ECLI:NL:RBZWB:2025:7255
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning uit 1971 met een woonoppervlakte van 114 m² en aanvullende voorzieningen zoals een garage, dakkapel en balkon. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vast op €308.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepaling, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald aan de hand van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en gebruikte drie referentiewoningen die qua bouwjaar, ligging en verkoopdatum goed vergelijkbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende had de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen niet bestreden en de rechtbank vond geen schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €308.000 blijft gehandhaafd.