ECLI:NL:RBZWB:2025:7151

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
11634246 \ CV EXPL 25-1624
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot afgifte van salarisspecificaties en jaaropgaven in arbeidsovereenkomst geschil

In deze zaak vordert eiseres, [werknemer], dat gedaagde, [werkgever], haar salarisspecificaties en jaaropgaven over de periode van oktober 2023 tot en met juni 2024 verstrekt. Eiseres heeft werkzaamheden verricht voor [werkgever] zonder een schriftelijke arbeidsovereenkomst, maar heeft wel betaling ontvangen. [werkgever] betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en stelt dat er geen salarisspecificaties zijn opgemaakt. De kantonrechter oordeelt dat de relatie tussen [werknemer] en [werkgever] voldoet aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst, ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst. De kantonrechter wijst de vordering van [werknemer] toe en veroordeelt [werkgever] tot afgifte van de gevraagde documenten binnen vier weken. Tevens wordt een dwangsom opgelegd voor het geval [werkgever] niet tijdig voldoet aan de veroordeling. De proceskosten worden toegewezen aan [werknemer].

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer 11634246 \ CV EXPL 25-1624
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[werknemer]
wonende te [plaats 1]
eisende partij
hierna te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. K.A.M. Korssen-van der Ruijt
tegen

1.[gedaagde 1] V.O.F.

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2]
en haar vennoten
2. [gedaagde 2]
wonende te [plaats 2]
en
3. [gedaagde 3]
wonende te [plaats 1]
gedaagde partijen
hierna samen te noemen: [werkgever]
[gedaagde 2] heeft verweer gevoerd. [gedaagde 3] is niet in de procedure verschenen.

1.De zaak in het kort

[werknemer] heeft enige tijd voor [werkgever] werkzaamheden verricht. Daarvoor heeft zij wel betaling ontvangen maar geen salarisspecificaties, noch jaaropgaven. In deze procedure vordert zij dat [werkgever] die alsnog aan haar afgeeft. [werkgever] erkent dat [werknemer] voor haar werkzaamheden heeft verricht en daarvoor betaald kreeg, maar stelt dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake was. Daarom heeft zij nooit salarisspecificaties opgemaakt.

2.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025;
- de mondelinge behandeling ter zitting van 31 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert dat gedaagden hoofdelijk en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden veroordeeld tot:
A. afgifte, binnen twee weken nadat dit vonnis is gewezen, van de salarisspecificaties over de periode van oktober 2023 tot en met juni 2024 en de jaaropgaven over 2023 en 2024;
B. betaling aan haar van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] nalaat binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan haar het bij A gevorderde te voldoen;
C. betaling binnen veertien dagen nadat dit vonnis is gewezen, van de kosten van het geding en de daarvóór buiten rechte verrichtte handelingen, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [werknemer] dat zij in de periode van oktober 2023 tot en met juni 2024 werkzaam is geweest voor [werkgever] . Zij beschikt niet over een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Ondanks diverse aanmaningen heeft zij ook niet de op grond van artikel 7:626 BW aan haar toekomende salarisspecificaties en evenmin de jaaropgaven van [werkgever] ontvangen. Toezeggingen vanwege [werkgever] om inhoudelijk te reageren op haar aanmaningen zijn niet nagekomen.
3.3.
[werkgever] voert verweer. Zij erkent dat [werknemer] in haar onderneming werkzaam-heden heeft verricht. Afgesproken was dat [werkgever] maandelijks via de bank een bedrag aan [werknemer] zou betalen en dat achteraf zou worden bekeken of dit in overeenstemming was met de gewerkte uren. Een aangeboden arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] nooit getekend. Zij was het niet eens met het daarin opgenomen concurrentiebeding. Omdat er geen arbeidsovereenkomst was zijn er nooit loonstroken gemaakt. In het formulier voor de belastingaangifte kan [werknemer] haar verdiensten vermelden op de regel ‘overige inkomsten’, aldus [werkgever] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt vastgesteld dat gedaagde [gedaagde 3] , hoewel zij behoorlijk werd gedagvaard met inachtneming van de voorgeschreven termijn en formaliteiten, niet ter zitting is verschenen en ook anderszins niet heeft gereageerd of om uitstel van de behandeling van de zaak heeft verzocht. De blote mededeling van gedaagde [gedaagde 2] dat hij ook namens [gedaagde 3] ter zitting verscheen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij bevoegd is om haar in deze procedure te vertegenwoordigen. Daarom wordt tegen haar verstek verleend. Niettemin geldt dit vonnis, gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, als een vonnis op tegenspraak tegen zowel [werkgever] en [gedaagde 2] , als tegen [gedaagde 3] .
4.2.
Overwogen wordt dat een werkgever op grond van de wet verplicht is om bij elke betaling van het loon aan de werknemer een specificatie te verstrekken van dat loon en de daarop ingehouden bedragen [1] , alsmede om aan de werknemer een opgave te verstrekken van het in het voorgaande kalenderjaar genoten loon en de daarop ingehouden belasting, premies en dergelijke [2] .
4.3.
[werknemer] vordert afgifte aan haar van die zogeheten salarisspecificaties en jaar-opgaven. Om die vordering te kunnen toewijzen moet worden vastgesteld dat zij werknemer was van [werkgever] en dus werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst en niet, zoals [werkgever] ter zitting heeft aangevoerd, als zzp-er, dan wel op basis van een andere afspraak, bijvoorbeeld een stagecontract.
4.4.
[werknemer] betoogt dat de arbeidsrelatie die tussen haar en [werkgever] heeft bestaan voldeed aan de voorwaarden die in de wet [3] worden gesteld om aan te nemen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Die voorwaarden zijn dat zij gedurende een zekere tijd arbeid verrichtte, daarvoor loon ontving en dat in de uitvoering van het werk sprake was van een gezagsverhouding. [werkgever] weerspreekt dit niet.
4.5.
[werkgever] wijst op het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst en het feit dat [werknemer] geen vaste uren werkte maar flexibel werd ingezet. Echter, de omstandig-heid dat de voorwaarden voor het werken bij [werkgever] nooit schriftelijk zijn vastgelegd sluit het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet uit. Een arbeidsovereenkomst kan ook mondeling worden aangegaan en behoeft geen vast aantal uren te betreffen. Dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is leidt daarom niet tot de conclusie dat er tussen partijen nooit een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en dat [werkgever] en [werknemer] zich dus niet als werkgever en werknemer tot elkaar konden verhouden. Een aanwijzing voor het bestaan van een dienstverband is bovendien de wens van [werkgever] om de voorwaarden daarvan schriftelijk vast te leggen. Dat dit uiteindelijk nooit is gebeurd omdat [werknemer] zich niet wilde binden aan het concurrentiebeding dat [werkgever] in haar voorstel had opgenomen betekent evenmin dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst is uitgesloten.
4.6.
Dat [werknemer] als zelfstandige ondernemer voor [werkgever] heeft gewerkt is weinig aannemelijk en kan ook niet worden vastgesteld. [werknemer] betwist deze suggestie en [werkgever] onderbouwt haar stelling ook niet met bijvoorbeeld orderbonnen, facturen of een uittreksel uit het handelsregister waaruit zou kunnen blijken dat [werknemer] een onderneming drijft. Dit argument strookt ook niet met de toezegging van [werkgever] dat zij [werknemer] financieel zou compenseren zodra de belastingdienst aan [werknemer] een naheffingsaanslag voor loonbelasting en premies zou opleggen.
4.7.
Opmerkelijk is verder dat [werkgever] ter afwering van de vorderingen in deze procedure voor het eerst aanvoert dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Voorafgaande aan de procedure heeft zij wel meerdere keren gereageerd op aanmaningen van [werknemer] - ook die waarin nadrukkelijk gewag is gemaakt van het bestaan van een arbeidsovereenkomst - maar daarbij heeft [werkgever] dit argument nooit gebezigd. Niettemin stelt zij in haar schriftelijke verweer dat [werknemer] werkzaamheden voor haar heeft verricht en daarvoor elke maand betaald kreeg en erkende zij ter zitting dat zij eerder aan [werknemer] heeft toegezegd de salarisspecificaties en jaaropgaven aan haar te verstrekken zodra er een schriftelijke arbeidsovereenkomst zou zijn.
4.8.
Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat nu de relatie die tussen [werkgever] en [werknemer] heeft bestaan aan de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst voldoet en [werkgever] niet, althans onvoldoende stelt en onderbouwt hoe die relatie anders moet worden geduid, er sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst.
4.9.
[werkgever] zal daarom de salarisspecificaties en jaaropgaven aan [werknemer] moeten verstrekken. Hieronder wordt [werkgever] daartoe veroordeeld. De termijn waarop [werkgever] die stukken moet afgeven wordt bepaald op vier weken na vandaag, in plaats van op twee weken zoals [werknemer] wil. Die termijn acht de kantonrechter te kort.
4.10.
Aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden zoals hieronder is vermeld. Het bedrag daarvan is lager dan [werknemer] vordert. Bovendien wordt er een maximum gesteld op de mogelijk te verbeuren dwangsommen en kan [werkgever] pas dwangsommen verbeuren vanaf de vierde dag nadat voormelde termijn van vier weken is verstreken en op de voorwaarde dat dit vonnis aan [werkgever] is betekend.
4.11.
Niet gesteld of gebleken is welke kosten [werknemer] voorafgaande aan deze procedure heeft gemaakt om voldoening van haar vordering te krijgen. Haar vordering tot vergoeding van dergelijke kosten, die is verscholen in een tussenzin van de bij C. in het petitum van de dagvaarding gevorderde proceskosten, kan dan ook niet worden toegewezen.
4.12.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat [werkgever] en de beide vennoten afzonderlijk kunnen worden gedwongen tot afgifte van de salarisspecifica-ties en jaaropgaven en tot betaling van dwangsommen. Daarbij geldt wel dat wanneer één van hen aan de veroordeling voldoet, de ander niet nogmaals hoeft te voldoen.

5.De proceskosten

5.1.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
150,00
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
539,00
5.2.
De in de dagvaarding begrepen kosten in verband met ‘DBR’ zijn niet toewijsbaar nu daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Niet valt in te zien dat kosten in verband met (het raadplegen van) het digitaal beslagregister waarvoor deze vergoeding onder de noemer verschotten wordt gevorderd, noodzakelijk zijn gemaakt voor de goede verrichting van de betreffende ambtshandeling, in casu het uitbrengen van de dagvaarding, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1, onder a van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechts-deurwaarders. Op de explootkosten wordt daarom € 1,38 in mindering gebracht.
5.3.
De gevorderde wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over de proces-kosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.4.
Ook de veroordeling tot betaling van de proceskosten en rente wordt hoofdelijk uitgesproken.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk om vóór 20 november 2025 aan [werknemer] de salarisspecificaties over de periode van oktober 2023 tot en met juni 2024 en de jaaropgaven over 2023 en 2024 af te geven;
6.2.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk om aan [werknemer] een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan na 24 november 2025 dat [werkgever] niet volledig aan de bovengenoemde veroordeling voldoet en dit vonnis aan [werkgever] is betekend, zulks totdat een maximum van € 1.000,00 is bereikt;
6.3.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk in de proceskosten van € 539,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening wanneer [werkgever] niet tijdig aan de veroordeling sub 6.1 voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op
22 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:626 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 28 lid 1, onder e Wet op de loonbelasting 1964.
3.Artikel 7:610 lid 1 BW.