Uitspraak
1.[opdrachtgever 1] ,
[opdrachtgever 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen een aannemer en opdrachtgevers over de betaling van werkzaamheden voor een aanbouw en renovatie van een plat dak. De aannemer vordert betaling van een restantbedrag van de factuur, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. De opdrachtgevers betwisten het bestaan van een schriftelijke overeenkomst en stellen dat de facturen niet gespecificeerd zijn, waardoor zij de juistheid niet kunnen controleren. Tevens vorderen zij terugbetaling van een bedrag wegens vermeende gebreken en eisen herstel en certificaten.
De rechtbank stelt vast dat partijen een schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan door een offerte en daarop volgende wijzigingen die slechts op ondergeschikte punten afwijken. Partijen hebben uitvoering gegeven aan de overeenkomst en de opdrachtgever heeft facturen (deels) betaald. De werken zijn stilzwijgend aanvaard omdat de opdrachtgever niet binnen een redelijke termijn heeft geklaagd over gebreken, die hij bovendien redelijkerwijs bij oplevering had moeten ontdekken.
De rechtbank veroordeelt de opdrachtgevers tot betaling van het resterende bedrag van € 3.968,13, de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en buitengerechtelijke incassokosten van € 521,81. De tegenvordering van de opdrachtgevers wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat geen onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden. De aannemer hoeft geen gebreken te herstellen of certificaten te verstrekken. De proceskosten worden aan de zijde van de aannemer vastgesteld en de veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken.
Uitkomst: De opdrachtgever wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van € 3.968,13, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten; de tegenvordering wordt afgewezen.