ECLI:NL:RBZWB:2025:7134

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/436625 / JE RK 25-1093
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van der Velde
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eerste ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een minderjarige onder toezicht te stellen wegens ernstige bedreiging van diens ontwikkeling. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft, terwijl de vader erkend is maar sinds juni 2024 nauwelijks contact heeft met het kind. De ouders communiceren niet met elkaar, wat leidt tot een onrustige opvoedomgeving en loyaliteitsproblemen voor de minderjarige.

Tijdens de zitting was de moeder aanwezig met haar advocaat, terwijl de vader afwezig was maar vertegenwoordigd door zijn advocaat. De moeder stemde in met het verzoek en benadrukte het belang van contact tussen de vader en de minderjarige. De vader erkende de noodzaak van ondertoezichtstelling, maar betwistte het rapport van de Raad en wilde dat het contact met de minderjarige los van de moeder zou plaatsvinden.

De kinderrechter stelde vast dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door de gespannen situatie en het gebrek aan contact met de vader. Beide ouders zijn deels bereid hulpverlening te accepteren, maar kunnen de bedreiging niet zelfstandig wegnemen. Daarom werd besloten de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, met als doel stabiliteit, veiligheid en herstel van het contact tussen vader en kind.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de urgentie voor de ontwikkeling van de minderjarige. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak door belanghebbenden.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor één jaar onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling met onmiddellijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436625 / JE RK 25-1093
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J. Schuttkowski te Hulst.
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 6 juni 2025, ontvangen op 6 juni 2025;
  • het bericht van de Raad met bijlage van 23 juni 2025, ontvangen op 23 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de vader;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader is (door afmelding via zijn advocaat) niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist en tijdig is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift benoemt de Raad dat het positief is dat beide ouders de noodzaak zien om hulpverlening in te zetten. [minderjarige] heeft last van de situatie en zit klem tussen de ouders. Het is belangrijk dat er zicht komt op de relatie tussen [minderjarige] en de vader en dat zij op korte termijn weer contact hebben. De Raad vindt het positief dat ook de moeder openstaat voor het contact tussen [minderjarige] en de vader. Dat de ouders niet met elkaar communiceren maakt de situatie lastiger.
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat de moeder akkoord is met het verzoek. Zij herkent wat de Raad in zijn rapport heeft opgeschreven en wil meewerken aan alles wat helpend is voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder bevestigt dat [minderjarige] en de vader elkaar sinds juni 2024 niet hebben gezien, nu de moeder het advies van de Raad heeft opgevolgd te weten dat er per direct geen onbegeleide omgang mocht plaatsvinden. Wel heeft de moeder na het Raadsrapport bij de gemeente gevraagd of er in het vrijwillig kader omgangsbegeleiding mogelijk was, maar dit was niet het geval. De moeder benadrukt dat zij het belangrijk vindt dat er op korte termijn contact tussen [minderjarige] en de vader komt. [minderjarige] mist de vader en heeft veel last van de situatie. Zo heeft de moeder ook bij de vader aangegeven dat hij altijd kan bellen om [minderjarige] te zien en te spreken, maar dat doet de vader niet. De moeder zou het liefst met de vader over [minderjarige] willen communiceren en vindt het dan ook vervelend dat de vader een negatief beeld van de moeder heeft. Zij hoopt dat de vader gaat meewerken en [minderjarige] centraal gaat zetten. Verder stuurt de moeder foto’s en informatie over [minderjarige] naar grootouders vaderszijde en belt [minderjarige] veelvuldig met hen. Tot slot geeft de moeder aan dat zij het mogelijk lastig vindt als dezelfde jeugdbeschermer die betrokken is bij de andere zoon van de vader ook bij [minderjarige] betrokken raakt. Zij vindt het belangrijk dat de jongens niet worden vergeleken en dat er echt naar [minderjarige] wordt gekeken en naar wat hij nodig heeft. De moeder is bereid om de GI een kans te geven.
4.3.
De advocaat van de vader heeft naar voren gebracht dat de vader het eens is met de ondertoezichtstelling, omdat hij begrijpt dat dit essentieel is voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij heeft [minderjarige] , als gevolg van het Raadsrapport, al een geruime tijd niet gezien (op één keer beeldbellen na) en de vader is daar erg verdrietig over. Hij kan zich niet vinden in het Raadsrapport en meent dat het rapport eenzijdig is en dat er onwaarheden in het rapport zijn opgeschreven. Ook begrijpt hij niet waarom er twijfels over zijn opvoedvaardigheden zijn en waarom de omgang met [minderjarige] begeleid zou moeten worden. Juist nu de begeleiding bij de omgang met zijn andere zoon uit een eerdere relatie op dit moment wordt afgebouwd. De advocaat benoemt dat het belangrijk is dat er eerst een vertrouwensband tussen de vader en de GI is, voordat er verder kan worden gewerkt. Het zou voor de vader helpend zijn als dezelfde jeugdbeschermer die betrokken is bij zijn andere zoon ook betrokken raakt bij [minderjarige] , nu de vader daar al een band mee heeft. Verder vindt de vader het belangrijk dat er (ook) naar de rol van de moeder, haar opvoedvaardigheden en de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder wordt gekeken. De vader heeft daar zorgen over, vertrouwt de moeder niet en wil niet met de moeder praten of in dezelfde ruimte zitten. Hij wil weer contact met [minderjarige] , maar dit moet los van de moeder staan. Het is voor de vader vanwege zijn werk lastig om vaste (omgangs)afspraken te maken. De advocaat benoemt dat het een goed idee is als grootouders vaderszijde de moeder een bericht sturen als de vader bij hen is, zodat [minderjarige] en de vader via beeldbellen contact met elkaar kunnen hebben.
4.4.
De GI kan zich vinden het verzoek en benoemt dat de jeugdbeschermer die betrokken is bij de andere zoon van de vader waarschijnlijk ook de jeugdbeschermer van [minderjarige] zal worden, waarbij de GI aan de beide ouders vraagt om hiervoor open te staan en de samenwerking met zowel de hulpverlening als elkaar aan te gaan. Als het nodig is, heeft de GI interne protocollen om een andere jeugdbeschermer aan te vragen. De GI vindt het verder belangrijk dat er op korte termijn begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader gaat zijn, waarbij de GI nog moet onderzoeken hoe dit het beste kan worden vormgegeven.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter zal het – onweersproken – verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur een jaar, te weten met ingang van 9 oktober 2025 en tot 9 oktober 2026. Zij legt dit hierna uit.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en maakt zich zorgen om de sociaal-emotionele ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . Uit de stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] al langere tijd in een onrustige en spanningsvolle opvoedomgeving opgroeit. De ouders wantrouwen elkaar, werken niet samen en hebben onderling ook geen contact met elkaar. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de moeder wel met de vader over [minderjarige] zou willen communiceren, maar dat de vader hier op dit moment volgens zijn advocaat niet voor openstaat. Als gevolg hiervan wordt [minderjarige] in zijn opvoedomgeving geconfronteerd met gevoelens van angst, onrust, spanningen en stress, zit hij klem tussen de ouders en is er sprake van loyaliteitsproblematiek. Daar komt bij dat er sinds juni 2024 – op één keer beeldbellen na – geen (fysiek) contact meer is geweest tussen [minderjarige] en de vader. Tegelijkertijd wordt [minderjarige] ook blootgesteld aan onvoorspelbaarheid in het contact met de vader, nu het voor de vader mede vanwege zijn werk lastig is om vaste omgangsafspraken te maken. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de verminderde emotionele beschikbaarheid van beide ouders en is er onvoldoende zicht op de opvoedsituaties bij beide ouders en hun opvoedvaardigheden.
5.4.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de ouders weliswaar (deels) bereid zijn om de hulpverlening te accepteren – en dat in het verleden ook hebben geprobeerd – maar dat zij hiervan onvoldoende hebben kunnen profiteren en daarmee niet in staat zijn om zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Gebleken is ook dat de vader wantrouwend richting hulpverlening is. Dit maakt dat de kinderrechter vindt dat er een regievoerder in het gedwongen kader noodzakelijk is.
5.5.
De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het Raadsrapport en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
  • [minderjarige] ervaart voldoende rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en (emotionele en fysieke) veiligheid bij ouders, er wordt in zijn opvoedbehoeften voorzien en hij kan zich richten op de ontwikkelingstaken die bij zijn leeftijd passen. Voorts kan [minderjarige] rekenen op emotioneel beschikbare ouders, die sensitief-responsief ouderschap toepassen;
  • Ouders pakken hun ouderlijke verantwoordelijkheid op en staken de strijd. Ouders communiceren op een respectvolle manier met elkaar en op een wijze die ervoor zorgt dat [minderjarige] niet langer belast is met loyaliteitsproblemen en gevoelens van stress, spanningen, onrust en angst;
  • [minderjarige] heeft een omgangsregeling met vader die eenduidig, gestructureerd en voorspelbaar is. [minderjarige] heeft een vrij en onbelast contact met beide ouders;
  • Er is zicht ontstaan in hoeverre vader een emotioneel en fysiek veilige opvoedomgeving biedt aan [minderjarige] en hiervoor wordt passende hulpverlening ingezet;
  • Er is zicht ontstaan in hoeverre moeder voldoende belastbaar is en of zij een voldoende eenduidige en rustige opvoedomgeving aan [minderjarige] biedt, hiervoor wordt passende hulpverlening ingezet;
  • Ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan de gemaakte afspraken.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige] te bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op korte termijn zicht komt op beide opvoedsituaties en dat er passende hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de ouders wordt ingezet. Ook vindt zij het belangrijk dat er op korte termijn begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt. Beide ouders vinden het immers belangrijk dat [minderjarige] en de vader weer contact met elkaar hebben. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij met de GI en hulpverlening zullen samenwerken en het belang van [minderjarige] voorop zullen zetten.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 9 oktober 2025 en tot 9 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 door mr. Van der Velde, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.