ECLI:NL:RBZWB:2025:6793

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
11721310 \ AZ VERZ 25-34 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en financiële vergoedingen na schorsing werknemer

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, aangeduid als [verzoeker], en haar werkgever, aangeduid als [verweerder]. De werknemer was sinds 1 november 2024 in dienst bij de werkgever als Planner/Sales/Personeel & Organisatie. Op 25 maart 2025 werd de werknemer geschorst en op 26 maart 2025 op staande voet ontslagen. De redenen voor het ontslag waren onder andere het belemmeren van een schorsingsonderzoek, het wissen van bedrijfsgevoelige informatie, schending van een geheimhoudingsbeding en een ernstige vertrouwensbreuk. De werknemer heeft het ontslag betwist en verzocht om financiële vergoedingen, waaronder salaris, vakantiedagen, en een billijke vergoeding.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat er geen dringende reden was voor het ontslag. De werkgever heeft niet voldoende bewijs geleverd voor de gestelde redenen van ontslag. De kantonrechter heeft de werknemer in het gelijk gesteld en haar recht op verschillende financiële vergoedingen erkend, waaronder een billijke vergoeding van € 14.369,01, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 5.428,30, en een transitievergoeding van € 802,65. Daarnaast zijn ook andere verzoeken van de werknemer, zoals betaling van salaris, vakantiedagen en overuren, toegewezen. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever, die als verwijtbaar is aangemerkt voor het onterecht verlenen van het ontslag op staande voet.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11721310 \ AZ VERZ 25-34
Beschikking van 8 oktober 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. S.B. de Groot, JENS Advocaten,
tegen
[verweerder]h.o.d.n.
[bedrijf],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 10 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedag] 1982, is sinds 1 november 2024 voor onbepaalde tijd in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is Planner/Sales/Personeel & Organisatie met een loon van € 4.434,88 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
2.2.
[verweerder] heeft een eenmanszaak die met name gericht is op het verzorgen van schoonmaaktaken voor particuliere en zakelijke klanten. Daarbij worden ook taken verricht op het gebied van ontruimen (en/of leegruimen) van woningen.
2.3.
[verweerder] heeft [verzoeker] op 25 maart 2025 na een gesprek geschorst.
2.4.
Bij brief van 26 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Daarin is onder andere het volgende medegedeeld:

(…) De redenen voor dit ontslag op staande voet zijn als volgt:
Het belemmeren van het schorsingsonderzoek deze is ingezet om onderzoek te verrichten naar mogelijk eigen misdragingen vanuit u als werknemer / mogelijk verwijtbaar handelen door u als werknemer.
Het zonder toestemming wissen van bedrijfsgevoelige informatie ten tijde van uw schorsing tevens opzettelijk vernietigen van bedrijfseigendommen / bedrijfsgegevens.
Schending van het geheimhoudingsbeding.
Ernstige vertrouwensbreuk in de arbeidsrelatie.
Deze ernstige schendingen van het bedrijfsbeleid en de vertrouwensrelatie vormen een directe inbreuk op de regels en normen die we binnen [bedrijf] hanteren. Als gevolg hiervan kunnen we het vertrouwen in uw capaciteiten en betrouwbaarheid niet langer handhaven, wat heeft geleid tot dit besluit. (…)

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt – samengevat – de kantonrechter om [verweerder] te veroordelen tot:
betaling van € 4.151,04 bruto wegens salaris over de maand maart 2025, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en rente,
betaling van € 653,20 wegens niet-betaalde reiskosten,
betaling van € 1.183,32 bruto wegens niet-betaalde overuren, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en rente,
betaling van € 886,18 bruto wegens eindejaarsuitkering, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en rente,
betaling van € 2.409,37 bruto wegens niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en rente,
betaling van € 1.747,55 bruto wegens vakantiegeld, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en rente,
betaling van € 646,00 wegens transitievergoeding, te vermeerderen met rente,
betaling van € 5.428,30 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met rente,
betaling van € 14.369,01 wegens billijke vergoeding, te vermeerderen met rente,
het verstrekken van deugdelijke specificaties van de onder a. tot en met i. genoemde bedragen.
Daarnaast vordert [verzoeker] [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt – samengevat – het volgende ten grondslag aan haar vorderingen. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verleend. Het is [verzoeker] onduidelijk wat haar wordt verweten. Daardoor is het ontslag niet aan haar onverwijld medegedeeld. Daarnaast betwist [verzoeker] dat zij bedrijfsgevoelige informatie heeft verwijderd en dat zij haar geheimhoudingsbeding zou hebben overtreden. Ook is het [verzoeker] onbekend om welke reden een ernstige vertrouwensbreuk in de arbeidsrelatie zou zijn ontstaan. Gelet op het voorgaande ontbreekt een dringende reden voor een ontslag op staande voet.
[verzoeker] heeft nog recht op uitbetaling van salaris over de maand maart 2025, 37 overuren, de eindejaarsuitkering, 63,32 vakantie-uren en het vakantiegeld. [verzoeker] verzoekt deze bedragen te verhogen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Ook heeft [verzoeker] nog recht op uitbetaling van reiskosten, omdat ze tijdens het dienstverband met haar eigen auto heeft gereden. Voorts heeft [verzoeker] recht op betaling van de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is verleend. De wettelijke opzegtermijn bedraagt een maand waarbij opzegging dient te geschieden tegen het einde van de maand. Gelet hierop is de gefixeerde schadevergoeding berekend over de periode 26 maart tot 1 mei 2025. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door een niet-rechtsgeldig ontslag op staande voet te verlenen. [verzoeker] acht daarvoor een vergoeding gelijk aan drie bruto maandsalarissen inclusief vakantiegeld billijk.
3.3.
[verweerder] heeft op de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende verweer gevoerd. Op 25 maart 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] medegedeeld dat gebleken was dat ze met een onbekende man in het pand van [verweerder] was geweest, dat ze haar zoon had meegenomen naar het werk en dat ze mensen had doorgestuurd naar andere bedrijven. [verweerder] heeft [verzoeker] daarop geschorst en medegedeeld dat er nader onderzoek zal plaatsvinden. [verweerder] heeft aan [verzoeker] verzocht haar laptop in te leveren tezamen met de sleutels. Nadat [verzoeker] op een later tijdstip haar laptop had ingeleverd, bleek dat [verzoeker] het wachtwoord had gewijzigd en dat er bestanden waren verwijderd. Ondanks verzoek daartoe heeft [verzoeker] geen inloggegevens verstrekt. Daarnaast zijn op kantoor mappen met klantgegevens verdwenen. [verzoeker] heeft door haar handelen het onderzoek tijdens de schorsing belemmerd en bewust bedrijfsgegevens vernietigd dan wel verwijderd. Vervolgens hebben diverse mensen [verweerder] op kantoor bedreigd en is er met de koplampen van een auto naar binnen geschenen. [verweerder] betwist dat zij nog reiskosten is verschuldigd. Deze zijn namelijk uitbetaald. Verder betwist [verweerder] dat [verzoeker] recht heeft op betaling van overuren. De gestelde overuren zijn namelijk bij de controle betwist en dit is direct medegedeeld aan [verzoeker] .

