ECLI:NL:RBZWB:2025:7340

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
11421376 \ CV EXPL 24-4244 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • mr. Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg cao en netto jaarurennorm in arbeidszaak

In deze zaak heeft de kantonrechter op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijke kwestie tussen een werknemer en een werkgever. De zaak betreft de uitleg van een cao-bepaling die een netto jaarurennorm van 1654 uur minus leeftijdsuren voor de werknemer vastlegt. In een tussenvonnis van 11 juni 2025 werd de werkgever de gelegenheid geboden om bewijsstukken te overleggen over de uitvoering van deze cao-bepaling. De werkgever heeft een andere berekeningswijze gepresenteerd, maar de kantonrechter oordeelde dat de uitkomst gelijk was aan de door de kantonrechter gegeven rekenvoorbeelden. De kantonrechter concludeerde dat de werknemer zijn vordering onvoldoende had onderbouwd, wat leidde tot afwijzing van de vordering. De werknemer werd ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die op € 982,50 zijn vastgesteld. De werkgever had een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld, maar deze werd niet behandeld omdat de vordering van de werknemer in conventie werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11421376 \ CV EXPL 24-4244
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: FNV RVH Rotterdam,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. P.G. Vestering.

1.De zaak in het kort

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 11 juni 2025 overwogen dat de cao zo moet worden uitgelegd dat voor werknemer een netto jaarurennorm geldt van 1654 uur minus het toepasselijke aantal leeftijdsuren. Vervolgens is werkgever in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit volgt of en zo ja hoe werkgever hieraan uitvoering heeft gegeven. Werkgever heeft bij akte na tussenvonnis stukken met een toelichting overgelegd waaruit volgt dat zij weliswaar een andere berekeningswijze heeft toegepast, maar dat de uitkomst hetzelfde is. De kantonrechter is van oordeel dat in het licht van deze gemotiveerde betwisting werknemer zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom wijst de kantonrechter de vordering af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 juni 2025
- de akte van [werkgever] met productie
- de akte van [werknemer] met eiswijziging met producties
- de antwoordakte eiswijziging met productie.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

in conventie
3.1.
In het tussenvonnis van 11 juni 2025 heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat de kantonrechter de toepasselijke cao-bepaling(en) zo uitlegt dat voor [werknemer] wel een netto jaarurennorm geldt, maar niet het aantal van 1654 uur. In plaats daarvan geldt het aantal van 1654 uren minus het aantal leeftijdsuren waar [werknemer] in het betreffende jaar recht op heeft, zodat [werknemer] de extra verlofuren kan genieten waarop hij wegens zijn leeftijd recht heeft.
3.2.
Aangezien het de vraag was of [werkgever] de berekening van de arbeidsduur en de verlofuren van [werknemer] over de jaren 2017 tot en met 2021 overeenkomstig voormelde uitleg heeft uitgevoerd, is [werkgever] in de gelegenheid gesteld om hierover bij akte stukken met een toelichting in het geding te brengen. Daarbij heeft de kantonrechter in het tussenvonnis vier rekenvoorbeelden gegeven. Hierbij werd uitgegaan van de volgende getallen:
- Jaaruren: 1881
- Wettelijke en (reguliere) bovenwettelijke verlofuren: 200
- Feestdaguren op werkdag: 54
- Netto jaarurennorm: 1654
- Leeftijdsuren: 24
3.3.
Van de vier rekenvoorbeelden in het tussenvonnis leidde er slechts één tot de juiste uitkomst, namelijk rekenvoorbeeld a. Dat was – met de gegevens van het jaar 2018 – de volgende berekening, waarbij de leeftijdsuren in mindering worden gebracht op de netto jaarurennorm:
1881
200
-
1681
54
-
1627
1630
- (1654 - 24)
-3
3.4.
[werkgever] heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om bij akte stukken met toelichting in het geding te brengen waaruit blijkt hoe [werkgever] in de jaren 2017 tot en met 2021 de leeftijdsuren van [werknemer] heeft verwerkt. Daaruit volgt een vijfde berekeningswijze, waarbij de leeftijdsuren – in tegenstelling tot de overige verlofuren en feestdaguren op werkdagen – niet van de bruto jaaruren worden afgetrokken. Die berekening ziet er met de gegevens van het jaar 2018 als volgt uit:
1881
176
- (200-24)
1681
54
-
1651
1654
-
-3
3.5.
Voormelde berekeningswijze van [werkgever] komt dus op eenzelfde uitkomst als voormeld rekenvoorbeeld a. van de kantonrechter. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat [werkgever] de vordering van [werknemer] met haar akte met productie na tussenvonnis voldoende gemotiveerd heeft betwist. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [werknemer] zijn (gewijzigde) vordering onvoldoende onderbouwd. [werknemer] stelt dat [werkgever] er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de leeftijdsuren juist zijn verwerkt, omdat [werkgever] in haar berekeningen een andere methode heeft gekozen dan rekenvoorbeeld a. van de kantonrechter. Dat is op zich juist, maar naar het oordeel van de kantonrechter niet van doorslaggevende betekenis, omdat de uitkomst van deze twee berekeningen wel hetzelfde is Weliswaar komt [werkgever] uiteindelijk over 2018 tot een saldo van 0 en niet voormelde -3, maar dat komt doordat [werkgever] [werknemer] in zijn voordeel niet 24 leeftijdsuren heeft toegekend maar 27, waardoor de berekening over 2018 er als volgt uitziet:
1881
173
- (200-27)
1681
54
-
1651
1654
-
Overigens zijn voor de voorbeeldberekeningen de gegevens van het jaar 2018 gebruikt, maar [werkgever] heeft gesteld dat voor de overige jaren in de periode 2017 tot en 2021 dezelfde berekeningswijze is gehanteerd. [werknemer] heeft niet aangevoerd dat 2018 geen representatief jaar is voor de andere jaren in deze periode, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat 2018 inderdaad representatief is voor de overige jaren.
3.6.
Kortom, de (gewijzigde) vordering van [werknemer] is gebaseerd op de stelling dat hij wegens een onjuiste verwerking van zijn leeftijdsuren nog recht heeft op de uitbetaling van een aantal tijd voor tijd uren, maar deze stelling heeft [werknemer] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [werkgever] onvoldoende onderbouwd. Daarom zal de kantonrechter de (gewijzigde) vordering van [werknemer] afwijzen.
3.7.
[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
847,50
(2,5 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
982,50
in reconventie
3.8.
[werkgever] heeft een eis in reconventie ingesteld indien en voor zover de vordering van [werknemer] in conventie wordt toegewezen. Dat is niet het geval, zodat niet aan de voorwaarde van de voorwaardelijke eis in reconventie is voldaan. Daarom zal deze voorwaardelijke eis in reconventie niet verder behandeld worden zal er ook geen beslissing op gegeven worden.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
4.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 982,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.