ECLI:NL:RBZWB:2025:7386

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/436905 / JE RK 25-1150
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ernstige opvoedproblemen

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant om een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor een minderjarige geboren in 2010, die sinds medio juli 2025 verblijft in een gesloten accommodatie vanwege ernstige opvoed- en opgroeiproblemen.

Eerder waren tijdelijke en spoedmachtigingen verleend, waarbij de minderjarige uit huis geplaatst werd. De GI onderbouwt het verzoek met positieve maar nog kwetsbare ontwikkelingen van de minderjarige, die gesprekken voert met gedragsdeskundigen en een kinderpsycholoog. Een onafhankelijke gedragswetenschapper bevestigt de noodzaak van de gesloten setting vanwege het risico op terugval.

De minderjarige, zijn advocaat en de Raad voor de Kinderbescherming erkennen de vooruitgang en stemmen in met het verzoek. De kinderrechter overweegt dat de wettelijke vereisten voor de machtiging zijn vervuld, waaronder de ernst van de problematiek, de noodzaak van gesloten opname en het ontbreken van minder ingrijpende alternatieven.

De machtiging wordt toegekend voor drie maanden tot 31 januari 2026, met het oog op een geplande overstap naar een hybride groep en uiteindelijk een meer open setting. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de machtiging gesloten jeugdhulp voor de minderjarige tot 31 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436905 / JE RK 25-1150
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over het resterende deel van het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven nadere beschikking van de kinderrechter van 16 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage van 3 oktober 2025 van de GI, met bijlagen;
  • het op 9 oktober 2025 ontvangen bericht van de GI, met als bijlage de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper.
1.2.
Op 10 oktober 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
  • [minderjarige] , die ook afzonderlijk is gehoord, bijgestaan door mr. Elings;
  • een vertegenwoordigster namens de GI;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 april 2025 is de GI belast met de tijdelijke voogdij over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 juli 2025 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend voor de duur van twee weken, tot 24 juli 2025.
2.3.
Bij voormelde beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 16 juli 2025 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 31 juli 2025. Daarnaast is (aansluitend) een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 31 oktober 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de zitting op 10 oktober 2025.
2.4.
Op grond van voormelde machtiging is [minderjarige] uit huis geplaatst en verblijft hij momenteel bij [accommodatie] in [plaats 1] , in een gesloten setting.

3.Het resterende deel van het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI om ten aanzien van [minderjarige] een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden, in dit geval tot 31 januari 2026.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van voormeld verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
[minderjarige] verblijft sinds medio juli 2025 bij [accommodatie] in een gesloten setting. De eerste periode stond in het teken van het wennen op de groep; aan de andere jongeren, aan de begeleiders en aan de regels en aan de afspraken. Het opbouwen van vertrouwen heeft tijd en aandacht nodig. [minderjarige] heeft zich tot nu toe positief ontwikkeld. [minderjarige] voert momenteel gesprekken met een gedragsdeskundige en met een kinderpsycholoog. Hij stelt zich meewerkend op en hij doet zijn best om openheid van zaken te geven over wat hij heeft meegemaakt. Echter lijkt hij ook sociaal-wenselijk gedrag te vertonen met als doel om zo snel als mogelijk overgeplaatst te worden naar een open setting. Er wordt dan ook gezien dat [minderjarige] nog over onvoldoende intrinsieke motivatie beschikt om de noodzakelijk geachte behandeling echt aan te gaan.
3.3.
De GI stelt daarnaast dat er wordt ingezet op het verduidelijken van het perspectief van [minderjarige] . Recentelijk zijn de gedragsdeskundigen vanuit de GI gestart met een Gedeeltelijke Verklarende Analyse (GVA) om zicht te krijgen op bepaalde positieve en negatieve patronen (om herhaling te voorkomen) en, daarmee samenhangend, te bezien wat [minderjarige] nodig heeft met betrekking tot zijn opvoedsituatie. De vader, de oma en oom van [minderjarige] worden hierbij betrokken. Volgens de GI lijken zij inmiddels in te zien dat [minderjarige] hulp nodig heeft. De jeugdbeschermer heeft tot nu toe positief contact met hen. Ook is de omgang tussen [minderjarige] en zijn oma in de afgelopen periode uitgebreid.
3.4.
In november 2025 zal [minderjarige] naar verwachting doorstromen naar een hybride (besloten) groep “ [groep] ” van [accommodatie] in [plaats 2] . Voor die plaatsing is een machtiging gesloten jeugdhulp nodig. Aankomende week zal [minderjarige] een keer daar kennismaken en in de week daarop zal hij daar eenmaal overnachten. Het is nog onduidelijk wanneer [minderjarige] precies kan overstappen naar de hybride groep. Van daaruit zal, mede aan de hand van de uitkomsten van de GVA, worden ingezet op een overplaatsing van [minderjarige] naar een (meer) open setting. [minderjarige] is aangemeld voor (ambulante) hulpverlening vanuit OpenDoor, om hem daar zo goed als mogelijk bij te begeleiden. Om voormeld stappenplan te kunnen uitvoeren, handhaaft de GI het resterende deel van het verzoek.
3.5.
Voorafgaand aan de zitting heeft de GI een schriftelijke verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper (van 6 oktober 2025) overgelegd, waaruit blijkt dat de onafhankelijke gedragswetenschapper, nadat hij [minderjarige] feitelijk heeft onderzocht, instemt met de (verzochte) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] voor de duur van drie maanden. De onafhankelijke gedragswetenschapper heeft hierbij aangegeven dat [minderjarige] in de afgelopen maanden heeft laten zien dat hij vanuit de beslotenheid bij [accommodatie] in staat is om tot rust te komen, om relaties op te bouwen met de hulpverleners en om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. Tegelijkertijd is duidelijk dat deze ontwikkeling sterk afhankelijk is van de veilige en voorspelbare omgeving die de gesloten setting biedt. Naar de mening van de onafhankelijke gedragswetenschapper zijn de positieve ontwikkelingen op dit moment nog te kwetsbaar om de overgang van [minderjarige] naar een volledig open setting aan te kunnen. Op dit moment is de kans dat [minderjarige] zal terugvallen in negatief gedrag, naar de mening van de onafhankelijke gedragswetenschapper, dan ook nog reëel.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Op dit moment gaat het goed met hem. Hij merkt zelf ook een vooruitgang in zijn eigen gedrag en houding. Het is niet zo dat [minderjarige] langer op de gesloten groep wil blijven. Maar hij begrijpt dat het op dit moment nog nodig is om langer daar te blijven. Binnenkort zal hij de overstap maken naar een hybride groep. Van daaruit wil hij, zodra hij daar klaar voor is, graag worden teruggeplaatst bij zijn oma.
4.2.
De advocaat heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De advocaat geeft [minderjarige] een groot compliment voor wat hij tot nu toe heeft bereikt. Dit is, gezien de omstandigheden waar hij vandaan komt en waar hij bij [accommodatie] mee te maken heeft gehad (zoals een verbouwing op de groep en een plaatsing tijdens de vakantieperiode met personeelstekorten en zonder de structuur vanuit school) ontzettend knap. Het is belangrijkste is dat [minderjarige] nu perspectief geboden wordt. De advocaat stemt in met het resterende deel van het verzoek.
4.3.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad geeft [minderjarige] ook een groot compliment voor de positieve stappen die hij tot nu toe heeft gezet. Daarnaast sluit de Raad zich aan bij het stappenplan van de GI, op basis waarvan [minderjarige] stapsgewijs zal worden overgeplaatst naar een (meer) open setting, waarbij het, indien mogelijk, de bedoeling is dat hij uiteindelijk zal worden teruggeplaatst bij zijn oma. Dit is namelijk wat [minderjarige] graag wil.

5.De nadere beoordeling

5.1.
In artikel 6.1.2. van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat [minderjarige] kampt met ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek waardoor hij ernstig wordt belemmerd in zijn ontwikkeling richting zijn volwassenheid. De kinderrechter heeft deze problematiek uitgebreid uiteengezet in de in deze zaak gegeven beschikkingen van 10 en 16 juli 2025. De kinderrechter zal dit daarom niet herhalen. In verband met zijn opvoed- en opgroeiproblematiek, heeft [minderjarige] in de afgelopen periode bescherming, begeleiding en behandeling nodig gehad in een gesloten setting. Ook vindt er (nadere) diagnostiek plaats. De eerste periode stond vooral in het teken van wennen en het opbouwen van vertrouwen. Inmiddels heeft [minderjarige] gesprekken met een gedragsdeskundige en een kinderpsycholoog. Daarnaast is er een Gedeeltelijke Verklarende Analyse (GVA) gestart, om zicht te verkrijgen op wat hij nodig heeft met betrekking tot zijn toekomstperspectief, oftewel de plek waar hij verder zal opgroeien. Dit om de kans van slagen van de overplaatsing van [minderjarige] naar een meer open setting zo groot als mogelijk te maken.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] het tot nu toe erg goed doet. Doordat [minderjarige] veel heeft meegemaakt, is hij van ver gekomen. De kinderrechter is het dan ook eens met de GI, de Raad en de advocaat, dat [minderjarige] een groot compliment verdient. Tegelijkertijd is [minderjarige] er nog niet. De behandeling is namelijk nog niet afgerond en de positieve ontwikkelingen zijn nog pril en kwetsbaar. Bovendien wordt gezien dat [minderjarige] nog over onvoldoende intrinsieke motivatie beschikt om de noodzakelijk geachte behandeling
echtaan te gaan. Er bestaat op dit moment dan ook een reëel risico dat [minderjarige] zal terugvallen in negatief gedrag, zo heeft de onafhankelijke gedragswetenschapper geconcludeerd. Het is de bedoeling dat [minderjarige] in november 2025 de overstap zal maken naar de hybride (besloten) groep van [accommodatie] “ [groep] ” in [plaats 2] . Van belang is dat [minderjarige] tot dat moment zijn verblijf op de huidige, gesloten groep kan voortzetten. Zowel voor het voortzetten van het verblijf van [minderjarige] op de huidige groep als voor de plaatsing op de hybride (besloten) groep, is een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] . De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen en een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verlenen voor de duur van drie maanden, in dit geval tot 31 januari 2026.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] , met ingang van 31 oktober 2025 tot 31 januari 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk uitgewerkt op 17 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.