Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:7203

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
02-144335-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak openlijke geweldpleging, ontslag van rechtsvervolging wegens niet strafbaar subsidiair feit

Op 21 februari 2023 vond een incident plaats waarbij verdachte betrokken was in Diessen. Verdachte werd beschuldigd van openlijke geweldpleging in vereniging tegen een slachtoffer, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, dan wel subsidiair van het opzettelijk gelegenheid verschaffen tot geweldpleging. Tijdens de zitting op 26 september 2025 en de sluiting van het onderzoek op 10 oktober 2025 werden standpunten van het OM en de verdediging uitgewisseld.

De rechtbank oordeelde dat verdachte geen significante bijdrage had geleverd aan het geweld zelf, maar wel met zijn auto het slachtoffer had achtervolgd en afgeknepen, waardoor medeverdachte de gelegenheid kreeg het slachtoffer te mishandelen. Dit subsidiair ten laste gelegde feit kon echter niet worden gekwalificeerd onder artikel 141a Sr omdat mishandeling geen openlijke geweldpleging is en de wetsgeschiedenis van artikel 141a Sr dit artikel beperkt tot voorbereidingshandelingen van openlijk geweld.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit en ontsloeg hem van alle rechtsvervolging voor het subsidiair ten laste gelegde feit. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter. De rechtbank veroordeelde verdachte tot betaling van de kosten van de benadeelde partij, die tot op heden nihil waren.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van openlijke geweldpleging en ontslagen van rechtsvervolging voor het subsidiair ten laste gelegde feit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-144335-24
vonnis van de meervoudige kamer van 24 oktober 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 september 2025, waarbij de officier van justitie, mr. R.M.A. in ’t Veld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 10 oktober 2025.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk, weergegeven op neer dat verdachte op 21 februari 2023 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] met (zwaar) lichamelijk letsel tot gevolg dan wel dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij een mishandeling.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd, met uitzondering van het ten laste gelegde (zwaar) lichamelijk letsel.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de openlijke geweldpleging of de opzettelijke hulp daarbij. Verdachte heeft geen significante bijdrage geleverd aan de openlijke geweldpleging en ook heeft hij niet opzettelijk hulp hieraan verleend. Verdachte ontkent het klemrijden, terwijl er geen betrouwbaar bewijs voorhanden is waaruit dit wel blijkt. Blijkens de verklaringen in het dossier blijkt evenmin dat verdachte heeft deelgenomen aan het geweld tegen [slachtoffer 1] .
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten, omstandigheden en volgorde van de gebeurtenissen op de avond van 21 februari 2023.
Op die avond hebben verschillende geweldplegingen plaatsgevonden in en nabij partycentrum [locatie] . Verdachte is door zijn broertje [medeverdachte 1] gebeld om ter plaatse te komen. Kort na, of op het moment dat verdachte ter plaatse kwam, heeft er geweld tegen [slachtoffer 2] plaatsgevonden. Verdachte erkent dat hij aanwezig is geweest bij het geweld tegen [slachtoffer 2] tegenover de [locatie] , waar hij overigens geen rol in heeft gehad. Verdachte wist dan ook dat er fors geweld is gepleegd tegen deze [slachtoffer 2] en is met die wetenschap samen met [medeverdachte 3] weggereden bij de [locatie] , terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de fiets stapten. Onderweg ziet [medeverdachte 3] [slachtoffer 1] en zijn vriend [naam] , die volgens [medeverdachte 3] betrokken zouden zijn geweest bij het geweld tegen zijn broertje. Verdachte rijdt vervolgens dan bewust achter hen aan. [slachtoffer 1] en [naam] zagen op enig moment de auto rijden die werd bestuurd door verdachte. Zij kregen argwaan door het vreemde rijgedrag van de auto en op het moment dat de auto hun weg blokkeerde op het fietspad zijn zij omgedraaid omdat zij geen problemen wilden. Zij fietsten terug waarbij zij op enig moment piepende banden hoorden en zagen dat de Audi A3 van verdachte op hen afgereden kwam en op hen in wilde rijden. Het is op dat moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gekeerd en ook achter [slachtoffer 1] en [naam] aan zijn gefietst. [slachtoffer 1] en [naam] hebben de auto kunnen ontwijken. [naam] moest door de manoeuvre van de auto van zijn fiets afspringen en [slachtoffer 1] kwam ten val. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [naam] en [slachtoffer 1] . Nadat [slachtoffer 1] , door toedoen van verdachte, ten val is gekomen, is er fors geweld op hem uitgeoefend door de medeverdachten. [naam] heeft weten te ontkomen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte geen fysieke bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is het aandeel van verdachte in de openlijke en in vereniging gepleegde geweldpleging gelegen in het achtervolgen en blokkeren van [slachtoffer 1] . Deze handeling die aan verdachte kan worden toegeschreven is niet als zodanig verfeitelijkt in het primair ten laste gelegde. Dit maakt dat het handelen van verdachte niet als onderdeel van het geweld kan worden gekwalificeerd.
Ondanks dat het handelen van verdachte de inleiding is geweest naar het geweld is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van een significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld, nu het handelen van verdachte niet in de tenlastelegging is opgenomen. De rechtbank zal verdachte reeds om die reden van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte door zijn handelen middelen of gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van geweld, zoals subsidiair ten laste gelegd.
Verdachte heeft weliswaar niet deelgenomen aan fysieke geweldhandelingen maar hij heeft ook geen enkele poging ondernomen om het geweld te stoppen. Hij heeft, door met zijn auto [slachtoffer 1] af te snijden die als gevolg daarvan ten val kwam, de medeverdachte [medeverdachte 3] de gelegenheid verschaft om geweld tegen hem te plegen. Anders dan verdachte beweert, biedt het dossier geen steun voor zijn verklaring dat het zijn bedoeling was om een gesprek met [slachtoffer 1] (en [naam] ) te voeren of, zoals hij later op zitting verklaarde, [slachtoffer 1] en [naam] tot stoppen te dwingen om ze aan de politie over te dragen. Evenmin biedt het dossier steun voor de verklaring van verdachte dat het geweld tegen [slachtoffer 2] plaatsvond ná het geweld tegen [slachtoffer 1] en dat verdachte dus niet wist dat de intentie was om geweld te plegen. Alle andere verdachten in het dossier verklaren over het verloop van de avond dat het geweld tegen [slachtoffer 2] plaatsvond voor het geweld tegen [slachtoffer 1] .
De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gelegenheid verschaffen tot de mishandeling van [medeverdachte 3] tegen [slachtoffer 1] . Het subsidiair ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 21 februari 2023, te Diessen, gemeente Hilvarenbeek, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van geweld tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig die [slachtoffer 1] achterna te rijden en af te snijden en tot stoppen te dwingen en het voertuig tot stilstand te brengen zodat medeverdachte, [medeverdachte 3] , kon uitstappen en zich richting voornoemde [slachtoffer 1] kon bewegen om hem te mishandelen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1
De kwalificatie van het bewezen verklaarde
Artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van geweld tegen personen of goederen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”
Uit de tekst van de tenlastelegging volgt dat de opsteller daarvan kennelijk heeft bedoeld de verdachte te vervolgen voor de medeplichtigheid bij de mishandeling door [medeverdachte 3] van [slachtoffer 1] . De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag hoe artikel 141a Sr dient te worden geïnterpreteerd en of het onder 4.4 bewezen verklaarde feit als zodanig kan worden gekwalificeerd.
Artikel 141a Sr is door de wetgever aangenomen bij de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Gemeentewet, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht ter regeling van de bevoegdheid van de burgemeester en de bevoegdheid van de officier van justitie tot het treffen van maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme, ernstige overlast of ernstig belastend gedrag jegens personen of goederen (maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast) (
Stb. 2010, 325). Met de introductie van verschillende maatregelen werd het volgende beoogd (
Kamerstukken I2009/2010, 31 467, nr. C):
Omdat voetbalvandalisme een vorm is van ernstige, groepsgebonden overlast, zijn er in het wetsvoorstel geen bepalingen opgenomen die specifiek zien op voetbalvandalisme. De maatregelen ter bestrijding van ernstige overlast kunnen ook worden ingezet ter bestrijding van voetbalvandalisme of ernstige verstoring van andere evenementen.
