ECLI:NL:RBZWB:2025:6788

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
9177890 CV EXPL 21-1576 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rouwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 lid 2 BWArt. 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens onvoldoende bewijs non-conformiteit paard bij aankoop

In deze civiele bodemzaak stond de vraag centraal of het paard dat eiseres had gekocht non-conform was vanwege chronische letsels aan de buigpees linksvoor. Deskundigen concludeerden dat het letsel niet met zekerheid aanwezig was ten tijde van de aankoop en dat het niet te antidateren was. De kreupelheid linksvoor werd pas acht maanden na verkoop vastgesteld, terwijl het paard voor aankoop rechtsvoor kreupel was geweest.

Eiseres stelde dat gedaagde relevante informatie had achtergehouden en dat er sprake was van een verborgen gebrek, maar de rechtbank oordeelde dat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW Pro oud niet meer gold omdat de klacht pas later dan zes maanden na aankoop was gemeld. Het deskundigenrapport, inclusief aanvullende informatie zoals röntgenbeelden, toonde geen aanwijzingen dat het letsel bij aankoop aanwezig was.

De rechtbank wees ook het beroep op dwaling af, omdat niet was komen vast te staan dat het paard niet geschikt was als sportpaard L1 of hoger. De proceshouding van gedaagde liet te wensen over, maar dit veranderde niets aan de feitelijke beoordeling. De vorderingen werden afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs dat het paard bij aankoop non-conform was.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 9177890 CV EXPL 21-1576
vonnis d.d. 27 augustus 2025
inzake
[eiseres],
wonende te [woonadres],
eiseres,
gemachtigde: mr. P.J. van den Boogaard, advocaat te Cuijk,
tegen
[gedaagde]h.o.d.n.
[bedrijf],
wonende en zaakdoende te [adres],
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.A. Wensing, advocaat te Emmen.
Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “[gedaagde]”.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis van 4 september 2024 met de daarin vermelde processtukken;
b. het deskundigenrapport van 18 februari 2025 met bijlagen;
c. de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] van 7 mei 2025 met producties;
d. de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres] van 4 juni 2025 met producties;
e. de akte vermeerdering van eis van [eiseres] van 12 juni 2025 met producties.

