ECLI:NL:RBZWB:2025:7074

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/440071 / KG ZA 25-485 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 4:117 BWArt. 4:195 lid 1 BWArt. 4:211 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wegens verkeerde dagvaarding executeur in nalatenschapszaak

Eiser vordert in kort geding dat gedaagde, als executeur van de nalatenschap, meewerkt aan de levering van een legaat. Ondanks herhaalde verzoeken heeft gedaagde dit niet gedaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde, die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, op grond van de wet van rechtswege vereffenaar is geworden, waarmee zijn taak als executeur is geëindigd.

Omdat alleen de vereffenaar de nalatenschap vertegenwoordigt, had eiser gedaagde in die hoedanigheid moeten dagvaarden. Nu eiser gedaagde slechts als executeur heeft gedagvaard, is hij niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. De toevoeging van het woord '(mede)' in de dagvaarding biedt geen grond om aan te nemen dat gedaagde ook als vereffenaar werd gedagvaard.

Het vonnis verklaart eiser niet-ontvankelijk, waardoor zijn vorderingen om medewerking aan levering van het legaat worden afgewezen. De procedure toont het belang van correcte procespartijbenoeming in nalatenschapszaken.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij gedaagde onjuist als executeur en niet als vereffenaar heeft gedagvaard.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/440071 / KG ZA 25-485
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J. Drost,
tegen
[gedaagde](mede) in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] wil dat [gedaagde] meewerkt aan de levering van een legaat aan hem. Omdat [gedaagde] dat nog steeds niet heeft gedaan, ondanks herhaalde verzoeken, vordert hij [gedaagde] daartoe te veroordelen. De voorzieningenrechter beslist dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen omdat hij [gedaagde] (mede) had moeten dagvaarden in zijn hoedanigheid van vereffenaar. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 oktober 2025 met producties 1 t/m 11,
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert als voorlopige voorziening:
1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan de afgifte van het legaat, bestaande uit de levering van het onverdeelde aandeel in de eigendom van de woning, door -maar niet beperkt tot- ondertekening van de gereedliggende notariële akte van levering en het opvolgen van de instructies van de betrokken notaris.
2. te bepalen dat wanneer [gedaagde] niet de hiervoor onder 1 genoemde vordering nakomt, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro in de plaats komt van de vereiste wilsverklaringen, medewerking en handtekening(en) van [gedaagde] ten behoeve van de afgifte van het boedelde legaat.
3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

4.De beoordeling

4.1
Op [datum] 2021 is mevrouw [erflaatster] overleden (hierna: erflaatster).
4.2.
Erflaatster en [eiser] hadden een affectieve relatie. [gedaagde] is hun zoon. Erflaatster heeft een zoon uit een eerdere relatie, de heer [naam] , die door [eiser] is erkend.
4.3.
[eiser] en erflaatster woonden sinds 2008 ongehuwd samen in de woning staande en gelegen aan [adres] (hierna: de woning). [eiser] en erflaatster waren ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning.
4.4.
Erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament van 10 juli 2020.
In deze uiterste wilsbeschikking heeft erflaatster haar kinderen tot erfgenamen en executeurs
benoemd. Erflaatster heeft aan [eiser] haar aandeel in de onverdeelde eigendom van de woning gelegateerd, onder de verplichting om (1) de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen en (2) het aandeel van erflaatster in de overwaarde van de woning [(marktwaarde minus hypotheekschuld) / 2] in te brengen in de nalatenschap. De vergoeding van de overwaarde is niet opeisbaar, totdat [eiser] overlijdt, failliet wordt verklaard, in surseance van betaling verkeert of de woning verkoopt. [eiser] is wel verplicht om via een recht van hypotheek zekerheid te stellen voor deze schuld.
4.5.
Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat [gedaagde] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Zijn broer [naam] heeft de nalatenschap verworpen.
4.6.
[eiser] heeft [gedaagde] herhaaldelijk verzocht het legaat aan hem af te geven. [gedaagde] heeft daar niet aan voldaan.
4.7.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij een legaat heeft verkregen en aanvaard en dat hij dus een vorderingsrecht heeft op de nalatenschap (4:117 BW). [gedaagde] dient deze schuld te voldoen, zowel als executeur als erfgenaam, en het niet afgeven van het legaat levert een tekortkoming op.
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Nu vaststaat dat [gedaagde] de nalatenschap van erflaatster beneficiair heeft aanvaard is [gedaagde] op grond van artikel 4:195 lid 1 BW Pro van rechtswege vereffenaar van de nalatenschap geworden. Dit blijkt ook uit de verklaring van erfrecht. Zijn taak als executeur is hiermee geëindigd.
Alleen de vereffenaar vertegenwoordigt de nalatenschap in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW Pro). Nu niet is gebleken dat de vereffening zou zijn afgerond, brengt dit mee dat [eiser] [gedaagde] in deze procedure had moeten dagvaarden in zijn hoedanigheid van vereffenaar. [eiser] heeft [gedaagde] echter gedagvaard in zijn hoedanigheid van executeur– wat hij dus niet meer is. De voorzieningenrechter ziet in de toevoeging van het woord ‘(mede)’ geen aanleiding om ervan uit te kunnen gaan dat [gedaagde] ook in zijn hoedanigheid van vereffenaar is gedagvaard en dat [gedaagde] dat had moeten begrijpen. De dagvaarding biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Hierin staat namelijk dat [gedaagde] als executeur en enig erfgenaam het legaat aan [eiser] moet afgeven, zodat [gedaagde] hoogstens had moeten begrijpen dat hij mede in zijn hoedanigheid van erfgenaam was gedagvaard.
4.9.
Nu [eiser] [gedaagde] heeft gedagvaard in persoon en in zijn hoedanigheid van executeur, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.