ECLI:NL:RBZWB:2025:7073

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/437647 HA RK 25-164 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:185 BWArt. 3:180 lid 1 BWArt. 20 FwArt. 295 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verkoop woning in wettelijke schuldsaneringsregeling onder voorwaarden

De bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van de heer verzoeker verzoekt de rechtbank om machtiging tot verkoop van het onverdeelde aandeel van verzoeker in de gezamenlijke woning, mede eigendom van zijn partner. De woning is getaxeerd op €405.000, waarbij het aandeel van verzoeker circa €202.500 waard is. De partner wil het aandeel overnemen door verrekening van de openstaande schuld, maar dit wordt door de bewindvoerder afgewezen vanwege belangen van overige schuldeisers.

De rechtbank overweegt dat de verkoop noodzakelijk is om de schuldeisers te voldoen en dat het belang van de schuldeisers prevaleert boven dat van de partner. De partner krijgt een termijn van twee maanden om het aandeel tegen de taxatiewaarde over te nemen, met mogelijkheid tot contra-taxatie. Indien zij niet tot koop overgaat, mag de bewindvoerder de woning via een makelaar verkopen tegen het hoogste bod, met een oplevertermijn van minimaal zes maanden.

De kosten van de makelaar komen niet voor rekening van de partner. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot vervanging van toestemmingen wordt afgewezen.

Uitkomst: De bewindvoerder wordt gemachtigd het aandeel van de schuldenaar in de woning te verkopen onder voorwaarden, met een termijn van twee maanden voor de partner om het aandeel over te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/437647 / HA RK 25-164
Beschikking van 20 oktober 2025
in de zaak van
[bewindvoerder] q.q., handelend in haar hoedanigheid van
bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling vande heer
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna: de bewindvoerder,
(voormalig) advocaat: mr. A.M.H. Chantrel,
tegen
[verweerster],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna: [verweerster] ,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ex artikel 3:174 BW Pro met producties genummerd 1 tot en met 18, ter griffie ontvangen op 10 juli 2025;
- het verweerschrift met één bijlage, ter griffie ontvangen op 10 september 2025;
- de pleitaantekeningen van mr. Chantrel;
- de mondelinge behandeling van 22 september 2025, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De volgende feiten staan vast:
- [verzoeker] en [verweerster] wonen samen in de woning gelegen te [adres] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] (hierna: de woning), waarvan zij beiden voor ½ deel eigenaar zijn;
- De woning is in 2016 gekocht voor het bedrag van € 269.000,00. [verweerster] heeft de volledige koopsom betaald. Het aandeel van [verzoeker] is door middel van een geldlening van [verweerster] ter hoogte van € 134.500,00 gefinancierd, welke is vastgelegd in een schuldbekentenis;
- er is geen hypotheekrecht gevestigd ter zekerheid van voldoening van deze geldlening;
- bij vonnis van 19 februari 2024 is [verzoeker] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp);
- [verweerster] is in verband met de geldlening aan [verzoeker], schuldeiser in de Wsnp van [verzoeker]. Zijn schuld aan haar is inclusief rente opgelopen tot het bedrag van
€ 141.876,37 per 24 december 2024;
- het onverdeelde aandeel van [verzoeker] in de gezamenlijke woning dient volgens de bewindvoerder in het kader van de Wsnp te gelde te worden gemaakt;
- de woning is in opdracht van de bewindvoerder op 27 mei 2024 getaxeerd op een marktwaarde van € 405.000,00
- de bewindvoerder heeft [verweerster] meerdere keren voorgesteld dat zij het aandeel van [verzoeker] in de woning kon kopen. [verweerster] heeft aangegeven alleen bereid zijn dit te doen, wanneer zij haar vordering met de koopsom mag verrekenen. De bewindvoerder heeft aangegeven hier niet mee akkoord te kunnen gaan.
Het verzoek en het verweer
2.2.
De bewindvoerder verzoekt de rechtbank – kort gezegd – om ex artikel 3:174 BW Pro op grond van gewichtige redenen:
- haar machtiging te verlenen om mede namens [verweerster] als deelgenoot, de woning te
gelde te maken;
- haar te machtigen daartoe een makelaar en/of andere derden in te schakelen ten laste van de opbrengst van de woning;
- te bepalen dat de beschikking in de plaats komt van de noodzakelijke toestemmingen en/of handtekeningen van [verweerster] ;
- [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.
2.3.
Aan het verzoek heeft de bewindvoerder het volgende ten grondslag gelegd. Tot de boedel behoort het aandeel van [verzoeker] in de thans nog onverdeelde woning. Dit dient in het kader van de Wsnp afgewikkeld te worden. Die afwikkeling kan op twee manieren plaatsvinden: 1) het aandeel van [verzoeker] wordt verkocht, waarbij [verweerster] de meest gerede koper is, 2) de woning wordt verkocht en de opbrengst wordt verdeeld. Op de voorstellen van de bewindvoerder wordt niet gereageerd, anders dan dat [verweerster] het aandeel wil kopen, met verrekening van de openstaande geldlening. Dat laatste is volgens de bewindvoerder niet mogelijk, omdat daarmee de overige schuldeisers zouden worden benadeeld. Omdat geen overeenstemming kan worden bereikt over de verkoop, zal de woning middels een machtiging te gelde moeten worden gemaakt. Het belang van de afwikkeling van de Wsnp is daarvoor de legitimatie.
2.4.
[verweerster] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. [verweerster] is van mening dat uitsluitend het onverdeelde aandeel van [verzoeker] kan worden verkocht, waarbij de koper zal moeten accepteren dat [verweerster] eigenaresse blijft van de andere onverdeelde helft. Dit heeft gevolgen voor de waarde van het te verkopen aandeel in de woning. De getaxeerde waarde is in de ogen van [verweerster] dan ook te hoog. Bovendien wordt de waarde van de woning verder gedrukt doordat de cv-installatie moet worden vervangen. Er is verder geen sprake van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 3:174 BW Pro. Op de noodzaak tot verdeling van een boedel te komen is immers artikel 3:185 BW Pro van toepassing. Tot slot licht [verweerster] nog de persoonlijke omstandigheden toe, waarin zij en [verzoeker] sinds de coronapandemie verkeren. In het geval de machtiging wordt toegewezen, verzoekt [verweerster] deze op twee maanden na het wijzen van de beschikking te laten intreden zodat zij ruimte heeft om met de bewindvoerder te onderhandelen.

