Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[B.V. 1] ,
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil en de beoordeling
3.De beslissing in kort geding
- het netto-equivalent van € 4.750,00 bruto aan achterstallig loon over de maanden februari 2025 en maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf respectievelijk 1 maart 2025 en 1 april 2025 tot de dag van de volledige betaling;
- het netto-equivalent van € 650,44 bruto aan opgebouwde niet-genoten vakantie-uren over de maanden januari 2025 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van de volledige betaling;
- het netto-equivalent van € 1.900,00 bruto aan opgebouwd vakantiegeld over de maanden juni 2024 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van de volledige betaling;
- het netto-equivalent van € 1.825,11 bruto aan wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling;
- een bedrag van € 740,02 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling;