Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
1.Het verdere verloop van de procedure
- de beschikking van 17 juni 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de op 12 september 2025 van de GI ontvangen brief met bijlagen.
2.De nadere beoordeling
20 oktober 2025 tot 20 juni 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
noodzakelijkin het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De ouders hebben een positieve ontwikkeling laten zien. Er zijn geen directe zorgen meer om de veiligheid van [minderjarige] bij de ouders. De ouders beschikken over opvoedcapaciteiten en zij reageren sensitief naar [minderjarige] . Zij werken ook mee aan de hulpverlening via Sterk Huis. [minderjarige] verblijft inmiddels drie dagen en twee nachten per week bij de ouders en dit gaat over het algemeen gezien al best goed. Daarnaast zijn er signalen dat [minderjarige] het moeilijk heeft met de overgang tussen de ouders en de pleegouders. Mogelijk moet [minderjarige] dus ook niet te lang aan deze tussensituatie blootgesteld worden. De GI en Sterk Huis geven daarover aan dat het tempo van [minderjarige] gevolgd moet worden, maar de wet schrijft voor dat als het ‘goed genoeg’ is bij de ouders er geen
noodzaakmeer is een kind uithuisgeplaatst te houden. De kinderrechter verwacht dat deze situatie binnen vier maanden bereikt kan worden.
3.De beslissing
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.