Bij amendement werd voorgesteld om aan artikel 46 Sr Pro de voorbereiding van artikel 141 Sr Pro toe te voegen, waarmee werd beoogd “tevens strafbaar te stellen voorbereiding van openlijke geweldpleging (in georganiseerd verband), en daarmee opsporing van dergelijke misdrijven, die een groot gevolg kunnen hebben voor de algemene veiligheid van personen en goederen, in een vroeg stadium mogelijk te maken.” (Kamerstukken II 2008/2009, 31 467, nr. 13). Uiteindelijk is ervoor gekozen een nieuwe strafbaarstelling in het wetboek op te nemen onder artikel 141a Sr.
Wanneer de letter van artikel 141a Sr wordt gevolgd, heeft het een groot toepassingsbereik. De Raad van State heeft daarvoor in haar advies al gewaarschuwd (Kamerstukken I 2009/2010, 31 467, nr. G):
De afdeling merkt voorts op dat een regeling die een specifieke uitzondering maakt op een wettelijk systeem zo beperkt mogelijk moet worden omschreven en zoveel mogelijk moet worden toegespitst op het probleem waarop zij een antwoord wil geven. Als een uitzondering op het systeem ruimer wordt omschreven dan noodzakelijk is, bestaat volgens de afdeling het gevaar dat de uitzondering in de praktijk ruimer wordt toegepast dan bedoeld was.
Uit de toelichting van de minister op het wetsvoorstel blijkt echter dat met het creëren van artikel 141a Sr hetzelfde is beoogd als met het eerder genoemde amendement, namelijk het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen van artikel 141 Sr Pro, en dus niet is bedoeld het toepassingsbereik daarvan te verruimen. De minister ziet dat laatste namelijk als gronddelict van het nieuwe artikel 141a Sr (Kamerstukken I 2009/2010, 31 467, nr. G).
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de bedoeling van de wetgever met de strafbaarstelling onder 141a Sr is geweest het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen die zien op het plegen van openlijk geweld door (grote) groepen, al dan niet in relatie tot evenementen, welk geweld in potentie ernstige overlast kan veroorzaken en een groot gevolg kan hebben voor de algemene veiligheid van goederen en personen. Het toepassingsbereik van artikel 141a Sr is dus naar het oordeel van de rechtbank beperkt tot de voorbereiding van openlijk geweld in de zin van artikel 141 Sr Pro.
De rechtbank komt tot de conclusie dat een redelijke wetsuitleg met zich meebrengt dat het subsidiaire ten laste gelegde ‘behulpzaam zijn bij een mishandeling’ niet kan worden gekwalificeerd als het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld tegen personen of goederen als bedoeld in artikel 141a Sr. Mishandeling is immers een ander delict dan het plegen van openlijk geweld en valt niet onder artikel 141 Sr Pro. Mishandeling en openlijk geweld kennen ook heel andere beschermde belangen. Nu het bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd, zal de rechtbank de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.831,49, waarvan
€ 1.731,49 aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade minus het bedrag van
€ 350,- dat reeds is vergoed door medeverdachte [medeverdachte 3] bij wijze van voorschot.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en voor het subsidiair tenlastegelegde feit zal worden ontslagen van alle rechtsgevolgen.
.
De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 141a van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart het subsidiair ten laste gelegde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging te dier zake;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. S. Tempel en mr. R. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 oktober 2025.

9.Bijlage I

De tenlastelegging
hij op of omstreeks 21 februari 2023 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek openlijk, te
weten de Rijtseweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het
publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een
persoon, te weten [slachtoffer 1] , door meermalen, althans eenmaal, terwijl die [slachtoffer 1]
op de grond lag/zat, in/op/tegen het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam te
stompen/slaan en/of trappen/schoppen terwijl dit door hem gepleegde geweld
zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, voor die [slachtoffer 1] ten gevolge
heeft gehad;
( art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht,
art 141 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 februari 2023, te Diessen, gemeente Hilvarenbeek, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen
van geweld tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door met het door hem,
verdachte, bestuurde voertuig die [slachtoffer 1] achterna te rijden en/of af te snijden en/of
tot stoppen te dwingen en/of het voertuig tot stilstand te brengen zodat
medeverdachte, [medeverdachte 3] , kon uitstappen en/of zich richting voornoemde
[slachtoffer 1] kon bewegen om hem te mishandelen;
( art 141a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )