ECLI:NL:RBZWB:2025:7040

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439661 / JE RK 25-1643
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens voortdurende ontwikkelingsbedreiging en contactproblemen

De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2013. De minderjarige woont bij zijn moeder, maar heeft geen contact met zijn vader. De ondertoezichtstelling was eerder ingesteld van 14 oktober 2024 tot 14 oktober 2025.

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij de ouders en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren, gaf de minderjarige aan dat het goed met hem gaat, maar hij heeft geen contact met zijn vader uit angst. De vader uitte zijn onvrede over het verloop van de ondertoezichtstelling en het gebrek aan contact met zijn kind. De moeder ervaart de ondertoezichtstelling als belastend en wil deze niet verlengd zien.

De kinderrechter constateert dat de ontwikkelingsbedreiging onverminderd aanwezig is en dat het patroon van wisselende verblijfplaatsen en spanningen tussen ouders voortduurt. Er is geen contactherstel tussen vader en kind ondanks diverse hulpverleningspogingen. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor zes maanden, met een pro forma zitting gepland voor 27 februari 2026 om de voortgang te evalueren. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de hulpverlening te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor zes maanden met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439661 / JE RK 25-1643
Datum uitspraak: 13 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 11 september 2025, ontvangen op 11 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 14 oktober 2024 tot 14 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Er is sprake van een hardnekkig patroon en in het afgelopen jaar is het niet gelukt om dit patroon te doorbreken. [minderjarige] zit klem tussen zijn ouders. Hij heeft veel wisselingen gekend in verblijfplaats. MST stelt dat de vader zich bij de aanvang van de ondertoezichtstelling volledig heeft ingezet om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. In die periode had [minderjarige] geen contact met zijn moeder. Toen is het in de thuissituatie bij de vader geëscaleerd en is [minderjarige] plots bij zijn moeder gaan wonen. Op dit moment heeft hij geen contact met zijn vader. Er is al veel hulpverlening ingezet (onder andere MST, crisisIPT en [hulpverlening] maar het is tot op heden nog niet gelukt om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen. [minderjarige] heeft aangegeven bang te zijn van de vader en niet met hem in gesprek te willen gaan. De GI kan [minderjarige] ook niet dwingen om een herstelgesprek te voeren. Voor [minderjarige] is er individuele behandeling vanuit de Viersprong aangevraagd, maar dat gaat de situatie op korte termijn niet veranderen. [minderjarige] laat zien dat hij zich niet vrij kan uiten. Dat maakt de situatie erg lastig. De GI ziet een vader die zijn kind wil zien en hem enorm mist, maar [minderjarige] houdt het contact af. De GI spreekt tijdens de zitting met de moeder af dat zij morgen samen een gesprek met [minderjarige] gaan hebben waarin de moeder aangeeft toestemming te geven dat hij contact met zijn vader mag opnemen. Vanuit daar kan er een plan opgesteld worden voor wat betreft het contactherstel.
4.2.
De vader vraagt zich af wat de meerwaarde is van de ondertoezichtstelling. Op dit moment heeft de vader geen contact met [minderjarige] en hij vraagt zich af hoe dat heeft kunnen gebeuren binnen een ondertoezichtstelling. De vader is het niet eens met hoe het allemaal is verlopen en geeft aan dat er veel fouten zijn gemaakt. Het lukt niet om de situatie te verbeteren en de vader is het vertrouwen in het systeem kwijt. Aan de andere kant geeft de vader aan dat de ondertoezichtstelling ook niet zomaar losgelaten kan worden. De vader is van mening dat er een andere koers gevaren moet worden. Het doet de vader veel verdriet dat hij [minderjarige] niet ziet en hij heeft het idee dat de moeder hiervoor zorgt. De vader en de moeder hebben onderling geen contact met elkaar en zij belemmeren elkaar niet. De vader begrijpt dan ook niet waarom [minderjarige] zich niet vrij kan bewegen. De vader wil graag dat er concrete stappen gezet gaan worden.
4.3.
De moeder vindt de ondertoezichtstelling niet helpend. Het heeft geen meerwaarde en de moeder ervaart veel spanningen en stress. De ondertoezichtstelling en de daarbij horende afspraken belemmeren haar dagelijks leven. De moeder zou graag willen dat de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd.
4.4.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij woont bij zijn moeder en dit verloopt goed. Hij heeft op dit moment geen contact met zijn vader.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten zoals hierboven vermeld. De kinderrechter zal derhalve het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van zes maanden, met ingang van 14 oktober 2025 en tot 14 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen zoals die staan beschreven in de beschikking van 14 oktober 2024 zijn nog onverminderd aanwezig. Er is nog steeds sprake van wantrouwen en spanningen tussen de ouders en het lukt de ouders niet om structureel afspraken te maken. [minderjarige] kampt met een loyaliteitsconflict en voelt zich niet volledig gezien en gehoord. [minderjarige] heeft al diverse verblijfplaatsen gekend. In november 2024 is [minderjarige] uit huis gezet bij de moeder en verbleef [minderjarige] bij de vader. In die periode had [minderjarige] geen contact met zijn moeder. Door een incident bij de vader is [minderjarige] teruggekeerd naar zijn moeder en heeft hij op dit moment geen contact meer met zijn vader. De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van een zorgelijk patroon van aantrekken en afstoten. Er zijn al verschillende hulpverleningstrajecten ingezet, maar dit heeft nog niet geleid tot het gewenste resultaat. Er heeft nog steeds geen contactherstel plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] geeft aan bang te zijn voor zijn vader en geen contact met hem te willen. De kinderrechter ziet dat dit de vader verdrietig maakt en gunt het [minderjarige] om onbelast contact te hebben met zijn beide ouders.
5.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter is een verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. Op dit moment heeft de kinderrechter er geen vertrouwen in dat het de ouders zelf lukt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] in het vrijwillig kader, zonder betrokkenheid van de GI, weg te nemen. Daarnaast moet onderzocht worden of en zo ja op welke manier er contactherstel tussen [minderjarige] en de vader kan plaatsvinden. Tijdens de zitting is tussen de GI en de moeder afgesproken dat er morgen een gesprek zal plaatsvinden met [minderjarige] waarin de moeder emotionele toestemming zal geven aan [minderjarige] om contact op te nemen met zijn vader. Het is belangrijk dat [minderjarige] met beide ouders contact heeft en dat hij van zowel zijn moeder als zijn vader emotionele toestemming voelt om met de andere ouder om gaan. De kinderrechter hoopt dat er vanuit hier afspraken gemaakt kunnen worden. De kinderrechter verwacht van beide ouders volledige inzet om een andere koers te gaan varen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij passende vervolgstappen zal zetten, wanneer het eerder genoemde gesprek niet tot het gewenste resultaat leidt. Om vinger aan de pols te kunnen houden en om de voortgang te bewaken verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter verzoekt de GI om voor de nader te noemen pro forma datum te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken en te berichten of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 oktober 2025 en tot 14 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling aan tot
27 februari 2026 PRO FORMAen verzoekt de GI om voor deze datum te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken en te berichten of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.