2.De verdere beoordeling

Deskundigenbericht:
2.1
In het tussenvonnis van 3 januari 2024 heeft de kantonrechter dr. [deskundige 1] en dr. [deskundige 2], beiden verbonden aan de faculteit diergeneeskunde van Utrecht University, als deskundigen benoemd. Bij vonnis van 4 september 2024 zijn de aan de deskundigen te stellen vragen bijgesteld.
2.2
Bij deskundigenbericht van 25 februari 2025 hebben de deskundigen onder andere bericht dat het paard twee (chronische) letsels heeft aan de buigpees LV (linksvoor). De oorzaak voor dergelijk letsel is overbelasting. Voor aankoop is het paard gedurende een bepaalde periode rechtsvoor kreupel geweest en niet linksvoor. De kreupelheid linksvoor is pas acht maanden na verkoop vastgesteld. Dat dit letsel al bij aankoop aanwezig was is niet onderbouwd te beantwoorden. Dit kan alleen via echografisch onderzoek worden vastgesteld en dat is geen standaard onderdeel van een aankoopkeuring, zodat dit bij aankoop niet heeft plaatsgevonden. Er was tijdens de aankoopkeuring sprake van een overvulde sesamschede linksvoor, maar dat komt vaker voor en hoeft niet tot letsel/kreupelheid te leiden. Het letsel is behandelbaar, maar behandeling is ten tijde van het onderzoek niet meer geïndiceerd omdat het paard door rust inmiddels ‘genezen’ is.
Standpunten partijen:
2.3
In haar conclusie na het deskundigenbericht voert [gedaagde] aan dat uit het deskundigenbericht blijkt dat het paard linksvoor niet kreupel is. Het letsel is behandelbaar en niet te antidateren. Het is volgens haar evident dat op geen enkele wijze kan worden aangenomen dat het paard ten tijde van aankoop behept was met een onbehandelbaar letsel aan de buigpees linksvoor. Zij wijst nogmaals op het incident in de wei, dat na aankoop heeft plaatsgevonden. Er zijn nog aanvullende beelden voorgelegd aan de deskundige uit mei 2020 en daarop is volgens de deskundigen geen kreupelheid te zien. [gedaagde] gaat vervolgens nog in op de kreupelheid rechtsvoor. Dit is niet onderzocht, omdat dit buiten het onderzoek viel. [eiseres] heeft tijdens het deskundigenonderzoek gesuggereerd op basis van een vervalst veterinair rapport dat er voor koop sprake was van kreupelheid linksvoor, maar dit wordt door de dierenartsen, die het paard toentertijd hebben onderzocht, weersproken. Dit is meteen gemeld aan de deskundigen. [eiseres] heeft getracht het onderzoek te manipuleren, op grond waarvan de vorderingen onverwijld moeten worden afgewezen, aldus [gedaagde]. In het deskundigenrapport is kreupelheid rechtsvoor vastgesteld, maar dit is ruim vier jaar na aankoop vastgesteld en nooit gemeld aan [gedaagde].
2.4
[eiseres] voert in haar conclusie na deskundigenbericht aan dat [gedaagde] vanaf het begin af aan relevantie informatie achter heeft gehouden, waardoor [eiseres] in bewijsnood is geraakt. [gedaagde] heeft in strijd gehandeld met artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De deskundige heeft daarover opgemerkt dat er een hiaat in de verslaglegging is in de periode van 16 oktober 2019 tot 2 juni 2020. Hier is [gedaagde] ook op aangesproken door de deskundige. Dit ziet op de informatie over de eerdere eigenaar van het paard, dat pas tijdens het deskundigenonderzoek bekend is geworden. Daarnaast is inmiddels vastgesteld dat de röntgenbeelden, waarover in het begin van de procedure is gediscussieerd, altijd tot de beschikking van [gedaagde] hebben gestaan. Zij heeft meerdere keren nagelaten die beelden in het geding te brengen en zich ten onrechte beroept op overmacht. Met betrekking tot de stelling van [gedaagde], dat [eiseres] het deskundigenrapport heeft proberen te manipuleren, voert [eiseres] aan dat dit volgt uit een ongelukkige vertaling van het Franse rapport. Dit had vermeden kunnen worden als [gedaagde] vanaf aanvang van de procedure op tijd, volledig en naar waarheid had verklaard en alle gegevens en foto’s had ingediend. Dit had tot een ander procedureverloop moeten leiden. Er is immers sprake van een verborgen gebrek, dat pas in februari 2021 aan het licht is gekomen. De vraagstelling aan de deskundigen is niet juist geweest. Er had moeten worden uitgegaan van de vraag of sprake was van chronische kwalen aan één of meer benen. Bovendien is het onderzoek beperkt tot de buigpees en niet de peesschede/sesamschede. De ontsteking aan de peesschede/sesamschede is wel vastgesteld en was dus al aanwezig bij aankoop. [eiseres] concludeert primair dat de proceshouding van [gedaagde] ertoe moet leiden dat de vorderingen worden toegewezen met toewijzing van de werkelijke kosten. [eiseres] wijst daarbij bovendien nog op hetgeen is geconstateerd aan het rechter voorbeen. Subsidiair vraagt zij de bewijslast om te keren.
Terugkomen op een bindende eindbeslissing:
2.5
De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] met haar stellingen in haar conclusie na deskundigenbericht vraagt om terug te komen op een bindende eindbeslissing. De kantonrechter overweegt dat de rechter, die in een tussenuitspraak één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, hieraan in beginsel in het verdere verloop van het geding gebonden is. De eisen van een goede procesorde kunnen echter meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing, berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (zie HR 25 april 2008,
NJ2008, 553).
2.6
De kantonrechter ziet geen aanleiding om terug te komen op de bindende eindbeslissing. De kantonrechter wijst daarbij op het volgende.
2.6.1
[eiseres] heeft zich bij dagvaarding op het standpunt gesteld dat het paard chronisch letsel heeft aan het been links voor (overvulde sesamschede met een beschadigde buigpees) en dat dit letsel al aanwezig was bij de koop van het paard (randnummer 14 in de dagvaarding en productie 8 bij dagvaarding). Dat is het gebrek dat [eiseres] ter onderbouwing van haar vorderingen heeft ten grondslag heeft gelegd, zodat de focus van de procedure daarop is gericht.
