ECLI:NL:RBZWB:2025:6929

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/437885 / JE RK 25-1338
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Felix
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging contactregeling tussen vader en minderjarige kinderen met regie bij kinderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 13 oktober 2025 een verzoek tot wijziging van de contactregeling tussen een vader en zijn minderjarige kinderen, waarbij de Stichting Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling betrokken was.

Na eerdere aanhouding en overleg heeft de kinderrechter vastgesteld dat fysiek contact tussen vader en kinderen op dit moment niet passend is vanwege het onbetrouwbare contactpatroon van de vader en de negatieve impact daarvan op de kinderen. De moeder stuurt maandelijks een informatiemail over het leven van de kinderen, waarop de vader binnen vijf werkdagen reageert met een kaartje aan de kinderen. Dit moet de betrokkenheid van de vader stimuleren en mogelijk leiden tot contactherstel.

De regie over het contact ligt volledig bij de kinderen, die zelf bepalen wanneer en hoe zij contact willen met hun vader. De hulpverlening blijft betrokken om dit proces te ondersteunen en te evalueren. De vader is verplicht de ouders te informeren over het versturen van kaartjes. De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De contactregeling wordt gewijzigd met een informatieregeling en regie over contact volledig bij de kinderen gelegd, fysiek contact alleen op hun initiatief.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437885 / JE RK 25-1338
Datum uitspraak: 13 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 22 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI van 22 september 2025.
1.2.
Op 2 oktober 2025 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- een medewerkster namens de Raad.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de vader, zonder kennisgeving vooraf, niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Zowel de GI als de moeder weten niet of de vader naar de rechtbank komt. Zij hebben hierover niets van hem vernomen. De kinderrechter heeft dertig minuten gewacht, maar de vader is niet verschenen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten in afwezigheid van de vader.

2.De feiten

2.1.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de GI aangehouden tot de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025 in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.8 van die beschikking.
2.2.
Bij brief van 22 september 2025 bericht de GI de kinderrechter, samengevat, als volgt. De GI heeft een individueel gesprek gehad met de ouders over hun visie op
een passende zorg- en contactregeling. Hierbij is het advies van de Raad, zoals is gegeven bij de zitting van 22 augustus 2025, als uitgangspunt genomen.
De moeder ziet een regeling waarbij zij de eerste dag van de maand een e-mail stuurt naar de vader als passend. Zij doet daarbij het voorstel om de e-mail samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te stellen, zodat zij kunnen meedenken over wat zij aan de vader schrijven. De moeder ziet het ook als passend dat de vader daarop binnen vijf werkdagen een kaartje stuurt aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder is ook bereid om foto’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te sturen, maar zij wil niet dat deze foto’s op internet terechtkomen.
De vader wenst als regeling vast te leggen dat hij één zaterdag per maand contact heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De nieuwe partner van de vader is bereid om zorg te dragen voor het halen en brengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Wanneer de kinderrechter hier niet in meegaat, is de vader akkoord met een informatieregeling. De vader wenst de informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen niet via de moeder, maar via een derde te ontvangen. Ook wenst de vader geen informatie over school te ontvangen, tot er frequenter contact is. Wanneer de vader foto’s krijgt, bepaalt hij zelf wat hij met de foto’s doet en of hij deze online zet.
De GI stelt dat de onduidelijkheid die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het contact met hun vader ervaren zeer schadelijk is voor hun ontwikkeling. Ondanks de inzet van de hulpverlening is het de ouders wederom niet gelukt om tot een passende regeling te komen. Zij zijn onvoldoende bereid om elkaar tegemoet te komen. De GI kan zich volledig vinden in het laten vastleggen van een informatieregeling en het contact via kaartjes en doet daartoe een wijziging van verzoek. De GI vindt het passend als de informatiemail wordt opgesteld mét [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De GI ziet geen mogelijkheid dat het vertrouwen tussen de vader en de moeder ooit hersteld wordt. De GI wil [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wél de mogelijkheid bieden om fysiek contact te hebben met hun vader wanneer zij hier behoefte aan hebben. Gezien het patroon dat vader door de jaren heeft laten zien, en de impact die dit heeft gehad op [minderjarige 1] en [minderjarige 2], vindt de GI het van belang dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf regie houden over deze contacten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan drie keer per jaar de gelegenheid worden geboden hun vader te zien. Het is aan de ouders om deze momenten te faciliteren. De GI hoopt hiermee [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dusdanig regie te geven over het contact met hun vader, dat zij ongedwongen per contactmoment kunnen nagaan wat zij hierin willen. Om ouders te ondersteunen in het faciliteren van deze contactmomenten, zal de GI [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanmelden bij JIM: Jouw Ingebrachte Mentor. Dit traject zal naast het bestaande traject van [hulpverlening] plaatsvinden.

3.Het (gewijzigde) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de door de rechtbank op 7 november 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, waarbij:
- de moeder op de 1e dag van de maand samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een e-mail stuurt naar de vader, waarin zij informatie deelt over de onderwerpen schoolgang, sport, vriendjes/leuke gebeurtenissen en medische aangelegenheden. Bij medische noodgevallen bericht moeder de vader direct per mail/telefonisch (mits dit noodzakelijk is). Deze noodmail bestaat naast de maandelijkse informatiemail.
- de vader reageert binnen 5 werkdagen op de informatiemail door het versturen van een brief/kaartje aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zodra vader de brief/kaart heeft verzonden, stelt hij de moeder per e-mail op de hoogte.
- er bestaat ruimte voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en de vader, om elkaar extra brieven/kaartjes te versturen bij gelegenheden zoals verjaardagen of feestdagen.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid om drie keer per jaar, te weten in de maanden maart, juli en november, fysiek contact te hebben met hun vader. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogen hierin bepalen wanneer, op welke wijze, waar en hoe lang zij hun vader zien. Ouders dienen deze momenten te faciliteren, en de keuzes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te respecteren. Uitgangspunt is dat deze momenten plaatsvinden, maar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook mogen bepalen dat een contactmoment niet zal plaatsvinden.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het nadere standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het gewijzigde verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. In de brief van 22 september 2025 heeft de GI uiteengezet hoe zij in de afgelopen periode met ouders in gesprek is gegaan en waarom zij het verzoek heeft gewijzigd. De vader heeft aangegeven fysiek contact te willen hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Echter, hierin heeft de GI gelet op het jarenlang door hem vertoonde patroon, geen vertrouwen. Zonder begeleiding gaat fysiek contact niet lukken. Daarom heeft de GI aan De Toegang gevraagd om de situatie verder te monitoren. De Toegang is bereid dit op zich te nemen. Daarnaast is er een JIM-traject ingezet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Via die weg kunnen zij hun stem laten horen. Wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een eigen telefoon hebben, heeft de GI er geen bezwaar tegen dat zij contact opnemen met de vader. Bij de hulpverlening kan verder gesproken worden wat daarin passend is. De GI heeft in de verzochte regeling niet verzocht om de moeder foto’s te laten sturen. De GI begrijpt de angst van de moeder dat zij niet weet wat de vader met de foto’s gaat doen.
4.2.
De GI heeft er bewust voor gekozen om jaarlijks drie momenten te kiezen waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan moeten geven wat zij in het contact met hun vader willen. Het is goed om gespreksmomenten te hebben waarop over het contact gepraat kan worden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogen dan boos en verdrietig zijn. Daar mag ruimte voor zijn. Dit kan ook helpend zijn. Bij die gespreksmomenten kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan aangeven of zij contact met de vader wensen. De GI wil hierin de regie bij hen leggen. Wanneer de driejaarlijkse gespreksmomenten worden losgelaten, dan is dit te vrijblijvend en bestaat het risico dat er helemaal niet wordt gesproken over het contact met de vader.

5.Het nadere standpunt van belanghebbende en het advies van de Raad

5.1.
De kinderrechter heeft geen kennis kunnen nemen van het standpunt van de vader, omdat hij niet bij de zitting is verschenen.
5.2.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij zich kan vinden in het sturen van informatie aan de vader. Ook met het versturen van kaartjes voor zijn verjaardag heeft de moeder geen moeite. Wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact willen hebben met hun vader, dan staat de moeder daar voor open. Echter, zij vertrouwt er niet op dat de vader bij afspraken zal verschijnen. De vader heeft in de afgelopen zes jaar slechts twintig keer contact gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er is begeleide omgang geweest, maar gezien wordt dat de vader daarna steeds afhaakt. Wanneer het in de toekomst tot een contactmoment komt, dan moet dit ook daadwerkelijk doorgaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen niet nogmaals teleurgesteld worden. In de komende periode moeten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eerst gaan ervaren hoe betrouwbaar de vader is in het nakomen van de regeling en hij kaartjes gaat sturen. Dit kan via hulpverlening gemonitord worden. Ook met de inzet van een JIM-traject is de moeder akkoord. De hulpverlening kan bezien of er interesse is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de vader en andersom. De vraag is echter of een driejaarlijks contact haalbaar is. Voorzienbaar is dat dit tot discussie gaat leiden. Wanneer er wordt gekozen voor het beleggen van regie bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2], dan moet dit een volledige regie zijn; wanneer zij de vader willen zien, geven zij dat aan. De moeder stelt dan ook voor om gedachtestreepje 1, 2 en 3 van het gewijzigde verzoek toe te wijzen en gedachtestreepje 4 af te wijzen. Dit is conform het advies van de Raad.
5.3.
De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De verzochte informatieregeling begrijpt de Raad. Om het contact inhoud te geven, moet de vader weten wat er in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] speelt. Het is aan de moeder om de vader daarover te infomeren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben te maken met een vader die er niet voor hen was. Zij zijn hierover boos en verdrietig. De Raad begrijpt dan ook dat er geen fysieke contactregeling wordt verzocht. De vraag is in hoeverre de regie over het contact bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten worden belegd en of hieraan, conform het verzoek, termijnen aan moeten worden verbonden. In de visie van de Raad dient de regie bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komen te liggen. De Raad kan zich voorstellen dat een driejaarlijks gespreksmoment over contact met de vader bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] spanningen kan opleveren. Bovendien brengt dit een bepaalde schijnzekerheid voor de vader met zich en dat kan bij hem reactie oproepen.
De Raad adviseert om vast te leggen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepalen wanneer zij contact met hun vader willen hebben. Daarbij kan hen worden gezegd dat dit zo vaak kan als zij willen. Het is de taak van betrokken hulpverlening om hier op in te spelen. Het is aan de vader om zich belangstellend op te stellen. Dit kan vervolgens interesse opleveren bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De Raad geeft de kinderrechter nog mee dat ook gekozen kan worden voor een evaluatiemoment bij de hulpverlening. Na bijvoorbeeld een half jaar kan worden gehandeld naar bevind van zaken en de actuele situatie. Dan is ook duidelijk of de vader zich aan afspraken kan houden en hij draagvlak bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft gecreëerd. Dat er binnenkort geen ondertoezichtstelling meer is, is geen probleem. De casus kan door hulpverlening altijd worden terug gemeld.