3.De beoordeling

Artikel 3:174 BW Pro of 3:185 BW?
3.1.
Op grond van artikel 3:174 lid 1 BW Pro kan de rechter die ter zake van een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek machtigen tot het te gelde maken van dat goed ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen.
3.2.
Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat de door de rechter af te geven in artikel 3:174 lid 1 BW Pro bedoelde machtiging, een discretionaire bevoegdheid is. Om van die bevoegdheid gebruik te kunnen maken, dient sprake te zijn van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of andere gewichtige redenen. In dit geval is sprake van (zakelijke) schulden van [verzoeker] die niet voor rekening van de gemeenschap komen. Het is vervolgens dan ook de vraag of de wens van de bewindvoerder tot een verdeling te komen ter voldoening van de schuldeisers, een voldoende gewichtige reden vormt. Uit de wetsgeschiedenis en vaste jurisprudentie volgt namelijk dat de noodzaak tot een behoorlijke verdeling te geraken, niet als een gewichtige reden kan worden aangemerkt. Hierop is artikel 3:185 BW Pro immers van toepassing.
3.3.. Ter zitting is echter duidelijk geworden dat partijen het met elkaar eens zijn dat aan verdeling in het kader van de Wsnp van [verzoeker], niet valt te ontkomen. In het geval de rechtbank het verzoek zou afwijzen, heeft de bewindvoerder immers de mogelijkheid de verdeling op de voet van art. 3:185 BW Pro te vorderen. Dit zou ertoe leiden dat een dagvaardingsprocedure zal worden gestart. Om haar moverende redenen ziet [verweerster] daarom af van het verweer dat zij ter zake van de gewichtige redenen heeft gevoerd. De rechtbank zal dan ook beslissen op het verzoek zoals het thans voorligt en aannemen dat partijen het erover eens zijn dat een voldoende gewichtige reden aanwezig is.
Belangenafweging
3.4.
In het kader van belangenafweging overweegt de rechtbank het volgende.
3.5.
De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het onverdeelde aandeel in de woning het enige vermogensbestanddeel van [verzoeker] is, dat nog te gelde kan worden gemaakt ten behoeve van de schuldeisers (van wie [verweerster] er overigens één is). De totale schuldenlast bedraagt om en nabij een bedrag van € 850.000,00. Het aandeel van [verzoeker] in de woning is, uitgaande van het taxatierapport van 27 mei 2024, zo’n € 202.500,00 waard. Daarmee is het belang van de bewindvoerder (die de belangen van de schuldeisers moet bewaken) gegeven.
3.6.
[verweerster] heeft ter zitting verklaard dat zij met eigen spaargeld en leningen van familie, in staat is het aandeel van [verzoeker] over te nemen. Daardoor zouden [verzoeker] en [verweerster] in de woning kunnen blijven wonen. Ook in het kader van de geschetste gezondheidsproblemen van beiden, is dat van belang. Bovendien levert het een kostenbesparing voor de boedel op als [verweerster] het aandeel kan overnemen. Er hoeft immers geen makelaar te worden ingeschakeld.
3.7.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor uitermate vervelende omstandigheden waarmee [verweerster] én [verzoeker] de afgelopen jaren te maken hebben gekregen, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de schuldeisers prevaleert boven het belang van [verweerster] . Hierbij acht de rechtbank het doorslaggevend dat bij het te gelden maken van de woning, een substantiële uitkering aan de schuldeisers van [verzoeker] kan plaatsvinden, waar zij anders niets zouden ontvangen. Tevens wordt meegewogen dat [verweerster] verwacht in staat te zijn het aandeel van [verzoeker] over te nemen, zodat zij niet dakloos zal geraken. Mocht dit niet zo zijn, dan resteert een overwaarde waarmee zij in staat zou moeten zijn alternatieve woonruimte te vinden.
3.8.
Dat betekent dat de rechtbank de bewindvoerder zal toestaan het aandeel van [verzoeker], althans de woning te gelde te maken. Daarvoor zullen de voorwaarden gelden als verderop in deze beschikking vermeld. Voor wat betreft (de waarde van) het aandeel van [verzoeker] overweegt de rechtbank het volgende.
Waarde onverdeelde aandeel [verzoeker]
3.9.
[verweerster] stelt dat als gevolg van de insolventiesituatie van [verzoeker], er niet meer in de boedel komt te vallen dan dat er voorafgaande aan de insolventiesituatie aanwezig was. Volgens [verweerster] betekent dat alleen de
onverdeeldehelft van de woning verkocht kan worden, waarbij de koper zal moeten accepteren dat [verweerster] eigenaresse blijft van de andere onverdeelde helft. Dat verhoudt zich ook met fixatiebeginsel van artikel 20 Fw Pro, aldus [verweerster] .
3.10.
De rechtbank overweegt dat voor wat betreft het fixatiebeginsel aansluiting moet worden gezocht bij artikel 295 Fw Pro. Dit beginsel bepaalt dat de boedel de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak van de schuldsaneringsregeling omvat, alsmede die hij tijdens de schuldsanering verkrijgt. Hieronder valt dus ook het onverdeelde aandeel van [verzoeker] in de woning. In zoverre kan [verweerster] in haar standpunt worden gevolgd. [verzoeker] kan echter te allen tijde verdeling vorderen van de woning. De bewindvoerder is na de toepassing van de Wsnp in die rechten van [verzoeker] getreden. [verweerster] bepleit met haar uitleg in feite dat de bewindvoerder dit namens de schuldeisers niet zou kunnen indien de Wsnp van toepassing is. Daarmee zouden de schuldeisers door toepassing van de Wsnp in een significant slechtere positie komen te verkeren, dan wanneer de Wsnp niet van toepassing zou zijn. Buiten de Wsnp om, kan een schuldeiser op grond van artikel 3:180 lid 1 BW Pro immers verdeling van de gemeenschap vorderen. Dat dit onderscheid door de wetgever bedoeld zou zijn kan niet worden afgeleid uit het fixatiebeginsel als bedoeld in artikel 295 Fw Pro.
Voorwaarden van verkoop
3.11.
De rechtbank overweegt dat de bewindvoerder het aandeel van [verzoeker] in beginsel aan [verweerster] moet verkopen tegen de helft van de taxatiewaarde zoals die er nu ligt. De bewindvoerder heeft dit overigens ook altijd aangeboden aan [verweerster] . Het staat [verweerster] vrij om in de hierna te bepalen termijn – op eigen kosten – een contra-taxatie door een daartoe gespecialiseerd taxateur uit te laten voeren in het kader van onderhandelingen met de bewindvoerder, indien zij twijfelt aan de juistheid van de eerdere taxatie.
3.12.
[verweerster] zal enige tijd worden gegund om haar financiën te regelen, maar niet langer dan twee maanden na de datum van deze beschikking. Zij weet immers al langer dat de bewindvoerder over wil gaan tot verkoop, wat de taxatiewaarde van de woning is, en op welke wijze zij de woning wenst te financieren. Hierbij wordt opgemerkt dat [verweerster] graag wil betalen door de vordering die zij op [verzoeker] heeft te verrekenen met het bedrag dat zij nog moet betalen voor zijn aandeel in de woning (€ 202.500,00 minus de openstaande schuld van [verzoeker] van € 141.876,37 maakt een resterend te betalen bedrag van € 60.623,63 volgens [verweerster] ). Dit is echter niet toegestaan op grond van artikel 307 Fw Pro. Hoewel de vordering van [verweerster] op [verzoeker] al voor de Wsnp is ontstaan, geldt dit niet voor de vordering van [verzoeker] (de boedel) op [verweerster] wanneer zij het aandeel van [verzoeker] in de woning zou kopen. Dit is wel een voorwaarde voor verrekening. Indien deze verrekening zou worden toegestaan, zou dit daarbij tot gevolg hebben dat [verweerster] haar volledige vordering op [verzoeker] voldaan krijgt boven de andere schuldeisers. Dit is niet de bedoeling.
