ECLI:NL:RBZWB:2025:7126

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/438231 / JE RK 25-1403
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling en omgangsproblemen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2012 en 2013, die onder toezicht staan van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland. De minderjarigen wonen bij hun moeder en zijn sinds 2018 onder toezicht gesteld, met meerdere verlengingen.

De Stichting Jeugdbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar, met als doel het contact tussen de kinderen en hun vader te onderzoeken en te monitoren, aangezien de kinderen geen contact meer wensen vanwege gevoelens van onveiligheid en loyaliteitsproblemen. De moeder steunt het verzoek, maar pleit voor een kortere verlenging van drie tot zes maanden, vanwege de negatieve impact van het contact met de vader op de kinderen.

Tijdens de zitting met gesloten deuren spraken de kinderrechter en de minderjarigen met beide kinderen, die aangaven geen contact meer te willen met hun vader en zich onveilig te voelen. De vader toont weinig reflectievermogen en communiceert negatief over de moeder, wat de kinderen belast. De ouders hebben recent een ouderschapsplan opgesteld, maar de communicatie blijft problematisch.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigd blijft en verlengt de ondertoezichtstelling met zes maanden, tot 20 april 2026, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek. De Stichting Jeugdbescherming wordt verzocht te rapporteren over de voortgang. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het belang van de kinderen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met zes maanden tot 20 april 2026, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438231 / JE RK 25-1403
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ),
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ),
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P. Kapteijn te Middelburg.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in haar beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 19 september 2025 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken;
- de aanvullende informatie van de GI met bijlagen, ontvangen 25 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek met de kinderrechter gevoerd en tijdens het gesprek ook een brief aan de kinderrechter gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 19 juni 2018 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI (destijds genaamd [stichting] ) met ingang van 19 juni 2018 en tot 19 juni 2019. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is daarna telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 9 juni 2021 met ingang van 19 juni 2021 en tot 19 maart 2022.
2.4.
Bij beschikking van 20 september 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2024 en tot 20 september 2025.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de duur van één maand, te weten tot 20 oktober 2025 en onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Thans ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van elf maanden, te weten tot 20 september 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift licht de GI toe dat de kinderen tot juli 2025 structureel contact met de vader in de vorm van een weekendregeling hebben gehad. Nadat de kinderen zorgelijke signalen over het contact met de vader hebben geuit, is het contact begeleid geworden. Ondanks dat de omgangsverslagen positief zijn, willen de kinderen geen contact meer met de vader. De GI wil de komende periode onderzoeken waar de weerstand bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vandaan komt, onderzoeken wat er nog mogelijk is als het gaat om het contact met de vader en het (eventueel gewijzigde) contact monitoren, waarbij de GI ook gaat kijken naar de wensen en de draagkracht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI heeft hiervoor minstens negen maanden nodig. Verder benoemt de GI dat het duidelijk is geworden dat het patroon tussen de ouders niet kan worden doorbroken. Desondanks hebben de ouders wel stappen gezet. Zo zijn zij tot een ouderschapsplan gekomen. Tot slot heeft de GI voor de vader [hulpverlening] ingezet. Er lijkt een match te zijn, maar in het kader van de ondertoezichtstelling zijn er vooralsnog geen stappen gezet.
4.2.
Door en namens de moeder is benoemd dat de ondertoezichtstelling in afgelopen jaren niet tot verbetering heeft geleid. Desondanks staat de moeder wel achter het verzoek, omdat de ondertoezichtstelling voor de kinderen nu nog nodig is. Wel verzoekt de advocaat de maatregel voor een kortere duur te verlengen, bijvoorbeeld drie of zes maanden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen geen contact meer met de vader en de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de vader niet zal veranderen; hij heeft geen reflectievermogen en doet zorgelijke uitspraken naar de kinderen, als gevolg waarvan de kinderen bang voor de vader zijn en geen contact meer willen. Op korte termijn moet duidelijk worden wat er in het contact tussen de vader en de kinderen nog haalbaar is en wat prettig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De moeder heeft het contact tussen de kinderen en de vader altijd gestimuleerd, maar vindt het ook moeilijk omdat zij ziet dat de kinderen bang voor de vader zijn, niet zichzelf bij hem kunnen zijn en hem niet vertrouwen. Zij wil haar kinderen beschermen. Daar komt bij dat de vader negatief over de moeder spreekt. De advocaat stelt dat nog een jaar begeleid contact met de vader niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijkt te zijn. De kinderen hebben trauma’s en de moeder vreest ervoor dat het erger wordt als de situatie met de vader voortduurt. Zij wil dat de kinderen niet worden verplicht om contact met de vader te hebben, maar dat zij zelf mogen kiezen of zij contact willen. Tot slot heeft de moeder geen vertrouwen in [hulpverlening] .
