Uitspraak
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige].
1.Het procesverloop
- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Reeven-Özer van 22 mei 2025;
- het op 25 juni 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten en het advies van de Raad
5.De beoordeling
- omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
- de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
- er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
één keer per maand, voor de duur van zes maanden,een bij zijn leeftijd passend kaartje te sturen en zich daarin betrouwbaar op te stellen. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de inhoud van deze kaartjes belastend is voor [minderjarige]. De inhoud moet aansluiten bij zijn ontwikkelingsleeftijd. Gezien er op de vrouw een wettelijke informatieplicht rust jegens de man verwacht de rechtbank dat de vrouw de man informeert over het leven van [minderjarige] (zijn hobby’s, school, interesses etcetera). Op die manier kan de man, als hij daartoe bereid en in staat is, in zijn kaartjes aansluiten bij het leven van [minderjarige]. Of er in de toekomst sprake kan zijn van een meer uitgebreide vorm van contact hangt, naast de inzet van de man, af van de reactie van [minderjarige] op de kaartjes. Als [minderjarige] er teveel door belast wordt, zal de man zich daarbij neer moeten leggen. Het mag absoluut niet gebeuren dat [minderjarige] verder beschadigd raakt.
6.De beslissing
dinsdag 31 maart 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen, zoals in rechtsoverweging 5.9 omschreven;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.