ECLI:NL:RBZWB:2025:6846

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/434828 / FA RK 25-2198
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden verzoek omgangsregeling vader met minderjarige wegens gebrek aan betrouwbaarheid

De man verzoekt een omgangsregeling met zijn minderjarige zoon, die sinds vijf jaar geen contact meer met hem heeft vanwege het niet nakomen van afspraken en een onbetrouwbare houding van de man. De vrouw en de minderjarige zelf zijn tegen contact vanwege de negatieve ervaringen en de psychische impact op het kind.

De rechtbank constateert dat het recht op omgang zwaarwegend is, maar dat de man zich in het verleden niet betrouwbaar heeft opgesteld en geen concrete aanwijzingen heeft gegeven dat dit veranderd is. De vrouw heeft zich voldoende open gesteld, maar wil het contact niet hervatten uit zorg voor het welzijn van het kind.

De rechtbank besluit het verzoek niet definitief af te wijzen maar aan te houden voor zes maanden. De man krijgt de kans om maandelijks een kaartje te sturen en professionele hulp te volgen om zijn betrouwbaarheid en emotionele regulatie te verbeteren. Na zes maanden wordt geëvalueerd of verdere omgang mogelijk is, waarbij het belang en de wensen van het kind leidend zijn.

Uitkomst: Het verzoek tot omgang wordt aangehouden voor zes maanden met een laatste kans voor de vader om vertrouwen te winnen via kaartjes en hulpverlening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/434828 / FA RK 25-2198
datum uitspraak: 11 september 2025
beschikking over omgang
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Waalwijk,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. V.K.S. Deetman in Dordrecht.
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
  • het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
  • het F9-formulier met bijlage van mr. Van Reeven-Özer van 22 mei 2025;
  • het op 25 juni 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2
Op 3 september 2025 zijn de verzoeken behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en
gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.3
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek of op een andere manier. [minderjarige] heeft zijn mening kenbaar gemaakt in een brief. De brief van [minderjarige] is op 14 juli 2025 binnengekomen bij de griffie van de rechtbank. De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling -samengevat - voorgehouden wat [minderjarige] in zijn brief heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Binnen deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3
De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige].
2.4
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.5
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de man en [minderjarige] contact met elkaar hebben gedurende een dagdeel per week, waarbij de man bereid is om in overleg met de vrouw tot een concrete dag en/of tijdstippen te komen in het kader van de onderhavige procedure;
II. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Kosten rechtens.
3.3
Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De standpunten en het advies van de Raad

4.1
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de man, samengevat, het navolgende aan.
Na het uiteengaan van partijen heeft de man goed contact gehad met [minderjarige] ondanks dat het contact altijd moest plaatsvinden onder de voorwaarden van de vrouw. De man is daarna herhaaldelijk afspraken rondom het contact tussen hem en [minderjarige] niet nagekomen. Dit heeft ertoe geleid dat de man en [minderjarige] nu al vijf jaar geen contact meer met elkaar hebben gehad. De man voert aan dat hij toen in een mindere periode in zijn leven zat waardoor hij zich niet altijd aan de afspraken kon houden. Er is een traject bij Sterk Huis gestart voor begeleide omgang maar ook dit traject is niet geslaagd omdat de man zich niet aan de afspraken hield. De man voelde zich niet gehoord door de hulpverlening en had last van psychische klachten. De man begrijpt dat dit een teleurstelling moet zijn geweest voor [minderjarige].
Op dit moment gaat het beter met de man. Hij heeft zijn leven positief veranderd, maar het gemis van [minderjarige] is groot. De man heeft nooit afstand van [minderjarige] willen nemen. Hij heeft de afgelopen jaren getracht het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen. De man wil met de vrouw in overleg hierover treden maar de vrouw acht contactherstel niet in het belang van [minderjarige]. Daar is de man het niet mee eens. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] zit hij volop in zijn ontwikkeling en is het van belang dat [minderjarige] een vaderfiguur heeft. Het recht op omgang van [minderjarige] én de man is een sterk recht en kan niet enkel opzij worden gezet doordat [minderjarige], een jongen van nog maar elf jaar, weerstand vertoont. De man zal er alles aan doen om aan [minderjarige] te laten zien dat hij zich aan afspraken kan houden en een vader voor hem kan zijn. Hij beseft dat hij [minderjarige] niet meer mag teleurstellen. De man is van mening dat hij het [minderjarige] verschuldigd is dat hij zich nu volledig voor hem in zet. Hij is dan ook bereid overal zijn medewerking aan te verlenen om het vertrouwen van [minderjarige] en de vrouw terug te winnen. De man hoopt dat het contact tussen hem en [minderjarige] heel zorgvuldig, met kleine stapjes, hersteld kan worden. Al is dit bij aanvang alleen door met regelmaat een kaartje naar [minderjarige] te sturen.
4.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Zij voert daartoe het navolgende aan. De relatie van partijen was niet stabiel en vanaf de geboorte was het contact tussen [minderjarige] en de man grillig. In 2015 is het tussen partijen geëscaleerd en heeft de man de vrouw met de dood bedreigd. Er is daarna met Veilig Thuis een traject gestart voor contactherstel. Dit traject is mislukt omdat de man zijn afspraken niet na kwam. De man heeft daarna lange tijd geen contact opgenomen. In oktober 2020 was het laatste contact tussen de man en [minderjarige]. In 2021 heeft de vrouw hulp gezocht bij Sterk Huis. De man wilde echter niet meewerken aan contact onder begeleiding, dat vond hij niet nodig, en hij kon zich niet inleven in [minderjarige]. [minderjarige] was heel verdrietig en zat met veel vragen. Hij heeft daarvoor een traject bij Sterk Huis doorlopen en een jaar speltherapie gehad. De vrouw heeft altijd het initiatief genomen voor contactherstel ondanks haar eigen verleden met de man. Op dit moment is contact echter niet meer in het belang van [minderjarige]. De man is al elf jaar geen vaderfiguur voor [minderjarige] geweest. Er is geen gezonde vader-zoon band en de man heeft niet aangetoond dat hij of de omstandigheden veranderd zijn. Hij toont geen empathisch vermogen richting [minderjarige] en realiseert zich niet wat de situatie met [minderjarige] heeft gedaan. De man is nu eenmaal niet in staat zich betrouwbaar en empathisch op te stellen. Bovendien heeft de man recent nog berichten naar de vrouw gestuurd waaruit blijkt dat hij nog steeds kampt met psychische problematiek. De vrouw heeft er dan ook geen vertrouwen in dat contactherstel nu wel goed gaat verlopen.
[minderjarige] heeft het verleden eindelijk een plek gegeven en de vrouw wil hem niet weer aan teleurstellingen blootstellen. Contactherstel is dan ook niet in het belang van [minderjarige]. Hij verdient nu rust en stabiliteit. Hij heeft zijn eigen beeld en mening gevormd en wil op dit moment geen contact met de man. De vrouw staat achter het standpunt van [minderjarige]. Als [minderjarige] in de toekomst wel contact met de man wil, zal de vrouw hem daarin ondersteunen. De vrouw staat ook niet open voor een minimale vorm van contact, door bijvoorbeeld het versturen van een kaart. Dit is al eerder geprobeerd, maar heeft niet tot resultaat geleid. De man heeft genoeg kansen gehad maar heeft nog nooit interesse in [minderjarige] getoond. Ook heeft de man nooit financieel bijgedragen aan de zorg voor [minderjarige]. Bovendien maakt de vrouw zich zorgen dat een kaartje van de man weer zorgt voor onrust bij [minderjarige], iets wat zij bij uitstek niet in zijn belang acht.
4.3
[minderjarige] heeft in zijn brief aan de rechter geschreven dat hij geen contact met de man wil. Enkel het denken aan contact geeft hem al veel stress. Er zijn al veel trajecten voor contactherstel ingezet, maar de man kwam telkens niet opdagen als hij contact met [minderjarige] zou hebben. Dit heeft [minderjarige] veel verdriet gedaan. Op dit moment heeft [minderjarige] de man al vijf jaren niet gezien en dat geeft hem eigenlijk wel rust. [minderjarige] is de hoop verloren en wil niet weer teleurgesteld worden. Recentelijk had [minderjarige] een trefbaltoernooi waar de man onverwachts langs kwam. Hij schrok daar heel erg en wist niet wat hij moest doen. [minderjarige] gaat nu naar de brugklas. Hij vindt dat spannend en wil niet meer stress krijgen doordat hij zijn vader moet zien.
4.4
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. Er is sprake van een zeer belastende voorgeschiedenis. Er is veel hulpverlening ingezet maar door toedoen van de man heeft dat niet het gewenste resultaat gehad. De Raad hoort de wens van de man om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen maar ziet geen enkele aanwijzing dat de situatie van de man veranderd zou zijn ten opzichte van het verleden. De man heeft niet onderbouwd waarom hem een nieuwe kans geboden zou moeten worden. Bovendien heeft [minderjarige] heel duidelijk aangegeven dat hij op dit moment geen behoefte heeft aan contact met de man. Door de combinatie van de duidelijke wens van [minderjarige] en de onveranderde houding van de man, ziet de Raad geen mogelijkheden om op dit moment een omgangsregeling vast te stellen. De Raad adviseert het verzoek van de man dan ook af te wijzen. Desondanks geeft de Raad wel in overweging mee dat de man op andere manieren kan aantonen dat hij aan [minderjarige] denkt en dat hij weer een betrouwbare vader kan zijn. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door het sturen van een kaartje.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
5.2
De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat het recht op omgang tussen een ouder en kind zwaarwegend is. De rechtbank mag daarom niet lichtvaardig omgaan met het ontzeggen van het recht op omgang. De vrouw verzoekt niet letterlijk om ontzegging van het recht op omgang, maar haar verweer komt er in feite wel op neer dat de man het recht op omgang ontzegd moet worden. De rechtbank moet daardoor bedachtzaam omgaan met het verzoek en zich zoveel mogelijk in spannen om het recht op omgang tussen de man en [minderjarige] mogelijk te maken.
5.3
Vaststaat - en door de man is erkend - dat de man zich in het verleden niet als een betrouwbare vader heeft opgesteld. Er zijn meerdere hulpverleningstrajecten, waaronder trajecten bij Sterk Huis, ingezet maar dit is zonder resultaat geweest. De man kwam zijn afspraken niet na of liet het afweten omdat hij vond dat hij [minderjarige] zonder begeleiding moest kunnen zien. [minderjarige] is daardoor keer op keer door de man teleurgesteld. Uit de brief van [minderjarige] blijkt duidelijk dat deze houding van de man ontzettend veel met [minderjarige] heeft gedaan. [minderjarige] is boos, teleurgesteld en verdrietig. Hij is de hoop verlopen en wil niet meer teleurgesteld worden. Enkel het denken aan contact, levert [minderjarige] al stress op. Hij is nog niet klaar om contact met de man te hebben.
5.4
Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat de man weinig inzicht heeft in de psychologische gevolgen van zijn handelen voor [minderjarige]. De man blijft vooral benadrukken hoe zwaar het voor hem is dat hij [minderjarige] al vijf jaar niet heeft gezien, maar lijkt daarbij niet stil te staan bij hoe het voor [minderjarige] is geweest. Gelukkig geeft de man op zijn minst toe dat hij grote steken heeft laten vallen. Iets wat volgens de rechtbank ook evident vaststaat. De man heeft zich niet betrouwbaar opgesteld en heeft hierdoor het vertrouwen van [minderjarige], en de vrouw meerdere malen geschaad. Op de vraag wat er nu veranderd is waardoor de man zich wel betrouwbaar zou kunnen opstellen, kon de man eigenlijk geen antwoord geven. Hij heeft geen concrete omstandigheden aangetoond en gaf alleen aan dat er sprake is van tijdsverloop en het nu beter met hem gaat.
5.5
De rechtbank onderschrijft het standpunt van de vrouw dat zij zich voldoende heeft opengesteld om omgang tussen [minderjarige] en de man te realiseren. Het is begrijpelijk dat de vrouw nu in haar vertrouwen is geschaad en daardoor geen contact meer wil en ook niet openstaat voor een gezamenlijk hulpverleningstraject. De rechtbank begrijpt ook dat de vrouw wil voorkomen dat [minderjarige] opnieuw teleurgesteld raakt, vooral nu hij zich weer goed voelt en net in de brugklas is begonnen.
