In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is, omdat er geen dringende reden voor het ontslag aanwezig was. De werknemer, die sinds 2004 in dienst was bij de werkgever, had een functie als medewerker buitendienst en ontving een bruto maandsalaris van € 2.246,11. De werkgever had het ontslag op staande voet gebaseerd op vermeende misstanden, waaronder het stelselmatig gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden en urenfraude. De kantonrechter concludeert dat de werkgever onvoldoende bewijs heeft geleverd voor deze beschuldigingen en dat de werknemer niet op de hoogte was van de strikte regels omtrent het gebruik van de dienstauto. De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding toe, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter kent een billijke vergoeding toe van € 20.000,00, evenals vergoedingen voor onregelmatige opzegging en transitievergoeding. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen, inclusief wettelijke rente, en de proceskosten komen voor rekening van de werkgever.