6.De nadere beoordeling

6.1.
In haar beschikking van 22 augustus 2025 heeft de kinderrechter deze zaak aangehouden met de overweging dat de door de GI voorgestelde contactregeling te weinig waarborgen bood én deze ook te minimaal was. De GI is daarop met de ouders om tafel gegaan om te bezien of zij overeenstemming met elkaar konden bereiken over een informatieregeling en om van ieder een visie over de zorg- en contactregeling te vernemen.
6.2.
Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter gebleken dat het de ouders niet is gelukt om overeenstemming met elkaar te bereiken. Dit betekent dat de kinderrechter op het (gewijzigde) verzoek zal beslissen.
Wijziging van omstandigheden
6.3.
In de afgelopen jaren is gebleken dat de vader zich in het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet betrouwbaar kan opstellen. De vader toont zich hiermee onvoorspelbaar en niet betrokken. Persoonlijke omstandigheden van de vader hebben invloed op zijn betrokkenheid. Gaat het niet goed met de vader, dan trekt hij zich terug. Na de beschikking van 7 november 2023 is het contact (wederom) volledig gestopt, wat een wijziging van omstandigheden met zich meebrengt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben last van deze onvoorspelbaarheid in het contact met hun vader.
6.4.
Zoals hierboven is overwogen, is naar het oordeel van de kinderrechter dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de regeling zoals deze is bepaald bij beschikking van 7 november 2023. De wijziging van omstandigheden rechtvaardigt een wijziging van de zorg- en contactregeling. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Informatieregeling en sturen van kaartjes
6.5.
Samen met de GI en de Raad acht de kinderrechter een zorg- en contactregeling waarbij er sprake is van fysiek contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelet op alle omstandigheden niet passend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben belang bij duidelijkheid over wat zij in het contact met de vader kunnen verwachten. De kinderrechter volgt hierin ook het advies van [jeugdzorg]: contactherstel moet komen vanuit de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Met de Raad en de GI is de kinderrechter van oordeel dat het aan de vader is om betrokkenheid te tonen en zich belangstellend op te stellen naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zoals bij de mondelinge behandeling van 22 augustus 2025 is besproken, vraagt de situatie om een informatieregeling. Immers, hoe kan de vader zich belangstellend tonen en kaartjes schrijven, zonder dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ziet en zonder dat hij weet hoe het met hen gaat?
6.6.
De GI heeft ingespeeld op de vraag welke informatieregeling passend is en heeft daarin als uitgangspunt genomen het gegeven advies van de Raad tijdens de zitting van 22 augustus 2025. Dit heeft geresulteerd in het gewijzigde verzoek, waarin de moeder zich kan vinden. Zij zegt bereid en in staat te zijn om de vader eens per maand per e-mail informatie te verstrekken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het gewijzigde verzoek onder gedachtestreepje 1, 2 en 3, zal de kinderrechter dan ook toewijzen als in het dictum te melden. De kinderrechter acht een toewijzing daarvan van belang om de vader de mogelijkheid te geven om met het versturen van kaartjes in te spelen op wat er zich in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voordoet en om zich betrokken te tonen. Verwacht wordt dat dit de interesse van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun vader opwekt en daarmee om – in de toekomst – mogelijk het contact tussen hen te herstellen.
Regie over het contact bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]?
6.7.
Vervolgens dient de kinderrechter nog te oordelen of het gewijzigde verzoek onder gedachtestreepje 4 passend is. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken is dat de visies hierover verschillen. Waar de GI zich op het standpunt stelt dat er driejaarlijks een gesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden gevoerd over of en hoe zij het contact met hun vader voor zich zien, acht de Raad het passend om de regie volledig bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beleggen zonder dat daarbij wordt vastgehouden aan drie momenten per jaar. Hoewel de moeder op papier de visie van de GI lijkt te volgen, geeft zij tijdens zitting aan bang te zijn dat de vader zich niet betrouwbaar opstelt en zij bang is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer door hem teleurgesteld gaan worden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten eerst zien dat de vader zich betrokken toont. De regie over het contact dient bij hen te liggen en daarop kan hulpverlening inspelen. De kinderrechter weegt alle opties af en oordeelt als volgt.
6.8.
De kinderrechter volgt het advies van de Raad. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij de volledige regie krijgen over het contact met hun vader, conform het advies van [jeugdzorg]. Naar verwachting zal het driejaarlijks gespreksmoment over het contact spanning bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opleveren, terwijl contactherstel vanuit hen zelf moet komen. Nu, anders dan bij het inleidende verzoek, duidelijk is dat er hulpverlening bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrokken blijft, kan vanuit de hulpverlening worden bezien of en in hoeverre [minderjarige 1] en [minderjarige 2] open staan voor contact met hun vader. Het vaststellen van drie gespreksmomenten per jaar wordt daarmee overbodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen bij hulpverlening gedurende het jaar, ongelimiteerd aangeven wat zij met het contact willen. Het is aan de hulpverlening om hierop blijvend te acteren en de situatie regelmatig te evalueren, bijvoorbeeld halfjaarlijks. Wanneer bemerkt wordt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan contact, dient hierop ingezet te worden. Anderzijds is het aan de vader om zich door middel van kaartjes betrokken te tonen en bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] interesse te wekken. Ook betrekt de kinderrechter in haar oordeel dat met het vastleggen van gespreksmomenten een schijnzekerheid voor de vader kan ontstaan en ook een angst van de moeder dat steeds, wanneer deze driejaarlijkse gespreksmomenten er zijn, er mogelijk druk is vanuit de vader op de moeder of op [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Dit moet worden voorkomen.
6.9.
Het voormelde leidt ertoe dat het gewijzigde verzoek onder gedachtestreepje 4 niet zal worden toegewezen, maar als volgt zal worden bepaald:
Wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit eigen initiatief contact willen met hun vader zullen zij dit
aangeven bij hun moeder ofwel bij de hulpverlening. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid om fysiek contact te hebben met hun vader en mogen hierin bepalen wanneer, op welke wijze, waar en hoe lang zij hun vader zien. De ouders dienen deze momenten, al dan niet met betrokkenheid van de hulpverlening, te faciliteren, en de keuzes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te respecteren.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijzigt de beschikking van 7 november 2023 voor zover dit de verdeling van de
zorg- en opvoedingstaken betreft en bepaalt deze als volgt:
- de moeder stuurt op de 1e dag van de maand samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een e-mail naar de vader, waarin zij informatie deelt over de onderwerpen schoolgang, sport, vriendjes/leuke gebeurtenissen en medische aangelegenheden. Bij medische noodgevallen bericht moeder de vader direct per mail/telefonisch (mits dit noodzakelijk is). Deze noodmail bestaat naast de maandelijkse informatiemail;
- de vader reageert binnen 5 werkdagen op de informatiemail door het versturen van een brief/kaartje aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zodra vader de brief/kaart heeft verzonden, stelt hij de moeder per e-mail op de hoogte;
- er bestaat ruimte voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en de vader, om elkaar extra brieven/kaartjes te
versturen bij gelegenheden zoals verjaardagen of feestdagen;
- wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit eigen initiatief contact willen met hun vader zullen zij dit
aangeven bij hun moeder ofwel bij de hulpverlening. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid om fysiek contact te hebben met hun vader en mogen hierin bepalen wanneer, op welke wijze, waar en hoe lang zij hun vader zien. De ouders dienen deze momenten, al dan niet met betrokkenheid van de hulpverlening, te faciliteren, en de keuzes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te respecteren.
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Felix, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.