5.6
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank dan ook grote aarzeling om een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen. Enerzijds acht de rechtbank de houding van de man in het verleden én in het heden niet in het belang van [minderjarige]. De man toont weinig zelfinzicht en lijkt niet bezig te zijn met wat dit alles voor [minderjarige] betekent. Hij heeft ook geen enkele poging gedaan om de afgelopen jaren in contact te komen met [minderjarige] of aan te tonen dat hij een betrouwbare vaderfiguur is. Hij heeft geen verjaardagskaartjes gestuurd, geen cadeautjes gestuurd en draagt ook op geen enkele wijze bij in zijn levensonderhoud. Anderzijds is [minderjarige] nog maar elf jaar oud en zou de rechtbank [minderjarige] en de man gunnen dat zij - onbelast - contact met elkaar hebben omdat het nu eenmaal voor ieder kind fijn is om een band te hebben met zowel zijn vader als moeder.
5.7
Uit artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens vloeit een verplichting voort dat de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zo veel mogelijk inspannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en kinderen mogelijk te maken. Nu het recht op omgang aldus een zwaarwegend recht is en de rechtbank de plicht heeft zich in vergaande mate hiervoor in te spannen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man (nog) niet definitief afgewezen kan worden. De rechtbank zal de man, al hoewel hij op geen enkele wijze heeft aangetoond veranderd te zijn, de kans geven te laten zien dat hij nu wel betrouwbaar is en daadwerkelijk wil investeren in de opbouw van een relatie met [minderjarige]. De man krijgt hiertoe de kans door [minderjarige]
één keer per maand, voor de duur van zes maanden,een bij zijn leeftijd passend kaartje te sturen en zich daarin betrouwbaar op te stellen. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de inhoud van deze kaartjes belastend is voor [minderjarige]. De inhoud moet aansluiten bij zijn ontwikkelingsleeftijd. Gezien er op de vrouw een wettelijke informatieplicht rust jegens de man verwacht de rechtbank dat de vrouw de man informeert over het leven van [minderjarige] (zijn hobby’s, school, interesses etcetera). Op die manier kan de man, als hij daartoe bereid en in staat is, in zijn kaartjes aansluiten bij het leven van [minderjarige]. Of er in de toekomst sprake kan zijn van een meer uitgebreide vorm van contact hangt, naast de inzet van de man, af van de reactie van [minderjarige] op de kaartjes. Als [minderjarige] er teveel door belast wordt, zal de man zich daarbij neer moeten leggen. Het mag absoluut niet gebeuren dat [minderjarige] verder beschadigd raakt.
5.8
Daarnaast zal de man, nu hij al vijf jaren geen contact heeft met [minderjarige] een hupverleningstraject moeten volgen (pycho-educatie) met als doel dat hij inzicht krijgt in de ontwikkeling van een brugklasser van 12 jaar zodat de man leert hoe hij aan kan sluiten bij de leefwereld en de ontwikkeling van [minderjarige]. Ook zal de man gezien de inhoud van zijn (recente) whatsappgesprekken met de vrouw aantoonbaar moeten werken aan zijn emotieregulatie. Hij zal daar professionele hulp voor moeten zoeken. Alvorens er een besluit kan worden genomen over het al dan niet starten van een vorm van begeleide omgang tussen de man en [minderjarige], zal duidelijk moeten zijn in hoeverre de man daartoe daadwerkelijk inspanningen heeft verricht en deze twee trajecten heeft gevolgd. Volgt de man deze trajecten niet, dan kan van omgang in welke vorm dan ook, geen sprake zijn.
5.9
Het voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de man nu niet afwijst maar aan zal houden voor een periode van zes maanden. Na afloop van die zes maanden verwacht de rechtbank dat de advocaten van partijen, uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, de rechtbank schriftelijk op de hoogte stellen van hoe de hulpverleningstrajecten van de man zijn verlopen en vooral van wat de reactie van [minderjarige] is geweest op de ontvangen kaartjes. Ook verzoekt de rechtbank de advocaten om zich dan uit te laten over het verdere gewenste procesverloop.
5.1
De rechtbank hoopt dat met het voorgaande een begin van herstel van vertrouwen ontstaat bij [minderjarige] (en de vrouw). Na zes maanden kan dan mogelijk, indien [minderjarige] daarvoor open staat en de man zich aan zijn verplichtingen heeft gehouden, een volgend klein stapje richting contactherstel worden gezet. Duidelijk moet daarbij wel zijn dat de behoeften en het tempo van [minderjarige] hierin leidend zijn en niet de wens van de man.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
houdt de behandeling van het verzoek van de man aan tot
dinsdag 31 maart 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen, zoals in rechtsoverweging 5.9 omschreven;
6.2
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025 door mr. Van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.