De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 oktober 2025 beslist tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds 20 september 2024 onder toezicht stond. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, waarbij de minderjarige bij de moeder woont. De eerdere ondertoezichtstelling was verlengd tot 20 oktober 2025, waarna de GI een verzoek indiende tot verdere verlenging voor zes maanden.
De moeder en vader hebben schriftelijk ingestemd met het verzoek en de zaak kon daardoor zonder zitting worden afgedaan. De kinderrechter constateerde dat er nog steeds concrete bedreigingen zijn voor de ontwikkeling van de minderjarige, zoals beschreven in het verzoekschrift. Hoewel de ouders vooruitgang hebben geboekt in communicatie en afspraken, blijft de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de naleving van deze afspraken en het gedrag van de minderjarige te monitoren.
Daarnaast is het van belang dat de individuele hulpverlening aan de vader wordt gevolgd. Daarom is besloten de ondertoezichtstelling te verlengen van 20 oktober 2025 tot 20 maart 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen, gezien het belang voor de ontwikkeling van de minderjarige. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.