3.13.
Alleen in het geval verkoop aan [verweerster] onder de voorgaande voorwaarden niet haalbaar blijkt, is de bewindvoerder gemachtigd om de woning te verkopen, mede namens [verweerster] als deelgenoot. De bewindvoerder zal daartoe een NVM-makelaar moeten inschakelen die de vraagprijs bepaalt. Het hoogste bod zal moeten worden aangenomen, teneinde de hoogst mogelijke opbrengst te genereren ten behoeve van de boedel en van [verweerster] .
3.14.
De bewindvoerder heeft gevraagd om de kosten van de makelaar ten laste van de opbrengst van de woning te laten komen. De rechtbank zal dit verzoek niet toewijzen. Gezien de omstandigheden dat de schuld geen betrekking heeft op de gezamenlijke gemeenschap maar enkel zakelijke schulden van [verzoeker] betreffen en [verweerster] tevens schuldeiser in de boedel is, acht de rechtbank het in deze bijzondere omstandigheden onredelijk wanneer zij zou moeten bijdragen in deze kosten. Tot slot zal de levering van de woning niet eerder mogen plaatsvinden dan zes maanden nadat de opdracht aan de makelaar tot het te koop zetten van de woning, is verstrekt. Dit moet [verweerster] de tijd geven vervangende woonruimte te vinden.
3.15.
De aan de bewindvoerder te verlenen machtiging tot het te gelde maken van het onroerende goed behelst naar haar aard een zelfstandige bevoegdheid van de bewindvoerder jegens derden, alsmede de bevoegdheid om de overige deelgenoten te vertegenwoordigen bij de verkoop en de levering van het onroerende goed. Het is dan ook niet nodig om te bepalen dat de beschikking in de plaats komt van de toestemming, of overdracht en levering. Dit deel van het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
3.16.
Tot slot heeft [verweerster] verzocht de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat er nog voldoende tijd resteert om de kwestie te laten behandelen door het gerechtshof voordat de Wsnp van [verzoeker] eindigt op 19 februari 2027. De rechtbank zal het verzoek tot uitvoerbar bij voorraadverklaring echter toewijzen. De bewindvoerder heeft belang bij tenuitvoerlegging van deze beschikking, zodat de nodige stappen genomen kunnen worden ten aanzien van de verdeling van de woning. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van [verweerster] bij niet-tenuitvoerlegging van deze beschikking gedurende de appeltermijn en het eventuele hoger beroep, juist ook vanwege het feit dat de Wsnp eindig is.
Proceskosten
3.17.
In de procespositie die de bewindvoerder bekleedt, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De bewindvoerder procedeert immers namens [verzoeker] die in familierechtelijke betrekking tot [verweerster] staat.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat [verweerster] tot uiterlijk twee maanden na deze beschikking de gelegenheid heeft het onverdeelde aandeel van [verzoeker] tegen de getaxeerde waarde over te nemen,
Enkel in het geval [verweerster] het aandeel niet overneemt binnen de hiervoor genoemde termijn:
4.2.
machtigt de bewindvoerder om de woning gelegen te [adres] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , te gelde te maken, onder de voorwaarden dat:
- de verkoop plaatsvindt door een door de bewindvoerder aangewezen NVM-makelaar;
- de woning tegen het hoogste bod wordt verkocht;
- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal zes maanden nadat de opdracht tot verkoop aan de makelaar is verstrekt;
- de kosten gemoeid met de verkoop van de woning ten laste komen van de boedel;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.