ECLI:NL:RBZWB:2025:7128

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/438994 / JE RK 25-1522
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor minderjarigen in pleegzorg

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. De zaak betreft de voortzetting van beschermende maatregelen in het belang van de kinderen, die sinds 2010 respectievelijk 2011 onder toezicht staan en sinds 2023 in een pleegzorgvoorziening verblijven.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarigen nog niet volledig is opgeheven. De kinderen hebben een belast verleden met meerdere verlieservaringen en zijn recent verhuisd naar de pleegvader en zijn partner, waarbij zij ook wekelijks contact hebben met de pleegmoeder. De samenwerking tussen pleegouders en ouders verloopt goed, maar het contact met de voogd is al ruim een jaar verbroken, wat praktische problemen veroorzaakt.

Gezien het advies van de Raad om de voogdij te beëindigen en het belang van continuïteit in de zorg en opvoeding, acht de kinderrechter verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De verlenging wordt toegekend voor zes maanden, met het oog op de afhandeling van het verzoek tot beëindiging van de voogdij binnen die termijn. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor zes maanden tot 17 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438994 / JE RK 25-1522
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de voogd] ,
hierna te noemen: de voogd,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de partner van de pleegvader],
hierna te noemen: de partner van de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder, en
[de vader],
hierna te noemen: de vader, tezamen te noemen: de ouders,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 20 augustus 2025;
  • het bericht van de voogd, ontvangen op 13 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders;
  • de pleegmoeder, mede namens de pleegvader en zijn partner;
  • een vertegenwoordigster van de GI.
De voogd, de pleegvader en de partner van de pleegvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 31 december 2010 is [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2010 en tot 11 februari 2011.
2.2.
Op 29 november 2013 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 11 februari 2013 en tot 11 februari 2014.
2.3.
Op 18 september 2013 zijn de ouders ontheven van het gezag over [minderjarige 1] en is de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] . Bij beschikking van 25 november 2015 is de voogdij over [minderjarige 1] overgedragen aan [de voogd] en [persoon 1] .
2.4.
Op 30 september 2011 is [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 september 2014 en tot 30 september 2015. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 20 september 2016 met ingang van 30 september 2016 en tot 30 september 2017.
2.5.
Op 28 maart 2017 is de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige 2] . Op dezelfde datum zijn [de voogd] en [persoon 1] benoemd tot voogd over [minderjarige 2] .
2.6.
Mevrouw [persoon 1] (voorheen de voogdes) is overleden.
2.7.
Bij beschikking van 17 oktober 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 oktober 2024. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders [persoon 2] en [de pleegvader] , verleend met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024.
2.8.
Bij beschikking van 21 maart 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders [persoon 2] en [de pleegvader] , verlengd met ingang van 17 april 2024 en tot 17 oktober 2024.
2.9.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de netwerkvoorziening voor pleegzorg als beschreven in rechtsoverweging 5.3. van die beschikking verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 oktober 2025.
2.10.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de pleegvader en zijn partner.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift benoemt de GI dat het goed gaat met de kinderen en dat zij tot rust komen. Het is belangrijk dat dat wordt voortgezet. De verlenging van de maatregelen is nodig in afwachting van de zitting over de beëindiging van de voogdij. Als dat verzoek binnen zes maanden door de rechtbank kan worden behandeld, kunnen de maatregelen voor de duur van zes maanden worden verlengd.
4.2.
De ouders geven aan dat zij achter het verzoek staan. Zij hebben, in het bijzijn van de pleegmoeder, regelmatig contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat verloopt goed. De ouders zijn erg blij en dankbaar met wat de pleegvader, zijn partner en de pleegmoeder voor de kinderen doen. Het belangrijkste voor de ouders is dat het goed met de kinderen gaat.
4.3.
De pleegmoeder benoemt dat zij achter het verzoek staat en geeft namens de pleegvader en zijn partner aan dat ook zij achter het verzoek staan. Het gaat goed met de kinderen en zij ontwikkelen zich goed. De samenwerking en afspraken tussen de pleegouders onderling en met de ouders is goed. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de pleegvader en zijn partner en zijn één keer in de week bij de pleegmoeder. De kinderen genieten ook van het contact met de ouders. De pleegouders lopen wel tegen praktische zaken aan, nu de voogd niet te bereiken is. Bijvoorbeeld als het gaat om het internetbankieren van [minderjarige 1] .

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan wettelijke criteria en zal de – onweersproken – verzoeken tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg toewijzen voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 april 2026 en het overige deel van het verzoek afwijzen. Zij legt dit hierna uit.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet volledig is weggenomen. De kinderen hebben een belast verleden; zij hebben meerdere verlieservaringen en ook binnen het voormalige pleeggezin het nodige meegemaakt, als gevolg waarvan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een geruime tijd minder goed aan hun ontwikkelingstaken zijn toegekomen. In het voorjaar van 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mee verhuisd met de pleegvader en zijn partner en en zijn zij thans één keer per week bij de pleegmoeder zijn. Het contact en de samenwerking tussen de pleegmoeder, de pleegvader en de partner van de pleegvader is goed, net als het contact en de samenwerking met de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien de ouders geregeld in het bijzijn van de pleegmoeder en dat verloopt positief. Sinds november 2024 hebben de pleegouders en de voogd geen contact meer met elkaar, als gevolg waarvan de pleegouders tegen praktische zaken voor de kinderen aanlopen. Ook heeft de voogd al ruim een jaar geen contact meer met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en voor nu is er ook geen zicht op contactherstel of een constructieve samenwerking. Uit het Raadsonderzoek volgt dat de Raad adviseert om de voogdij te beëindigen, omdat de voogd niet langer in staat is om de voogdij op een juiste wijze en in het belang van de kinderen uit te oefenen. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel is dat de verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is om de situatie te waarborgen. De kinderrechter stelt verder vast dat de pleegouders en de partner van de pleegvader goed lijken aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dat de kinderen in de huidige opvoedsituatie rust, voorspelbaarheid en duidelijkheid ervaren en dat zij toekomen aan hun ontwikkeling. De kinderrechter is – met de aanwezigen – dan ook van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg moet worden gecontinueerd, nu dit in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen is.
5.5.
Nu het verzoek van de Raad tot het beëindigen van de voogdij zo snel mogelijk en in ieder geval binnen zes maanden op zitting zal worden behandeld, zal de kinderrechter de maatregelen voor de duur van zes maanden verlengen, te weten tot 17 april 2026 en het overige deel van het verzoek van de GI om die reden afwijzen.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 april 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 22 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.