging voor de duur van (maximaal) zes maanden te verlenen, zoals door en namens de moeder is verzocht. De behandeling van [minderjarige 1] moet op dit moment, nu zij nog minderjarig is en onder toezicht van jeugdbescherming valt, prioriteit krijgen. [minderjarige 1] moet deze behandeling in relatieve rust, zonder druk van buitenaf en op haar eigen tempo kunnen doorlopen. De kinderrechter zal het verzoek daarom volledig toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengen voor de (verzochte) periode totdat zij meerderjarig wordt, te weten tot 2 juli 2026.
5.9.
De GI heeft aangegeven dat [minderjarige 1] ook na haar achttiende verjaardag in het gezinshuis kan blijven wonen. De kinderrechter overweegt in dat verband dat beide maatregelen voor [minderjarige 1] zullen aflopen zodra zij meerderjarig wordt. Dit betekent dat [minderjarige 1] dan zelf kan bepalen waar zij wil wonen: in het gezinshuis, bij één van haar ouders of ergens anders. De kinderrechter geeft de GI in overweging om in de komende periode te blijven monitoren wat [minderjarige 1] uiteindelijk zou willen. Immers, als [minderjarige 1] dan bij haar moeder zou willen gaan wonen is het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk om haar daar te zijner tijd bij te begeleiden,
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
5.10.
Gebleken is dat er zorgen bestaan over de fysieke en sociaal-emotionele onveiligheid in de opvoedsituaties bij beide ouders. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen dat de minderjarigen onvoldoende ruimte zullen ervaren om contact te (mogen) hebben met de andere ouder indien zij bij één van de ouders worden teruggeplaatst. Hier zal meer zicht op moeten worden verkregen, alvorens eventueel te kunnen inzetten op een terugplaatsing van [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] bij een van de ouders. Het enkele feit dat de zeer beperkte, begeleide contactmomenten tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de ouders positief verlopen is onvoldoende voor de conclusie dat terugplaatsing van de minderjarigen bij de vader verantwoord en veilig is, zoals de vader stelt. Dit maakt, naar het oordeel van de kinderrechter, dat een uithuisplaatsing nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is en dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
5.11.
De Gezinsmanager is ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] reeds gestart met een perspectiefonderzoek. Daarnaast is er onderzoek nodig naar mogelijke hechtingsproblematiek bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , mogelijk voortkomend uit het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS). Afhankelijk van de uitkomst daarvan, zal de GI moeten bezien wat de jongens nodig hebben met betrekking tot hun opvoed- en zorgbehoeften en de in te zetten behandeling. De uitkomsten van voormelde onderzoeken zijn van belang om te bepalen of een terugplaatsing van [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] in hun belang te achten is en zo ja, hoe dit op een passende en verantwoorde manier kan gebeuren. Gelet op de verwachte duur van het perspectiefonderzoek, zal de kinderrechter het verzoek beperkt toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van negen maanden, tot 11 juli 2026. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot hierna te noemen pro forma datum, in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI over de actuele stand van zaken, waarbij zij met name dient in te gaan op de uitkomsten van het perspectiefonderzoek en, in verband daarmee, haar standpunt over het resterende deel van het verzoek. Aan de ouders wordt vervolgens de gelegenheid geboden om hier binnen twee weken (via hun advocaten) op te reageren. Omdat de uitkomsten van het perspectiefonderzoek moeten worden afgewacht alvorens eventueel te kunnen inzetten op een terugplaatsing van [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] bij een van de ouders, ziet de kinderrechter geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor een kortere duur te verlenen, zoals namens en door beide ouders is verzocht.
Verklaring uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep de beslissing niet schorst.
5.13.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak C/02/439243 / JE RK 25-1569:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 2 juli 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie (een gezinshuis) tot 2 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
In de zaak C/02/439239 / JE RK 25-1566:
6.4.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 11 oktober 2026;
6.5.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie (een gezinshuis) tot 11 juli 2026;
6.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
houdt de beslissing over het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan tot
donderdag 28 mei 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek;
6.8.
stelt vervolgens de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om binnen twee weken daarop schriftelijk te reageren;
6.9.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025 door mr. Struijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 28 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.