Eiseres heeft op 1 oktober 2024 een aanvraag tot herbeoordeling op grond van de Wet WIA ingediend bij het UWV, dat deze aanvraag op 2 oktober 2024 ontving. De beslistermijn van acht weken werd overschreden, waarna eiseres op 27 mei 2025 het UWV in gebreke stelde. Na het verstrijken van de ingebrekestelling stelde zij beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van een arbeidsdeskundig onderzoek de vertraging verklaren, waardoor een langere beslistermijn gerechtvaardigd is.
De rechtbank legt daarom een termijn van vier maanden op waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000, opgelegd voor elke dag dat het besluit uitblijft na deze termijn. Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.