4.3.
In de brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verteld dat zij zelf wil beslissen of zij haar vader ziet. Voor nu wil [minderjarige 2] haar vader niet meer zien. Zij voelt zich niet veilig bij de vader en heeft het gevoel dat zij niet zichzelf kan zijn. Ook praten de vader en de stiefmoeder slecht over de moeder en dat vindt [minderjarige 2] vervelend. Thuis gaat het goed. [minderjarige 2] voelt zich fijn bij de moeder en krijgt van haar de ruimte om te doen wat zij leuk vindt. [minderjarige 2] wil geen ondertoezichtstelling meer, omdat het in de afgelopen jaren niets heeft veranderd. Wel vindt zij het fijn om met de psycholoog te praten.
4.4.
In de brief en tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] aangegeven dat zij geen contact meer met de vader wil. [minderjarige 1] heeft de vader veel kansen gegeven om te veranderen, maar dat heeft hij niet gedaan. Zij heeft het gevoel dat zij niet zichzelf kan zijn en is bang voor hem. De vader gedraagt zich anders als de omgangsbegeleider erbij is en [minderjarige 1] vindt het vervelend dat de vader slecht over de moeder praat. Als [minderjarige 1] de vader toch mist, zou zij begeleid contact met de vader willen hebben. Bij de moeder voelt [minderjarige 1] zich fijn. Zij kan alles tegen haar moeder vertellen. [minderjarige 1] vindt dat de ondertoezichtstelling niet helpend is geweest, maar begrijpt ook dat het de ouders samen niet gaat lukken om beslissingen te nemen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor zes maanden, te weten met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 april 2026, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek. Zij legt dit hierna uit.
5.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog onverminderd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderrechter maakt zich grote zorgen over het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader. Tot juli 2025 was er sprake van structureel contact en waren de kinderen om het weekend bij de vader. Nadat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgen over het contact met de vader hebben geuit, is het contact begeleid geworden en tijdens het gesprek met de kinderrechter hebben beide kinderen aangegeven dat zij het liefst geen contact meer met de vader willen. Zij voelen zich niet gezien door de vader en niet veilig bij hem. Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verteld dat zij vinden dat de vader zich anders gedraagt als de omgangsbegeleider erbij is en dat de vader in het bijzijn van de kinderen negatief over de moeder spreekt en daar hebben de kinderen last van. Het is de kinderrechter gebleken dat de vader zich vasthoudt aan zijn eigen opvattingen en gedachten en dat hij het lastig vindt om de kinderen als individu te zien en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun eigen keuzes te laten maken. Nu de kinderen op dit moment geen onbelast contact met beide ouders hebben en er sprake is van loyaliteitsproblematiek, maakt de kinderrechter zich ook zorgen om de (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun emotionele veiligheid. Verder heeft de moeder met behulp van IPT vanuit [jeugdhulp] grote stappen gezet. De vader had geen klik met [jeugdhulp] . Hij stond niet open voor de adviezen en toonde weinig reflectievermogen. Voor de vader is [hulpverlening] ingezet, maar dat heeft volgens de GI tot op heden nog niet tot een verbetering geleid. De kinderrechter stelt verder vast dat het de ouders de afgelopen jaren niet is gelukt om het patroon tussen hen te doorbreken. De ouders communiceren niet met elkaar en wantrouwen elkaar. Positief is wel dat de ouders recent het bemiddelingstraject hebben doorlopen en een ouderschapsplan hebben opgesteld, hetgeen voor meer rust heeft gezorgd. Gelet op het eerdergenoemde vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI de komende periode in het gedwongen kader betrokken blijft om de regie te blijven voeren en beide ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te blijven ondersteunen.
5.4.
Om vinger aan de pols te houden en de voortgang te bewaken, zal de kinderrechter een toetsingsmoment creëren door de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden onder aanhouding van het overige deel van het verzoek. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI de komende periode zicht krijgt op het contact tussen de kinderen en de vader, dat duidelijk wordt waar de weerstand van de kinderen vandaan komt en wat de mogelijkheden nog zijn als het gaat om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader, waarbij de wensen en behoeften van de kinderen leidend dienen te zijn. Verder vindt zij het van groot belang dat de vader ook in deze situatie wordt meegenomen en ervan op de hoogte wordt gesteld wat de kinderen van de contacten met de vader vinden. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij het belang van de kinderen voorop (blijven) zetten en met de GI en de hulpverlening (blijven) samenwerken.
5.5.
Nu het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden zal worden toegewezen en het overige deel van het verzoek zal worden aangehouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor de nader te noemen pro forma datum te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken en te berichten of het overige deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing ten aanzien van het overige deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling aan tot
20 maart 2026 PRO FORMAen verzoekt de GI om voor deze datum te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken en te berichten of het overige deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025 door mr Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 22 oktober 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.