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat om de vraag of aan [verzoeker] rechtsgeldig ontslag op staande voet is verleend. Indien dit niet het geval is, heeft [verzoeker] recht op vergoedingen.
4.1.1.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.1.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het gaat daarbij om bij het ontslag meegedeelde dringende redenen. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
Belemmeren van het schorsingsonderzoek
4.1.3.
[verweerder] heeft vier redenen aangevoerd in de ontslagbrief. Als eerste reden voor het ontslag is aangevoerd dat [verzoeker] het schorsingsonderzoek heeft belemmerd, omdat [verzoeker] bij het inleveren van haar laptop op 25 maart 2025 geen inloggegevens heeft verstrekt. Niet is komen vast te staan dat [verweerder] om deze gegevens heeft verzocht op 25 maart 2025. [verweerder] heeft vervolgens de volgende dag ontslag op staande voet verleend. Indien [verweerder] deze gegevens nodig had, had het op de weg van [verweerder] gelegen om [verzoeker] een redelijke termijn te gunnen waarbinnen zij de inloggegevens diende over te leggen en mede te delen welke consequenties daaraan worden verbonden indien [verzoeker] daaraan niet meewerkt. Van een dringende reden voor een ontslag op staande voet was daarom (nog) geen sprake.
Het wissen en vernietigen van bedrijfsgegevens
4.1.4.
[verweerder] heeft niet onderbouwd welke informatie op de laptop ontbrak. [verweerder] heeft daarover aangevoerd dat ze – ondanks dat zij geen inloggegevens had – op de laptop kon zien dat er mapjes leeg waren. [verweerder] heeft geen specialist ingeschakeld om alsnog toegang tot de laptop te krijgen en om de gestelde verwijderde gegevens terug te halen. Hierdoor is niet vast komen te staan dat [verzoeker] gegevens heeft verwijderd. [verweerder] heeft verder aangevoerd dat op kantoor mappen met klantgegevens zijn verdwenen. [verzoeker] heeft betwist dat zij deze mappen heeft weggenomen. Een nadere onderbouwing van [verweerder] ontbreekt. Daarom staat niet vast dat [verzoeker] de gestelde mappen met klantgegevens heeft weggenomen. Ook dit levert dus geen dringende reden op.
Schending geheimhoudingsbeding
4.1.5.
Uit de ontslagbrief blijkt niet op welke wijze en wanneer [verzoeker] een geheimhoudingsbeding zou hebben geschonden. Ook is niet duidelijk met wie [verzoeker] bepaalde informatie zou hebben gedeeld. De dringende reden moet meteen duidelijk zijn voor de werknemer. Dat is hier niet het geval, wat maakt dat de mededeling van de dringende reden niet onverwijld is gedaan.
Ernstige vertrouwensbreuk
4.1.6.
[verweerder] heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij is bedreigd en dat er met de koplamp van een auto in het kantoor is geschenen. [verzoeker] heeft betwist dat zij bedreigingen heeft geuit. Zonder een nadere onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. Daarnaast is ook deze reden onduidelijk in de ontslagbrief geformuleerd, waardoor niet is voldaan aan het onverwijld mededelen van de dringende reden.
Billijke vergoeding
4.2.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [1] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [2]
4.3.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.4.
De kantonrechter zal de door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding van € 14.369,01 bruto toewijzen. Dit bedrag is gelijk aan drie maandsalarissen en acht de kantonrechter gelet op de omstandigheden en mede omdat [verzoeker] inmiddels een andere baan heeft gevonden, billijk. Indien [verweerder] de ontbinding van de arbeidsovereenkomst via een verzoekschriftprocedure aanhangig had gemaakt, had de arbeidsovereenkomst langer voortgeduurd.
4.5.
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 14.369,01 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Gefixeerde schadevergoeding
4.6.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [4] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn (26 maart tot en met 30 april 2025) en dat is € 5.428,30 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 26 maart 2025.
Transitievergoeding
4.7.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [5]
[verzoeker] heeft de hoogte van de transitievergoeding berekend over de periode 1 november 2024 tot 26 maart 2025. Dat is niet juist. Volgens de Hoge Raad (HR 17 juli 2020, ECLI:HR:2020:1286) dient de hoogte van de transitievergoeding te worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd. Dit betekent dat de vergoeding dient te worden berekend tot en met 30 april 2025. Gelet hierop zal [verweerder] worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 802,65 bruto.
De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 27 april 2025.
Verzoek tot betaling van eindejaarsuitkering, vakantiegeld, vakantiedagen, overuren en reiskosten
4.8.
[verweerder] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat het salaris over de maand maart 2025 van € 4.151,04 bruto, de niet genoten vakantiedagen van € 2.409,37 bruto, de eindejaarsuitkering van € 886,18 bruto en het vakantiegeld van € 1.747,55 bruto niet is uitbetaald. Dat betekent dat deze verzoeken toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente.
[verweerder] betwist dat de reiskosten van 653,20 niet zijn uitbetaald. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, omdat [verweerder] haar verweer niet met stukken heeft onderbouwd. Indien de gestelde betaling is verricht, is dit eenvoudig aan te tonen met een betalingsbewijs. [verweerder] heeft dit nagelaten. Dit verzoek is dan ook toewijsbaar. Ook gaat de kantonrechter voorbij aan [verweerder] betwisting van de door [verzoeker] gemaakte overuren. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat gewerkte (over)uren op een formulier werden geregistreerd en bij [verweerder] werden ingeleverd. Gelet hierop had [verweerder] met deze stukken kunnen onderbouwen om welke reden bepaalde overuren niet juist zouden zijn geweest. [verweerder] heeft dit nagelaten en ook geen bewijs aangeboden. Dit betekent dat het verzoek tot betaling van een bedrag van € 1.183,32 wegens niet-betaalde overuren zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente.
Proceskosten
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat zij ongelijk krijgt en (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op € 1.681,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 14.369,01, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 5.428,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 646,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen € 4.151,04 bruto wegens salaris over de maand maart 2025, te vermeerderen met € 2.075,52 bruto wegens wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.151,04 vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen € 653,20 wegens niet-betaalde reiskosten,
5.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen € 1.183,32 wegens niet-betaalde overuren, te vermeerderen met € 591,66 bruto wegens wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.183,32 vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.7.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen € 886,18 bruto wegens eindejaarsuitkering, te vermeerderen met € 443,09 bruto wegens wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 886,18 vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.8.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen € 2.409,37 bruto wegens niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met € 1.204,69 bruto wegens wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.409,37 vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.9.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen € 1.747,55 bruto wegens vakantiegeld, te vermeerderen met € 873,78 bruto wegens wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.747,55 vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.10.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te verstrekken deugdelijke specificaties van de onder 5.1. tot en met 5.9. genoemde bedragen,
5.11.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Artikel 7:672 lid 11 BW.
5.Artikel 7:673 lid 1 BW.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.