ECLI:NL:RBZWB:2025:6919

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/438687 / JE RK 25-1474
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij grootouders moederszijde

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij zijn grootouders moederszijde, met het oog op zijn welzijn en ontwikkeling. De minderjarige verblijft sinds april 2025 bij zijn grootouders, maar uit een netwerkscreening blijkt dat deze plaatsing niet optimaal is vanwege gedragsproblemen en ontwikkelingsbelemmeringen.

De minderjarige gamet veel, vertoont agressief gedrag op school en kampt met eetproblemen. De Raad en betrokken partijen zijn het eens dat een passende behandelgroep een betere omgeving biedt. De minderjarige is inmiddels aangemeld voor een woongroep, waar binnen drie maanden een plek verwacht wordt.

De kinderrechter acht het in het belang van de minderjarige om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot begin 2026, zodat hij voorlopig bij zijn grootouders kan blijven. Een crisisplaatsing wordt als schadelijk en verwarrend gezien. De zaak wordt aangehouden voor het resterende deel van het verzoek, met een nieuwe zitting gepland. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij grootouders moederszijde wordt verlengd tot begin 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438687 / JE RK 25-1474
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Nadere beschikking machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
betreffende
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats],
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 8 september 2025, en alle daarin vermelde en opgenomen stukken;
- de op 29 september 2025 ontvangen aanvullende briefrapportage van de Raad van 29 september 2025.
1.2.
De nadere mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter waren voorts als informanten aanwezig:
- de grootouders van [minderjarige] aan moederszijde, bijgestaan door een tolk in de Vietnamese taal;
- de oom van [minderjarige] aan moederszijde.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een telefonisch gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De vader van [minderjarige] is op [datum 1] 2018 overleden.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 8 september 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 8 september 2025 en tot 8 september 2026. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, verleend met ingang van 8 september 2025 en tot 8 oktober 2025, onder aanhouding van het resterende deel.
2.3.
Op grond van de voornoemde beschikking verblijft [minderjarige] bij zijn grootouders moederszijde (hierna: grootouders mz).

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij opa en oma moederszijde, te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij opa en oma moederszijde, te verlenen voor de resterende duur van vijf maanden.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij het heel fijn vindt bij opa en oma. Het is daar rustig en hij kan er veel dingen doen. [minderjarige] hoopt dat hij nog lang bij opa en oma mag blijven wonen. Desgevraagd benoemt [minderjarige] dat het bij zijn moeder thuis soms wel goed en soms minder goed ging. [minderjarige] heeft nu een paar keer per week contact met zijn moeder. Zij bellen of appen dan. Verder heeft [minderjarige] verteld dat het goed gaat op school en dat hij niet zoveel gamet.
4.2.
De Raad handhaaft het verzoek en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij opa en oma moederszijde, te verlenen voor de duur van drie maanden, onder aanhouding van het resterende deel. Uit de voorlopige netwerkscreening zijn duidelijke contra-indicaties naar voren gekomen voor de plaatsing van [minderjarige] bij zijn opa en oma moederszijde. [minderjarige] komt daar niet toe aan zijn ontwikkeling en de opa en oma hebben geen grip op het zelfbepalende gedrag van [minderjarige]. [minderjarige] gamet bijna de hele dag en nacht door, doucht bijna niet en gaat maar twee ochtenden per week naar school en is dan agressief en brutaal naar docenten en leerlingen. Daarnaast heeft hij overgewicht en eetproblemen. Ook is er mogelijk sprake van kind-eigenproblematiek. Er moet daarom een andere, passende plek worden gevonden voor [minderjarige] waar hij langdurig kan blijven, bijvoorbeeld een [woongroep]. Dat moet volgens de Raad mogelijk zijn binnen drie maanden. In de tussentijd acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat hij bij zijn opa en oma verblijft. [minderjarige] verblijft daar al sinds april 2025 en een crisisplaatsing zal hem naar verwachting schade en verwarring toebrengen, hetgeen ook gelet op zijn eerdere verlieservaringen met betrekking tot het overlijden van zijn vader en het wonen bij zijn moeder, niet in zijn belang wordt geacht. Verder is het voor de komende tijd van belang dat er zicht komt op de schoolgang van [minderjarige]. Ook zal de GI moeten afwegen of er in de tussentijd bij opa en oma hulpverlening moet worden ingezet voor [minderjarige] en om de situatie daar te verbeteren. De Raad heeft goed contact met de oom van [minderjarige]. Hij was ook bij het huisbezoek aan de opa en oma aanwezig.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat hij op een passende behandelgroep wordt geplaatst. In de tussentijd kan hij bij de opa en oma verblijven. Daarbij benoemt de moeder dat de opa en oma vanuit hun cultuur niet zo openstaan voor hulpverlening.
4.4.
De GI sluit zich aan bij de Raad. Er is nu een vaste jeugdbeschermer voor [minderjarige] aangesteld. Zij heeft recent met hem kennisgemaakt en dat is positief verlopen. De komende tijd zal de GI hard op zoek gaan naar een passende plek voor [minderjarige]. Hiervoor wordt zowel gekeken naar een plaatsing in een gezinshuis als op een behandelgroep van [woongroep], waarbij de laatste optie de voorkeur heeft van de GI. [woongroep] heeft ook een minder lange wachtlijst. [minderjarige] is hier inmiddels voor aangemeld. De GI verwacht dan ook binnen drie maanden een geschikte plek voor [minderjarige] te hebben gevonden. Of er in de tussentijd hulpverlening voor [minderjarige] en bij opa en oma thuis moet worden ingezet, is de vraag. Ook hiervoor geldt namelijk dat er een wachtlijst is. Daarnaast lijken opa en oma wel te kunnen instemmen met hulpverlening voor [minderjarige], maar niet echt open te staan voor hulpverlening om bijvoorbeeld zelf de structuur in de thuissituatie te verbeteren.
4.5.
De opa en oma benoemen desgevraagd dat [minderjarige] voorlopig bij hen kan blijven wonen. [minderjarige] luistert echter niet naar hen en daar kunnen zij niets aan doen. Het is daarom goed dat er wordt gezocht naar een passende plek voor [minderjarige] en er hulpverlening voor hem wordt ingezet, zodat hij zijn gedrag kan verbeteren en hij een goede toekomst tegemoet kan gaan. Daarna zou [minderjarige] weer bij de grootouders welkom zijn of bij zijn moeder kunnen gaan wonen.
4.6.
De oom benoemt desgevraagd dat de situatie van [minderjarige] bij de opa en oma thuis onhoudbaar is. De grootouders hebben het gezag en overwicht niet om [minderjarige] op te voeden, en dat zal ook niet gaan veranderen. De oom is bereid om de komende tijd een bemiddelende rol te spelen tussen de grootouders en de GI/hulpverlening.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds is voldaan aan het hierboven genoemde wettelijke criterium en zal daarom het verzoek deels toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, verlengen met ingang van 8 oktober 2025 en tot en met [datum 2] 2026, onder aanhouding van het resterende deel. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.3.
Zoals ook blijkt uit de vorige beschikking, verblijft [minderjarige] sinds april 2025 bij zijn opa en oma moederszijde. Uit de recent afgenomen voorlopige netwerkscreening is gebleken dat er contra-indicaties zijn voor deze plaatsing van [minderjarige] bij zijn grootouders. [minderjarige] komt bij zijn grootouders niet toe aan zijn ontwikkeling en vertoont zelfbepalend gedrag, terwijl het de grootouders niet goed lukt om hier grip op te krijgen en [minderjarige] te begrenzen. De kinderrechter begrijpt dat [minderjarige] bijna de hele dag en nacht door gamet, bijna niet doucht en maar twee ochtenden per week naar school gaat en zich dan agressief en brutaal gedraagt richting zijn docenten en medeleerlingen. Ook lijkt er bij [minderjarige] sprake te zijn van overgewicht en eetproblemen. Daarnaast is [minderjarige] mogelijk belast met kind-eigenproblematiek.
5.4.
Het advies van de Raad is dan ook om op zoek te gaan naar een passende vervolgplek voor [minderjarige], zoals een [woongroep], waar hij langdurig kan verblijven en hij op een passende wijze kan worden ondersteund en eventueel kan worden behandeld. Alle betrokkenen zijn het daarmee eens. [minderjarige] is inmiddels ook aangemeld voor een [woongroep]. Er zal daarom naar verwachting binnen drie maanden een passende plek voor [minderjarige] kunnen worden gerealiseerd. In de tussentijd acht de kinderrechter het, met de Raad en alle betrokkenen, van belang dat [minderjarige] voorlopig nog bij zijn opa en oma verblijft. Een crisisplaatsing zal voor veel spanningen en verwarring bij [minderjarige] zorgen en dat is niet in zijn belang, te meer nu hij in het verleden al veel heeft gemaakt en mogelijk is belast met kind-eigenproblematiek. De opa en oma hebben tijdens de zitting ook aangegeven dat [minderjarige] voorlopig nog bij hen kan blijven wonen. De oom heeft daarop aangegeven dat hij zich er de komende tijd voor in wil en kan zetten om waar mogelijk een bemiddelende rol te spelen tussen de opa en oma en de GI/hulpverlening. Gelet op al het voorgaande acht de kinderrechter het noodzakelijk en in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, te verlengen met ingang van 8 oktober 2025 en tot en met [datum 2] 2026.
5.5.
Het resterende deel van het verzoek zal in afwachting van de ontwikkelingen van de komende periode worden aangehouden.
Uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere mondelinge behandelingdient de Raad de kinderrechter en de belanghebbenden middels een briefrapport te voorzien van een update over de ontwikkelingen van de afgelopen periode, waarbij de Raad ook aangeeft wat dit betekent voor het resterende deel van het verzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, met ingang van 8 oktober 2025 en tot en met [datum 2] 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van
[datum 2] 2026 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, ten overstaan van de kinderrechter, mr. Borm, voor de duur van ongeveer 45 minuten;
6.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de Raad, de moeder en de GI;
6.5.
vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;
6.6.
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.