2.6.2
Voorts heeft [eiseres] [gedaagde] begin 2021 pas gewezen op de kreupelheid linksvoor en op 12 februari 2021 pas in gebreke gesteld. Dit is later dan zes maanden na aankoop, zodat op grond van artikel 7:18 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW oud) het in dat artikel opgenomen bewijsvermoeden niet geldt en [eiseres] in beginsel moet bewijzen dat het gebrek aanwezig was bij aankoop.
2.6.3
[eiseres] stelt dat de proceshouding en algemene stellingen in de conclusie van antwoord van [eiseres] ertoe hadden moeten leiden dat toch van het bewijsvermoeden moet worden uitgegaan, dan wel dat de bewijslast moet worden omgekeerd. De kantonrechter wijst er echter op dat ten tijde van het eerste tussenvonnis voorlag dat er een aankoopkeuring was uitgevoerd en dat er een positief verkoopadvies was afgegeven. Daarbij waren er geen aanwijzingen dat er voor aankoop linksvoor problemen waren, nu de reden voor het ontbinden van de eerdere koopovereenkomst schiefel was aan het rechter voorbeen. Over kreupelheid in het linker voorbeen werd door [eiseres] pas geklaagd op het moment dat het incident in de wei had plaatsgevonden. Daarbij waren er in de periode daarna (tot aan het onderzoek begin 2021 en het moment dat in gebreke is gesteld) regelmatig periodes dat het goed ging met het paard, althans dat er geen sprake was van letsel of kreupelheid. Tot slot lagen er twee berichten van dierenartsen die aangeven dat het letsel waarschijnlijk wel aanwezig was bij aankoop, maar daartegenover stonden ook berichten van dierenartsen waarin is vermeld dat dit soort letsel lastig te antidateren is. Er was dan ook geen reden om anders te oordelen dan is geoordeeld in het tussenvonnis.
2.6.4
[eiseres] wijst vervolgens op de nadien beschikbaar geworden informatie. De kantonrechter overweegt dat de ontbrekende röntgenbeelden zijn meegenomen in het deskundigenonderzoek. Daarnaast zijn diverse andere (oudere) onderzoeken en beelden meegenomen in het deskundigenonderzoek. Uit dat deel van het onderzoek (onder andere bijlage 22 bij het deskundigenonderzoek) volgt niet dat er enige aanwijzingen waren dat het paard kreupel aan het linker voorbeen zou zijn geweest in die periode. Er was/is sprake van een overvulde sesamschede, maar dit komt regelmatig voor en hoeft, aldus de deskundige, niet tot kreupelheid te leiden. In beginsel is dit dus geen gebrek. De klachten die het paard had zijn volgens de deskundige niet te antidateren, waarbij wordt opgemerkt dat op de röntgenbeelden van 5 augustus 2020 geen peesletsel zichtbaar is. Tot slot volgt uit de andere beschikbaar geworden informatie evenmin dat er voor aankoop aanwijzingen waren dat er kreupelheid was aan het linker voorbeen, dan wel letsel dat ertoe zou leiden dat het paard niet zou kunnen voldoen aan de koopovereenkomst. Het bewijsvermoeden gaat dus niet op, zodat het voorgaande er niet toe leidt dat moet worden teruggekomen op de bindende eindbeslissing.
2.6.5
De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het verzoek van [eiseres]. De kantonrechter merkt daarbij op dat de proceshouding van [gedaagde] mogelijk te wensen overlaat, maar dat dit niet betekent dat de feiten anders komen te liggen. Hooguit is er sprake van nodeloos gemaakte proceskosten.
Manipulatie van het deskundigenonderzoek door [eiseres]:
2.7
De kantonrechter acht dit deel van de stellingen voor de verdere beoordeling van het geschil niet van belang, gelet op het navolgende.
Consequenties van de uitkomst van het deskundigenonderzoek:
2.8
Hiervoor is al overwogen dat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW Pro oud niet opgaat, zodat het aan [eiseres] was om te bewijzen dat het letsel aan de buigpees linksvoor al aanwezig was bij aankoop. De deskundigen hebben geoordeeld dat dit niet te antidateren is, zodat [eiseres] niet is geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs.
2.9
Daar komt bij dat de deskundigen niet hebben geoordeeld dat het (chronisch) letsel aan de buigpees linksvoor ertoe leidt dat het paard niet als sportpaard L1 of hoger kan worden ingezet. Wel wordt er opgemerkt dat de kreupelheid rechtsvoor mogelijk ertoe kan leiden dat het paard niet (meer) als sportpaard L1 of hoger kan worden ingezet, maar dit is niet verder onderzocht, omdat dit buiten het bestek van deze procedure valt.
2.1
Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld dat het paard ten tijde van de aankoop non-conform is, zodat [eiseres] geen beroep op ontbinding van de koopovereenkomst kan doen. Ook slaagt het beroep op dwaling niet, omdat niet is komen vast te staan dat het paard ten tijde van de aankoop niet de eigenschappen had om als sportpaard L1 of hoger ingezet te kunnen worden.
2.11
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat door de deskundigen is vastgesteld dat er sprake is van een overvulde sesamschede, maar dit hoeft niet tot klachten te leiden, zodat dit geen gebrek is.
2.12
De vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten:
2.13
[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Voor de akte met betrekking tot de röntgenbeelden wordt geen salaris toegekend. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 1.900,50 aan gemachtigdensalaris (3,5 punt à € 543,00) en € 135,00 aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing). [eiseres] wordt ook veroordeeld in de kosten van het deskundigenonderzoek. Zij heeft het voorschot volledig voldaan en de eindnota bedroeg een iets lager bedrag, en dat is aan haar teruggestort, zodat hier geen nadere beslissing over genomen hoeft te worden.

3.De beslissing

De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in (het restant van) de proceskosten, waaronder de kosten van het deskundigenonderzoek, van € 2.035,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en is vervroegd in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.